Lukas 16:1-18
Wij vergissen ons, als wij denken dat het doel van Christus' leer en heiligen Godsdienst was ons te vermaken met denkbeelden over Goddelijke mysteriën, of ons te onderhouden met denkbeelden over Goddelijke goedertierenheden. Neen, de Goddelijke openbaring hiervan in het Evangelie is bedoeld om ons aan te sporen en op te wekken tot het beoefenen van Christelijke plichten, en inzonderheid tot den plicht van weldadigheid te oefenen, goed te doen aan hen, die behoefte hebben aan iets dat wij hebben of voor hen doen kunnen. Dit wordt ons hier door den Heiland op het hart gedrukt, daar Hij ons er aan herinnert, dat wij slechts uitdelers zijn der menigerlei genaden Gods: en daar wij in menig opzicht ontrouw geweest zijn en de gunst onzes Heeren verbeurd hebben, zullen wij wijs doen met te bedenken hoe wij op een andere wijze een goed en nuttig gebruik kunnen maken van hetgeen wij in de wereld hebben. Gelijkenissen moeten niet verwrongen worden, dat is: de oorspronkelijke bedoeling er van moet niet uit het oog worden verloren, en dus moeten wij er niet uit afleiden, dat iemand ons werkelijk kan helpen of bijstaan als wij onder het ongenoegen Gods liggen, maar dat wij in het algemeen hetgeen wij hebben op zulk een wijze in werken van Godsvrucht en barmhartigheid moeten besteden, dat wij het aan de andere zijde van dood en graf getroost en gerust kunnen weder vinden. Willen wij wijs handelen, dan moeten wij even naarstig zijn om onzen rijkdom te gebruiken voor werken van Godsvrucht en barmhartigheid, ten einde ons toekomstig, eeuwig welzijn te bevorderen, als wereldse mensen zich beijveren om hun geld op de voordeligste wijze te beleggen. Beschouwen wij thans:
I. De gelijkenis zelf, waarin al de kinderen der mensen voorgesteld worden als rentmeesters van hetgeen zij hebben in de wereld. Wat wij ook bezitten, God is er de eigenaar van, wij hebben er slechts het gebruik van, en dat wel naar aanwijzing van onzen groten leenheer, en tot Zijne eer en verheerlijking. Rabbi Kimchi, aangehaald door Dr. Ligthfoot, zegt: "Deze wereld is een huis, de hemel is er het dak van, de sterren het licht, de aarde met haar vruchten een toebereide tafel, de Heer van het huis is de heilige en gezegende God, de mens is de rentmeester, in wiens handen de goederen van dat huis zijn overgegeven, indien hij zich goed gedraagt, zal hij gunst vinden in de ogen van zijn Heer, indien niet, dan zal hij van zijn rentmeesterschap ontzet worden". Nu is hier:
1. De oneerlijkheid van dezen rentmeester, Hij bracht de goederen zijns heren door, verduisterde ze, maakte er een verkeerd gebruik van, of liet ze door onachtzaamheid teloorgaan, en hierom werd hij bij zijn heer verklaagd, vers 1. Wij allen staan bloot aan deze beschuldiging. Wij hebben van hetgeen God ons toevertrouwd heeft in deze wereld geen goed gebruik gemaakt, en opdat wij nu door onzen Heere deswege niet geoordeeld zullen worden, is het in ons belang dat wij ons zelven oordelen.
2. Zijn ontslag uit zijne betrekking. Zijn heer riep hem, en zei tot hem: "Hoe hoor ik dit van u? Ik heb betere dingen van u verwacht." Hij spreekt als iemand, wie het leed doet teleurgesteld te zijn in hem en in de noodzakelijkheid te verkeren van hem uit zijn dienst weg te zenden, het ontroert hem dit te horen. Maar de rentmeester kan het niet ontkennen, en dus is er aan de zaak niets te doen, hij moet rekening en verantwoording afleggen en weldra vertrekken, vers 2. Dit nu is bedoeld om ons te leren
a. Dat wij allen weldra van ons rentmeesterschap in deze wereld ontheven zullen worden, wij zullen niet altijd in het genot zijn van de dingen, die wij nu hebben. De dood zal komen en ons van ons rentmeesterschap ontslaan, zal ons het vermogen en de gelegenheid ontnemen, die wij nu hebben om goed te doen, en anderen zullen komen en ze in onze plaats bezitten.
b. Dat ons ontslag van ons rentmeesterschap bij onzen dood recht is, is wat wij verdiend hebben, want wij hebben onzes Heeren goederen doorgebracht, en hierdoor het vertrouwen, dat in ons gesteld werd, verbeurd, zodat wij niet kunnen klagen over onrecht, dat ons aangedaan is.
c. Dat wij, als ons rentmeesterschap van ons genomen wordt, er aan onzen Heere rekenschap van moeten geven: Na den dood het oordeel. Wij worden behoorlijk gewaarschuwd zowel van ons ontslag als van de rekenschap, die van ons geëist wordt, en behoren er dikwijls aan te denken.
3. Zijn wijs overleg daarna. Nu begon hij te bedenken: Wat zal ik doen? vers 3. Hij zou wel gedaan hebben met dit van tevoren te bedenken, eer hij door zijn dwaasheid en ontrouw een zo goede betrekking ging verliezen, maar het is beter om laat dan om nooit na te denken. Daar ons nu allen kennis is gegeven, dat ons rentmeesterschap binnenkort van ons genomen zal worden, behoren wij te bedenken wat wij dan doen zullen. Hij moet leven: waar zal hij zich voor zijn levensonderhoud heen wenden?
a. Hij weet dat hij niet zoveel naarstigheid en vlijt bezit om te kunnen werken voor zijn brood. Graven kan ik niet. Maar waarom kan hij niet graven? Hij schijnt noch oud noch kreupel te zijn, de zaak is hij is lui. Zijn ik kan niet betekent eigenlijk ik wil niet. Het is geen natuurlijke, maar een zedelijke onbekwaamheid, waaronder hij lijdt. Indien zijn meester, toen hij hem ontsloeg als rentmeester, hem als arbeider of dagloner in zijn dienst had gehouden en een aandrijver over hem gesteld had, dan zou deze hem wel aan het graven gezet hebben. Hij kan niet graven, want hij is niet gewoon aan dat werk. Dit duidt aan dat wij het levensonderhoud onzer ziel door geen arbeid voor deze wereld kunnen verkrijgen, noch iets door onze eigen bekwaamheid voor onze ziel kunnen doen.
b. Hij weet dat hij niet zoveel ootmoed of nederigheid bezit om zijn brood te winnen door bedelen, te bedelen schaam ik mij. Dat was de taal van zijn hoogmoed, zoals de vorige van zijn traagheid. Zij, die in den weg van Gods voorzienigheid in de onmogelijkheid zijn gekomen om zich zelven te helpen, moeten zich niet schamen anderen om hulp te vragen. Deze rentmeester had meer reden om zich te schamen wegens zijn bedriegen van zijn meester, dan om zijn brood te bedelen.
c. Daarom besluit hij zich de schuldenaars zijns meesters te vriend te maken, of zijne huurders, die met hun pacht ten achteren waren, en daarvan schriftelijke schuldbewijzen hadden gegeven. Ik weet wat ik doen zal, vers 4. Mijn heer zendt mij weg uit zijn huis. Ik heb zelf geen huis om er heen te gaan. Ik ben bekend met de huurders of pachters van mijn heer, heb hun menige goeden dienst bewezen, en nu zal ik hun er nog een doen, die hen zo aan m ij zal verplichten, dat zij m ij welkom zullen heten in hun huis, en mij op het beste wat zij hebben zullen onthalen, en zolang ik leef zal ik, totdat ik iets beters heb, ten hunnen koste leven, en van huis tot huis bij hen gaan." Het middel nu om hen tot zijne vrienden te maken was de rekening van hetgeen zij zijn heer schuldig waren met een aanzienlijk deel te verminderen, en het op die wijze te boeken. Zo zond hij dan naar iemand, die zijn heer honderd vaten olie schuldig was (in die waar betaalde hij zijne pacht), Neem uw handschrift, zei hij, hier is het, en, neerzittende schrijf haastelijk vijftig, vers 6, en zo heeft hij dan zijne schuld tot op de helft verminderd. Let er op dat hij haast had om dit te doen. Schrijf haastelijk, opdat men er ons niet bij betrappe dat wij aan het onderhandelen zijn, en men verdenking ga koesteren." Hij wendde zich toen tot een ander, die zijn heer honderd mudden tarwe schuldig was, diens rekening heeft hij met een vijfde verminderd, hij zei hem tachtig te schrijven, vers 7. Waarschijnlijk heeft hij met nog anderen hetzelfde gedaan, meer of minder van hun schuld afdoende, al naarmate hij meerdere of mindere vriendelijkheid van hen verwachtte. Zie hieraan hoe onzekere dingen onze wereldlijke bezittingen zijn, dat zijn zij het meest voor hen, die er het meest van hebben, die al de zorg er voor aan anderen overdragen, en hen aldus in staat stellen om hen te bedriegen, omdat zij zich de moeite niet willen geven met hun eigen ogen te zien. Zie ook hoeveel verraad en bedrog gevonden worden zelfs in hen, die op een post van vertrouwen zijn gesteld. Hoe moeilijk is het iemand te vinden, in wie men wezenlijk vertrouwen kan stellen! God zij waarachtig, maar alle mens is leugenachtig. Hoewel deze rentmeester wegens oneerlijkheid ontslagen wordt, gaat hij toch nog voort oneerlijkheid te bedrijven. Zo zeldzaam is het dat de mens zich van zijne fouten verbetert, al is het ook dat hij er schade en nadeel van heeft. 4- De goedkeuring hiervan, de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had, vers 8. Dat kan bedoeld zijn van zijn heer, de heer van dien rentmeester, die hoewel hij voorzeker toornig moest wezen om zijn bedrog, toch behagen vond in zijn vernuft en overleg ten bate van zich zelven. Maar als wij het in dien zin nemen, dan moet het laatste deel van het vers de woorden bevatten van onzen Heere, en daarom denk ik, dat het gehele vers van Hem bedoeld is. Christus heeft, als het ware, gezegd: "Toont mij iemand zo bekwaam en verstandig als deze man, die zo goed voor zich zelven weet te zorgen, zo goed elke gelegenheid ten zijnen eigenen nutte en voordeel weet aan te wenden, en in zijn toekomstige behoeften weet te voorzien." Hij prijst hem, niet omdat hij bedrieglijk heeft gehandeld jegens zijn meester, maar omdat hij met zo verstandig overleg gehandeld heeft voor zich zelven. Maar wellicht heeft hij hierin toch ook wèl gehandeld voor zijn meester, en slechts rechtvaardig met de pachters. Hij wist op hoe harde voorwaarden hij met hen had gehandeld, zodat zij hun pacht niet konden betalen, maar gedrukt en in de engte gebracht door zijne strengheid, waren zij met de pacht ten achteren, en zo zullen zij met hun gezin hoogst-waarschijnlijk gans en al tot armoede vervallen. ln overweging hiervan heeft hij nu, bij zijn vertrek, gedaan zoals hij beide naar recht en barmhartigheid behoorde te doen, niet slechts hen van een deel hunner achterstallige pacht ontheffende, maar die pacht ook voor het vervolg verminderende. "Hoeveel zijt gij schuldig?" kan betekenen: "Hoe hoog is uw pacht ? Kom, ik zal u gemakkelijker voorwaarden stellen, maar die toch niet lichter of gemakkelijker zijn dan zij behoren te wezen". Hij was vroeger alleen maar uit op de belangen zijns meesters, maar nu begint hij ook eens aan die van de pachters te denken, opdat hij hun gunst kunne verwerven, als hij die zijns meesters heeft verloren. De vermindering van hun pacht zou een duurzame vriendelijkheid jegens hen zijn, en hen waarschijnlijk meer tot dankbaarheid stemmen dan alleen ene vermindering der achterstallige pacht gedaan zou hebben. Dit overleg nu om zich een goed bestaan in deze wereld te verzekeren, maakt ons beschaamd wegens ons gebrek aan voorzorg ten opzichte van de andere wereld. De kinderen dezer wereld, die hun deel er in verkiezen en hebben, zijn voorzichtiger in hun geslacht, handelen met meer overleg, gaan beter te rade met hun wereldlijke belangen en voordelen, dan de kinderen des lichts, die het Evangelie genieten, in hun geslacht, dat is: in de zaken betreffende hun ziel en de eeuwigheid. De wijsheid, die wereldse mensen aanwenden voor de zaken dezer wereld, moet door ons nagevolgd worden ten opzichte van de belangen onzer ziel. Zij gaan uit van het beginsel om de gelegenheden, die zich voordoen, goed te gebruiken, datgene het eerst te doen wat het nodigste is, in zomer en herfst op te garen voor den winter, een goeden koop te sluiten als hun die wordt aangeboden, betrouwen te hebben in hetgeen waar is, en niet in hetgeen vals is. O dat wij aldus wijs mochten zijn in onze geestelijke zaken! b. De kinderen des lichts worden gewoonlijk door de kinderen dezer wereld overtroffen en voorbijgestreefd. Niet alsof de kinderen dezer wereld waarlijk wijs zijn, zij zijn het slechts in hun geslacht. Maar daarin zijn zij wijzer dan de kinderen des lichts in het hun, want hoewel ons aangezegd is, dat ons rentmeesterschap weldra van ons genomen zal worden, maken wij voor dien dag toch niet de voorziening, die wij er voor behoorden te maken. Wij leven alsof wij altijd hier zullen zijn, en alsof er na dit leven geen ander leven was, en zijn niet zo zorgzaam als deze rentmeester geweest is, om voor het hiernamaals te voorzien. Hoewel wij als kinderen des lichts, van dat licht tot hetwelk door het Evangelie leven en onsterflijkheid gebracht zijn, niet anders kunnen, of wij moeten een andere wereld voor ons zien, bereiden wij er ons toch niet op voor, zenden er onze beste zaken en onze beste genegenheden niet heen, zoals wij toch behoorden te doen.
II. De toepassing van deze gelijkenis, en de gevolgtrekkingen, die er uit afgeleid worden, vers 9. "Ik zeg ulieden, u mijne discipelen", (want tot hen was de gelijkenis gesproken, vers1) "hoewel gij weinig hebt in deze wereld, bedenkt hoe gij met dat weinige goed kunt doen". Merk op:
1. Wat het is, waartoe de Heere Jezus ons hier vermaant, namelijk te voorzien voor onze toelating tot de zaligheid in de andere wereld, door een goed gebruik te maken van onze bezittingen in deze wereld: "Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen mammon, zoals de rentmeester zich met het goed zijns meesters diens pachters tot vrienden gemaakt heeft." Het is de wijsheid van de mannen der wereld om met hun geld om te gaan op zulk een wijze, dat zij er later het voordeel van trekken, en niet slechts op het tegenwoordige ogenblik, daarom zetten zij het uit op interest, kopen er land voor of steken het in het ene of andere fonds. Nu moeten wij van hen leren om zodanig een gebruik te maken van ons geld, dat het er ons te beter om zal gaan in de toekomende wereld, gelijk zij doen in de hoop van later meer welvaart te zullen genieten in deze wereld, en het dus uit te werpen op het water, opdat wij het na vele dagen vinden zullen, Prediker 11:1. Alles wat wij bezitten is het goed onzes Heeren, zolang wij er echter over beschikken, moeten wij er een zo goed mogelijk gebruik van maken tot eer van onzen God en tot welzijn van onzen naaste, dat is onze plicht jegens Hem en dat is tevens verstandig overleg voor ons zelven. De dingen dezer wereld zijn de onrechtvaardige mammon of de bedrieglijke mammon, niet alleen omdat zij dikwijls verkregen worden door bedrog en ongerechtigheid, maar omdat zij, die er op betrouwen voor tevredenheid en geluk, voorzeker bedrogen zullen uitkomen, want rijkdom is vergankelijk en zal teleurstelling baren aan hen, die er hoge verwachtingen van koesteren. Hoewel wij nu op dien onrechtvaardigen mammon niet mogen vertrouwen voor ons geluk, mogen en moeten wij er toch gebruik van maken ten bate van hetgeen wèl ons waar geluk uitmaakt. Wij kunnen er gene voldoening in vinden, maar wij mogen er vrienden uit maken, niet bij wijze van koop of verdienste, maar door aanbeveling. Zo kunnen wij God en Christus tot onze vrienden maken, de goede engelen en de heiligen tot onze vrienden, en de armen tot onze vrienden, en het is een begerenswaardige zaak om deze vrienden te hebben als wij rekenschap zullen hebben af te leggen van ons rentmeesterschap in den toekomenden staat. Bij den dood zullen wij allen falen hotan eklipête -als gij verduisterd wordt. De dood verduistert ons. Van een koopman wordt gezegd dat hij faalt, als hij bankroet gaat. Wij allen moeten weldra aldus falen, de dood sluit den winkel, verzegelt de handen. Onze gemakken en genoegens op aarde zullen ons falen, vlees en hart zullen bezwijken. Zo behoort het dan onze grote zorg te zijn, om er ons van te verzekeren dat, zo wij bij den dood falen, wij ontvangen zullen worden in de eeuwige tabernakelen, de eeuwige woningen in den hemel. Die woningen in den hemel zijn eeuwig, niet met handen gemaakt, maar eeuwig, 2 Corinthiërs 5:1. Christus is ons voorgegaan om een plaats te bereiden voor hen, die de Zijnen zijn, en is daar gereed om hen te ontvangen, de schoot van Abraham is gereed hen te ontvangen en, als een wacht van engelen hen derwaarts heenvoert, is een koor van engelen gereed om hen daar te ontvangen. De arme heiligen, die voorgegaan zijn naar de heerlijkheid, zullen hen ontvangen, die in deze wereld hen geholpen hebben, hun bijstand hebben verleend in hun nooddruft. Dat is een goede reden, waarom wij hetgeen wij hebben in de wereld gebruiken zullen tot eer van God en tot welzijn van onze broederen, ten einde ons een schat weg te leggen op goede zekerheid, een goed fondament tegen het toekomende. Zie 1 Timotheus 6:19, waardoor dit hier verklaard wordt.
2.. De argumenten, die Hij gebruikt om aan de vermaning om overvloedig te zijn in werken van Godsvrucht en barmhartigheid, nog meer klem en nadruk te geven.
a. Indien wij van de gaven van Gods voorzienigheid geen recht gebruik maken, hoe kunnen wij dan die tegenwoordige en toekomstige troostrijke genietingen van Hem verwachten, die de gaven zijn van Zijn geestelijke genade? Onze Heiland vergelijkt ze hier en toont ons dat, hoewel het getrouw gebruik van de dingen dezer wereld niet geacht kan worden enigerlei gunst uit de hand van God te verdienen, onze ontrouw in het gebruik er van met recht als een verbeuring kan beschouwd worden van die genade, die noodzakelijk is om ons tot de heerlijkheid te brengen, en dat is het wat door onzen Zaligmaker hier wordt aangetoond, vers 10-14. De schatten dezer wereld zijn de mindere, de geringere genade en ere zijn de meerdere. Indien wij nu ontrouw zijn in het mindere, indien wij de dingen dezer wereld tot andere doeleinden gebruiken, dan waartoe zij ons gegeven waren, dan kan met recht gevreesd worden, dat wij ook ontrouw zullen zijn in het gebruik der gaven van Gods genade, dat wij ook die gaven tevergeefs ontvangen zullen hebben, en dat zij ons daarom ontzegd zullen worden. Die getrouw is in het minste, die is ook in het grote getrouw. Hem, die God dient en goed doet met zijn geld, zal God dienen en goed doen met de edeler en kostelijker talenten van wijsheid en genade en geestelijke gaven, en het onderpand des hemels, maar hij, die het ene talent van den rijkdom dezer wereld begraaft, zal de vijf talenten van geestelijken rijkdom nooit vermeerderen. God onthoudt Zijn genade aan geldgierige, wereldsgezinde mensen, meer dan wij weten of vermoeden. De rijkdommen dezer wereld zijn bedrieglijk en onzeker, zij zijn de onrechtvaardige mammon, die ons snel ontvlucht, en zo wij er enig voordeel van willen trekken, moeten wij ons haasten, doen wij dit niet, hoe kunnen wij dan verwachten dat ons geestelijke schatten toevertrouwd zullen worden, die de enig ware rijkdommen zijn? vers 11. Laat ons hiervan overtuigd wezen, dat diegenen waarlijk rijk, en zeer rijk zijn, die rijk zijn in geloof, rijk zijn in God, rijk in Christus, in de beloften en in den voorsmaak des hemels, en laat ons daarom in dezen onzen schat opleggen, van dezen ons deel verwachten, dezen in de eerste plaats bedenken en behartigen, het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en, zo ons dan andere dingen worden toegeworpen, ze gebruiken in ordine ad spiritualia -in geestelijken zin, zodat wij, door ze goed te gebruiken, den waren rijkdom des te meer zullen vasthouden, en instaat worden gesteld om nog meerdere genade van God te ontvangen, want God geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde den mens, die goed is voor Zijn aangezicht, Spreuken 2:26, dat is, aan een ruimhartigen, liefderijken mens, een mens, die getrouw is in den onrechtvaardigen mammon, aan dien geeft Hij den waren rijkdom. De rijkdommen dezer wereld zijn eens anderen. Zij zijn ta allotria, niet van ons zelven, want zij zijn vreemd aan de ziel, aan haar natuur en aan haar belangen. Zij zijn niet van ons, want zij zijn van God, Hij heeft er eerder en meer recht op dan wij, Hij is de bezitter, de eigenaar, wij hebben slechts het vruchtgebruik er van. Zij zijn eens anderen, wij hebben ze van anderen, wij gebruiken ze voor anderen, Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten, wat nuttigheid hebben dan de bezitters daarvan, dan het gezicht hunner ogen? En weldra moeten wij ze aan anderen laten, wij weten niet aan wie. Maar geestelijke en eeuwige schatten behoren ons (zij gaan in tot de ziel, die er het bezit van krijgt) en zij zijn onafscheidelijk van ons, zij zijn het goede deel, dat niet van ons weggenomen zal worden. Als wij Christus tot den onze maken, en den hemel tot ons eigendom, dan hebben wij hetgeen wij in waarheid het onze kunnen noemen. Maar hoe kunnen wij verwachten, dat God ons daarmee zal verrijken, als wij Hem niet dienen met onze wereldlijke bezittingen, waarvan wij slechts de rentmeesters zijn?
b. Wij hebben geen ander middel om ons dienstknechten Gods te betonen dan ons zo gans en al aan Zijn dienst te wijden, dat wij den mammon, dat is: al ons wereldlijk gewin, gebruiken in Zijn dienst, vers 13. Geen huisknecht kan twee heren dienen, wier bevelen zo onbestaanbaar zijn met elkaar als die van God en den mammon. Indien iemand de wereld wil liefhebben, en zich daaraan wil houden, dan kan het niet anders of hij zal God haten en Hem verachten. Al zijne aanspraken op Godsdienst zal hij ondergeschikt maken aan zijn wereldlijke belangen, en de dingen Gods zal hij slechts tot hulpmiddel maken om de wereld te kunnen dienen. En van den anderen kant, indien iemand God wil liefhebben en Hem wil aankleven, dan zal hij, vergelijkenderwijs, de wereld haten (telkenmale als de wereld in mededinging komt met God) en haar verachten, en al zijn handel en voorspoed in de wereld zal hij op de een of andere wijze dienstbaar maken tot bevordering van den Godsdienst, en de dingen der wereld zullen hem tot hulpmiddelen zijn om God te dienen en zijn eigen zaligheid te werken. De zaak wordt ons hier duidelijk voorgesteld: Gij kunt God niet dienen en den mammon. Zo onderscheiden zijn hun belangen, dat zij nooit samen kunnen vloeien. Indien wij dus besloten zijn God te dienen, dan moeten wij den dienst der wereld verzaken en afzweren.
3. Er wordt ons hier gezegd hoe deze leer van Christus door de Farizeeën ontvangen werd, en hoe Christus hen heeft bestraft.
A. Zij hebben Hem goddelooslijk bespot, vers 14. Al deze dingen hoorden ook de Farizeeën, die geldgierig waren. Zij konden Hem niet tegenspreken, maar zij beschimpten Hem. Laat ons dit beschouwen:
a. Als hun zonde, en de vrucht van hun geldgierigheid, die hun heersende zonde was, hun eigen ongerechtigheid. Er zijn velen, die hoog opgeven van hun Godsdienstigheid, veel kennis hebben, en overvloedig zijn in uitwendige oefeningen van den Godsdienst, maar toch te gronde gaan door hun liefde tot de wereld, en er is ook niets, dat meer het hart verhardt tegen het woord van Christus. Deze geldgierige Farizeeën konden het niet dragen, dat datgene werd aangeraakt, hetwelk hun Delila was, hun lievelingszonde, hierom beschimpten zij Hem, exemuktêrizon auton -zij haalden hun neus voor Hem op, of snoten hun neus tegen Hem. Het is een uitdrukking van de uiterste minachting, het woord des Heeren is hun tot een smaad, Jeremia 6:10. Zij belachten Hem, omdat Hij zo lijnrecht inging tegen de mening en de wijze van doen der wereld, omdat Hij poogde hen te doen aflaten van een zonde, die zij besloten waren aan te houden. Het is iets gans gewoons dat diegenen spotten met het woord van God, die er zich niet door willen laten regeren, maar zij zullen ten laatste bevinden, dat zij er op die wijze niet afkomen.
b. Als Zijn lijden. Onze Heere Jezus heeft niet slechts het tegenspreken der zondaars verdragen, maar ook hun minachting, zij hebben Hem den gansen dag bespot. Hij, die sprak zoals nooit een mens heeft gesproken, werd belachen en bespot, opdat Zijn getrouwe dienstknechten, wier prediking onrechtvaardiglijk bespot wordt, er niet ontmoedigd om zouden worden. Het is geen schande voor een mens om uitgelachen te worden, maar wel dat hij verdient om uitgelachen te worden. Christus' apostelen werden bespot, en geen wonder! de discipel is niet meerder dan zijn Heere.
B. Hij heeft hen rechtvaardiglijk bestraft, niet wijl zij Hem beschimpten (Hij wist de schande te verachten) maar wijl zij zichzelf misleidden met een schijn van vroomheid, terwijl zij aan de kracht der Godzaligheid gans vreemd waren, vers 15. Hier is hun schoonschijnend uiterlijk, ja, dat scheen waarlijk prachtig te zijn.
Ten eerste. Zij rechtvaardigden zich voor de mensen, zij ontkenden alle kwaad, dat hun ten laste werd gelegd, zelfs door Christus. Zij maakten aanspraak om beschouwd te worden als mensen van buitengemene vroomheid en heiligheid, en rechtvaardigden zich deswege. "Gij zijt degenen, die dat doet, zoals nooit iemand anders het deed, die er werk van maakt, om den goeden dunk der mensen voor u te winnen, en die u, terecht of ten onrechte, voor de wereld rechtvaardigt: gij zijt hiervoor bekend." Ten tweede. Zij waren in hoog aanzien bij de mensen. De mensen spraken hen niet slechts vrij van alle schuld, maar zij loofden hen, vereerden hen, niet slechts als goede mensen, maar als de besten der mensen. Hun gevoelens werden beschouwd als orakelen, hun wenken als wetten, en hun praktijken als onaantastbare voorschriften. Hun afzichtelijk binnenste, dat onder het oog Gods lag: "God kent uwe harten, en die zijn voor Hem een verfoeisel, want zij zijn vol van allerlei boosheid." Het is dwaasheid om ons zelven te rechtvaardigen voor de mensen en te denken, dat het volstaat om ons ten einde toe te handhaven, en ons vrij en gerechtvaardigd te doen uitgaan in den groten dag, dat de mensen geen kwaad van ons weten, want God, die ons hart kent, weet het kwaad van ons, dat niemand anders kan weten. Het behoort onze waardering van ons zelven en ons vertrouwen in ons zelven teniet te doen, dat God ons hart kent en hoeveel bedrog er in schuilt, want wij hebben reden om ons zelven te vernederen en te wantrouwen.
Ten derde. Het is dwaasheid om mensen en zaken te beoordelen naar de mening der mensen er over, er mede te drijven op den stroom van de algemene schatting, want dat hoog is onder de mensen, die oordelen naar den uiterlijken schijn, is wellicht een gruwel voor God, die de dingen ziet zoals zij zijn, en wiens oordeel-daarvan houden wij ons verzekerd-naar waarheid is. Daarentegen zijn er de zodanige, die door de mensen veracht en veroordeeld worden, maar door God worden aangenomen, 2 Corinthiërs 10:18.
c. Hij keerde zich van hen af, en wendde zich tot de tollenaren en zondaren, als waarschijnlijk meer toegankelijk zijnde voor Zijn Evangelie dan deze geldgierige, verwaande Farizeeën, vers 16. De wet en de profeten waren voorzeker tot op Johannes, de Oud Testamentische bedeling, die beperkt was tot u, Joden, bleef tot aan de verschijning van Johannes de Doper, en gij scheen het monopolie der gerechtigheid en des heils te hebben, en hierdoor zijt gij opgeblazen, en het wint u de achting der mensen, dat gij de wet en de profeten bestudeert, maar sedert Johannes de Doper verschenen is, is het koninkrijk Gods verkondigd, een Nieuw Testamentische bedeling, die de mensen volstrekt niet schat naar hun geleerd-zijn in de wet, maar een iegelijk doet geweld op het Evangeliekoninkrijk, heidenen zowel als Joden, en niemand acht zich verplicht tot de beleefdheid, om zijne meerderen voor hem te laten ingaan of buiten te blijven, totdat de oversten en de Farizeeën hem daarin zijn voorgegaan. Het is niet zozeer een politieke, nationale instelling, zoals de Joodse staatsinrichting geweest is, toen de zaligheid was uit de Joden, maar het is tot een bijzondere, persoonlijke zaak gemaakt, en daarom dringt ieder, die er van overtuigd is dat hij ene ziel heeft, die behouden moet worden, en dat er ene eeuwigheid is, waarvoor voorziening gemaakt moet worden, om binnen te komen, opdat hij door geen beuzelen of complimenten maken buiten blijft. Sommigen geven er dezen zin aan: zij beschimpten Christus, omdat Hij met minachting sprak van rijkdom, want, dachten zij, waren er dan niet veel beloften van rijkdom en andere goede dingen dezer wereld in de wet en in de profeten? En zijn niet velen van de besten van Gods dienstknechten, zoals Abraham en David, zeer rijk geweest? "Het is waar," zegt Christus, "zo was het, maar nu het koninkrijk Gods is begonnen verkondigd te worden, nemen de zaken een anderen keer, nu is het: zalig zijn de armen, en de treurenden, en de vervolgden." De Farizeeën hebben, om het volk te belonen voor hun verering van hen, hun een gemakkelijken, goedkopen, vormelijken Godsdienst toegestaan. "Maar." zegt Christus, "nu het Evangelie verkondigd wordt, zijn de ogen des volks opengegaan, en gelijk zij nu niet meer zo hogen eerbied voor de Farizeeën kunnen hebben, als zij tevoren voor hen hadden, kunnen zij zich ook niet meer vergenoegen met die onverschilligheid voor den Godsdienst, waarin zij opgevoed zijn, maar met een heilig geweld dringen zij het koninkrijk Gods binnen." Zij, die naar den hemel willen gaan, moeten er zich moeite voor geven, moeten tegen den stroom op roeien, moeten zich heendringen door de menigte, die den tegenovergestelden weg uitgaat.
d. Toch blijft Hij protesteren tegen enigerlei bedoeling om de wet teniet te doen, vers 17. Het is lichter dat de hemel en de aarde voorbijgaan, parelthein -voorbijgaan, hoewel de fondamenten der aarde en de pilaren des hemels zo vast gegrond zijn, dan dat een tittel der wet valle. De zedelijke wet is bevestigd en bekrachtigd, en geen tittel daarvan faalt, de plichten, die zij gebiedt, zijn nog plichten, de zonden, die zij verbiedt, zijn nog zonden. Ja meer, de geboden er van worden verklaard en versterkt door het Evangelie, en hebben er een geestelijker aanzien door gekregen. De ceremoniële wet is vervolmaakt in het Evangelie, en de schaduwen er van zijn vervuld door het Evangelie, geen tittel daarvan valt, want zij is ingedrukt in het Evangelie, waar, hoewel de kracht er van als wet weggenomen is, het beeld er van als type toch nog helder uitkomt, getuige de brief aan de Hebreeën. Er waren sommige dingen, die door de wet oogluikend zijn toegelaten, ter voorkoming van groter kwaad, waarvan de vergunning door het Evangelie voorzeker is weggenomen, maar zonder enigerlei schade of nadeel voor de wet, zoals voor de echtscheiding, vers 18. dat wij tevoren gehad hebben in Mattheus 5:32, 19:9. Christus wil geen echtscheiding toelaten, want Zijn Evangelie is bestemd om den bitteren wortel van der mensen verdorven lusten en hartstochten aan te tasten, ze te doden, ze uit te roeien, en daarom moet die toegeeflijkheid voor hen ophouden, welke in die toelating der echtscheiding lag opgesloten, want hoe meer aan die lusten en hartstochten wordt toegegeven, hoe sterker en veeleisender zij worden.