Lukas 12:13-21
In deze verzen hebben wij:
I. Het aanzoek, dat zeer ten ontijde gedaan werd bij Christus door een van Zijne hoorders, die van Hem verlangde dat Hij als bemiddelaar zou optreden tussen hem en zijn broeder betreffende ene familiebezitting, vers 13 :Meester, zeg mijn broeder, spreek tot hem als profeet, spreek als koning, spreek met gezag, hij is iemand, die acht zal slaan op hetgeen Gij zegt, zeg hem dat hij met mij de erfenis dele.
1. Sommigen denken dat deze broeder hem onrecht deed, en dat hij zich tot Christus wendde om recht te verkrijgen, daar hij wist dat een rechtsgeding kostbaar was. Zijn broeder was iemand, die door de Joden Ben chamasin een zoon der gewelddadigheid -genoemd werd, die niet slechts zijn eigen deel van de bezitting nam, maar ook dat zijns broeders, en het met geweld van hem terughield. Zulke broeders zijn er in de wereld, die geen het minste besef hebben van billijkheid of natuurlijke liefde, en hen tot hun prooi maken, die zij behoorden te beschermen. Zij, die aldus verongelijkt worden, hebben een God, tot wie zij zich kunnen begeven, en die recht en gerechtigheid zal laten wedervaren aan hen, die verdrukt zijn.
2. Anderen denken, dat hij van zins was zijn broeder onrecht te doen, en wilde dat Christus hem hierin behulpzaam zou zijn, dat hij, terwijl de wet aan den oudsten broeder een dubbel deel gaf van de bezitting, en de vader zelf niet anders dan naar dezen regel over zijn goed kon beschikken, Deuteronomium 21:16, 17, wilde dat Christus die wet zou veranderen en zijn broeder zou verplichten de erfenis gelijkelijk met hem te delen, en hem dus evenveel zou toewijzen als zijn broeder. Ik vermoed dat dit het geval zal geweest zijn, omdat Christus hieruit aanleiding neemt om te waarschuwen tegen gierigheid, pleonexia -ene begeerte om meer te hebben, meer dan God in Zijne voorzienigheid ons heeft toegewezen. Het was geen wettige begeerte om het zijne te verkrijgen, maar een zondige begeerte om meer dan het zijne te verkrijgen.
II. Christus' weigering om in die zaak tussenbeide te treden, vers 14 :Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over ulieden gesteld? In zaken van dien aard wil Christus zich noch wetgevende macht aanmatigen om den vastgestelden regel voor het erfrecht te veranderen, noch een rechterlijke macht om over geschillen tussen hen te beslissen. Hij zou de taak des rechters en des wetgevers hebben kunnen vervullen evengoed als Hij die van den arts vervuld heeft, en rechtskwesties even gelukkig hebben kunnen oplossen, als Hij krankheden heeft genezen, maar Hij wilde niet, want dat was niet in Zijne opdracht gelegen. Wie heeft Mij tot een rechter gesteld? Waarschijnlijk zinspeelde Hij op de belediging, die Mozes aangedaan werd door een zijner broederen in Egypte, en die Stefanus den Joden verweet, Handelingen 7:27, 35. "Indien Ik Mij aanbood om dit te doen, gij zoudt Mij honend toevoegen wat gij Mozes toegevoegd hebt: Wie heeft u tot een rechter of scheidsman gesteld?" Hij herstelt de vergissing van dien man, wil zijn beroep niet toelaten (het was coram non judice -niet voor den bevoegden rechter) en zo wijst Hij dit verzoek af. Indien hij gekomen ware om Zijne hulp te vragen in het verkrijgen van de hemelse erfenis, dan zou Christus hem Zijn bijstand hebben verleend, maar met deze zaak heeft Hij niet van doen: Wie heeft Mij tot een rechter gesteld? Jezus Christus was geen overweldiger, Hij nam geen andere eer of macht op zich, dan die Hem gegeven was, Hebreeën 5:5. Voor alles wat Hij deed kon Hij zeggen door wat macht Hij het deed en wie Hem die macht had gegeven. Dit nu toont ons wat de aard en inrichting is van Christus' koninkrijk. Het is een geestelijk koninkrijk, en het is niet van deze wereld.
1. Het mengt zich niet met de zaken der burgerlijke overheid, en neemt den vorsten het gezag niet uit hun handen. Het Christendom laat, ten opzichte van het burgerlijk gezag, de zaken zoals zij waren.
2. Het mengt zich niet in burgerlijke rechtszaken, het stelt alleen ten plicht recht te doen, overeenkomstig de gevestigde regelen der billijkheid, maar heerschappij is niet gegrond in genade.
3. Het moedigt onze verwachtingen niet aan van werelds voordeel te verkrijgen door den Godsdienst. Indien deze mens een discipel van Christus wil wezen, en verwacht dat Christus hem, uit aanmerking hiervan, zijns broeders bezitting zal geven, dan vergist hij zich, het loon van Christus' discipelen is van een anderen aard.
4. Het moedigt ons niet aan om met onze broeders te strijden, streng en hoog te zijn in onze eisen, maar veeleer om van ons recht afstand te doen, om des vredes wil.
5. Het staat den evangeliedienaren niet toe om zich te bemoeien met de zaken van dit leven, 2 Timotheus 2:4, het woord Gods na te laten om de tafelen te dienen. Er zijn personen, wier werk dit is, laat het hun overgelaten worden.
Tractent fabrilia fabri -Ieder werkman houde zich aan zijn eigen vak.
III. De noodzakelijke waarschuwing, die Christus naar aanleiding hiervan tot Zijne hoorders richt. Hoewel Hij niet gekomen is om een scheidsman of verdeler te zijn van der mensen bezittingen, is Hij toch wèl gekomen om een gids te zijn voor hun consciëntie ten opzichte er van, en Hij wil dat allen zich zullen wachten voor het verdorven beginsel, dat zij in anderen als den wortel zagen van zoveel kwaad. Hier is:
1. De waarschuwing zelf: Ziet toe, en wacht u van de gierigheid, horate -"Geeft acht op uzelven, houdt een waakzaam oog op uw eigen hart, opdat er geen beginselen van gierigheid insluipen, en phulassesthe - bewaart uzelven, houdt streng de hand aan uw eigen hart, opdat er geen beginsel van gierigheid in heerse en de wet voorschrijve". Gierigheid is een zonde, waartegen wij voortdurend nodig hebben te waken, en waarvoor wij dus ook dikwijls gewaarschuwd moeten worden.
2. De reden hiervoor, of een argument om aan deze waarschuwing kracht bij te zetten.
Want het is niet in den overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijne goederen, dat is: ons geluk en ons gevoel van behaaglijkheid hangen niet af van groten rijkdom in deze wereld.
a. Het leven der ziel is er stellig niet van afhankelijk, en de ziel is de mens. De dingen der wereld schikken zich niet naar den aard der ziel, voorzien niet in hare behoeften, bevredigen hare verlangens niet, en hebben haar duur niet.
b. Ja meer, zelfs het leven en het geluk des lichaams bestaan niet in den overvloed dezer dingen, want velen leven zeer tevreden en behaaglijk, en komen gemakkelijk door de wereld, die toch weinig van haren rijkdom bezitten, beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os en haat daarbij, en van den anderen kant, velen leiden een zeer ongelukkig leven, die toch veel van de dingen dezer wereld hebben, zij bezitten overvloed, maar vinden er genot noch vertroosting in, zij doen hun ziel gebrek hebben van het goede, Prediker 4:8. Velen, die overvloed hebben, zijn ontevreden en gemelijk, zoals Achab en Haman, en welk goed doet hun overvloed hun dan?
3. De verduidelijking hiervan door ene gelijkenis, waarvan de strekking is de dwaasheid aan te tonen van vleselijk-gezinde wereldlingen terwijl zij leven, en hun rampzaligheid als zij sterven, hetgeen bedoeld is niet alleen als ene bestraffing voor dien man, die zich tot Christus had gewend met een verzoek, rakende zijne bezitting, terwijl hij in geen zorg was over zijne ziel in een andere wereld, maar ook om kracht bij te zetten aan die nodige waarschuwing, tot ons allen gericht: wacht u van de gierigheid. De gelijkenis beschrijft ons het leven en den dood van een rijke, en laat het aan ons over te oordelen, of hij een gelukkige mens was.
a. Hier is een bericht van zijn wereldsen rijkdom en overvloed, vers 16. "Eens rijken mensen land had wel gedragen -Choora - regio -het land. Hij had een heel land voor zich, ene heerlijkheid, hij was een kleine vorst. Zijn rijkdom was grotendeels gelegen in de voortbrengselen der aarde, want de koning zelfs wordt van het veld gediend, Prediker 5:8. Hij had heel veel land, en zijn land was vruchtbaar, veel wilde meer hebben, en hij had meer. De vruchtbaarheid der aarde is een grote zegen, maar het is een zegen, dien God dikwijls schenkt aan slechte mensen, voor wie zij een strik is, opdat wij niet denken te kunnen oordelen over Zijne liefde of Zijn haat naar hetgeen voor onze ogen is.
b. Hier zijn de overleggingen van zijn hart temidden van dezen overvloed. Er wordt ons hier gezegd wat hij overlegde bij zich zelven, vers 17. De God des hemels weet en ziet wat wij in ons zelven denken, en wij zijn er Hem rekenschap voor schuldig. Hij is zowel een opmerker als een oordeler van de gedachten en voornemens des harten. Wij vergissen ons als wij denken dat gedachten verborgen, en dat gedachten vrij zijn. Laat ons hier opmerken: Waarover zijne zorg ging. Toen hij een buitengewonen oogst zag op zijn land, heeft hij, in plaats van God er voor te danken of zich te verheugen in de gelegenheid, die het hem gaf om des te meer goed te doen, zich gekweld met de gedachte: "Wat zal ik doen?" want ik heb niet, waarin ik mijne vruchten zal verzamelen?" Hij spreekt als iemand, die geen raad weet, in grote verlegenheid is. Wat zal ik nu doen? De armste bedelaar in het land, die niet wist hoe aan een maal eten te komen, zou geen woord hebben kunnen zeggen, dat meer angst of zorg uitdrukte. Ontrustende zorg is gewoonlijk de vrucht van den overvloed in deze wereld, en het gewone gebrek van hen, die overvloed hebben. Hoe meer de mensen hebben, hoe meer zorg en verlegenheid zij er mede hebben, en hoe groter zorg zij hebben om te houden wat zij hebben, en er nog aan toe te voegen, hoe te sparen en hoe uit te geven, zodat de overvloed zelf van de rijken hen niet laat slapen, wegens hun denken aan hetgeen zij doen moeten met hetgeen zij hebben, en hoe zij er over zullen beschikken. De rijke man schijnt dit al zuchtende te zeggen: Wat zal ik doen? En zo gij vraagt: Wat is het, dat u ontrust? dan is het antwoord, dat hij overvloed van rijkdom heeft, en een bergplaats er voor wenst, dat is alles. Wat zijne plannen waren, als uitkomst van zijne zorg en overleggingen, en zij waren al even dwaas als die zorgen en overleggingen, vers 18. Dit zal ik doen, en het is het beste plan, dat ik kan volbrengen: ik zal mijne schuren afbreken, want zij zijn te klein, en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijne goederen, en dan zal ik gerust en op mijn gemak zijn. Ten eerste nu, was het dwaasheid in hem om de vruchten des lands zijne vruchten en zijne goederen te noemen. Hij schijnt hier den nadruk op te leggen, waardoor hij zich gestreeld voelt, mijn gewas en mijne goederen, terwijl toch hetgeen wij hebben ons slechts geleend is tot ons gebruik, het eigendomsrecht blijft in God, wij zijn slechts rentmeesters van de goederen onzes Heeren, houders van den grond onzes Heeren, zolang het Hem behaagt. Het is Mijn koren (zegt God) en Mijn wijn, Hosea 2:8, 9. Ten tweede, het was dwaasheid in hem om wat hij had op te leggen, en dan te denken dat hij het goed besteed had. Daar zal ik het alles verzamelen, alsof niets aan de armen gegeven moest worden, niets aan zijne familie, niets aan den Leviet en den vreemdeling, den wees en de weduwe, het moet alles in de grote schuur.
Ten derde. Het was dwaasheid in hem om met de vermeerdering van zijn rijkdom ook zijne lusten en begeerlijkheden te vermeerderen, om, toen zijn land overvloediger voortbracht dan gewoonlijk, dadelijk van grotere schuren te gaan spreken, alsof het volgende jaar noodzakelijkerwijs even vruchtbaar zal zijn als dit jaar, en nog overvloediger, terwijl toch de schuur in het volgende jaar evenveel te groot kan blijken te zijn, als zij nu te klein is. Op jaren van overvloed volgen gewoonlijk jaren van hongersnood, zoals in Egypte gebeurd is, en daarom zou het beter zijn om nu een gedeelte aan mijten te zetten. Ten vierde. Het was dwaasheid in hem te denken, dat hij door nieuwe schuren te bouwen van zijn zorgen zou afkomen, want reeds het bouwen er van zou zijne zorgen vermeerderen, dat weten diegenen, die iets van bouwlust en bouwen weten. Het middel, dat God voorschrijft ter verdrijving van buitensporige zorgen, is voorzeker afdoend, maar door het middel, dat de wereld er voor aan de hand doet, worden zij slechts vermeerderd. Daarenboven, als hij dit gedaan zal hebben, zullen er weer andere zorgen voor hem zijn, hoe groter de schuren, hoe groter de zorgen, Prediker 5:10. Ten vijfde. Het was dwaasheid in hem om al die plannen te maken zonder enig voorbehoud. Dit zal ik doen: ik zal mijne schuren afbreken, en ik zal grotere bouwen, ja, dat zal ik, zonder ook maar te denken aan dit zeer nodige voorbehoud: Indien de Heere wil, en ik leef, Jakobus 4:13, 15. Stellige, besliste plannen zijn dwaze plannen, want onze tijden zijn in Gods hand, en niet in de onze, en wij weten zelfs niet wat morgen geschieden zal. Wat zijn aangename hoop en verwachting was, als hij deze plannen ten uitvoer zou hebben gelegd. Ik zal tot mijne ziel zeggen, in het geloof aan die veiligheid en zekerheid, hetzij God het zegt of niet: Ziel, gij hebt (in deze schuren) vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk, vers 11. Ook hier blijkt zijne dwaasheid, even sterk in het genieten van zijn rijkdom als in het najagen er van. Ten eerste. Het was dwaasheid in hem om zijn genieten van zijn rijkdom uit te stellen, totdat hij zijne plannen desbetreffende ten uitvoer had gelegd. Als hij grotere schuren gebouwd en ze gevuld heeft (hetgeen een werk van tijd is) dan zal hij rust nemen, kon hij dat nu niet evengoed gedaan hebben? Hugo de Groot haalt hier de geschiedenis aan van Pyrrhus, die het plan maakte om zich meester te maken van Sicilië, Afrika en andere plaatsen ten einde zijne overwinningen voort te zetten. Wel, zegt zijn vriend Cyneas, en wat moeten wij daarna doen? Postea vivemus, zegt hij, "Dan zullen wij leven, At hoc jam licet, zegt Cyneas, Wij kunnen nu leven, als wij willen. Ten tweede. Het was dwaas in hem er zo zeker van te zijn, dat zijn goederen opgelegd waren voor vele jaren, alsof zijn grotere schuren meer veiligheid boden dan zijn kleinere, terwijl zij toch in een uur tijds tot den grond toe afgebrand konden worden met al wat er in was, misschien wel door het inslaan van den bliksem, waartegen hij ze niet beveiligen kon. Enkele jaren kunnen een grote verandering teweegbrengen, mot en roest kunnen verderven, of dieven kunnen doorbreken en stelen. Ten derde. Het was dwaasheid in hem te rekenen op een zekere rust of gemak, als hij overvloed van rijkdom in deze wereld heeft opgelegd, terwijl er zoveel is, dat den mensen temidden van hun grootsten overvloed onrust baart. Eèn dode vlieg kan een ganse vaas met kostelijke zalf bederven, en een doorn een gans bed van dons. Pijn en lichaamskrankheid, onaangenaamheid van bloedverwanten, en inzonderheid een schuldig geweten, kunnen een mens zijne rust ontroven, al heeft hij ook nog zoveel van den rijkdom dezer wereld. Ten vierde. Het was dwaasheid in hem te denken. dat hij van zijn overvloed geen ander gebruik zal maken dan te eten en te drinken en vrolijk te zijn, het vlees te koesteren, aan zinnelijke lusten toe te geven, zonder enigerlei gedachte om goed te doen aan anderen, en er beter door instaat gesteld te worden God en Zijn geslacht te dienen, alsof wij leven om te eten en niet eten om te leven, en alsof het geluk van den mens in niets anders bestond, dan om het zingenot zo hoog moge- lijk op te voeren. Ten vijfde. Het was van al die dwaasheden de grootste, om dit tot zijne ziel te zeggen. Indien hij had gezegd: Lichaam, neem rust, want gij hebt vele goederen opgelegd voor vele jaren, dan zou dit nog zin gehad hebben, maar de ziel, beschouwd als een onsterfelijke geest, scheidbaar van het lichaam, had volstrekt geen belang in een schuur vol van koren, of een zak vol met goud. Indien hij de ziel had gehad van een zwijn, hij zou haar gelukkig hebben gemaakt met eten en drinken, maar wat is dit voor de ziel van een mens, die behoeften en begeerten heeft, waaraan deze dingen volstrekt niet kunnen voldoen? Het is de grote ongerijmdheid, waaraan de kinderen dezer wereld zich schuldig maken, dat zij de ziel willen bedelen met den rijkdom der wereld en de genietingen der zinnen.
c. Hier is Gods oordeel over dit alles, en wij zijn er zeker van, dat Zijn oordeel overeenkomstig de waarheid is. De mens zei tot zich zelven, zei tot zijne ziel: Neem rust. Indien God dit ook had gezegd, die mens zou gelukkig geweest zijn, en Zijn Geest getuigt met den geest der gelovigen om hun rust te geven. Maar God zei gans wat anders, en naar Zijn oordeel, niet naar het onze, moeten wij staan of vallen, 1 Corinthiërs 4:3, 4. Zijne naburen zegenden hem, Psalm 10:3, loofden hem, omdat hij zich zelven goed deed, Psalm 49:19, maar God zei: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeisen, vers 20. God zei tot hem, dat is: verordineerde dit omtrent hem, en liet het hem weten, hetzij door zijn eigen consciëntie, of door een hem wakker schuddende leiding van de voorzienigheid, of liever door beiden. Dit werd gezegd, toen zijne genoegzaamheid vol was, Job 20:22, toen zijn ogen wakende werden gehouden door zijne zorgen en plannen omtrent het vergroten zijner schuren, niet door er een paar zolders of ruimten aan toe te voegen, hetgeen aan zijn doel beantwoord zou hebben, maar door ze af te breken en grotere te bouwen, hetgeen slechts nodig was om aan zijn gril te voldoen. Toen hij dit plan beraamde, en het tot uitvoering had gebracht, en zich in slaap wiegde met het behaaglijk denkbeeld van vele jaren van genot door zijn gemaakte verbeteringen, toen heeft God dit tot hem gezegd. Zo is Belsasar verschrikt geworden door het handschrift op den muur, temidden van al zijn vrolijk feestgedruis. Let nu op hetgeen God zei. De hoedanigheid, die Hij hem toeschreef: Gij dwaas, gij Nabal, zinspelende op de geschiedenis van Nabal, dien dwaas (zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem) wiens hart in zijn binnenste bestierf en als een steen werd, toen hij zich vrolijk maakte in zijn overvloed bij zijn maaltijd met zijne schaapherders. Vleselijkgezinde wereldlingen zijn dwazen, en de dag komt, wanneer God hen bij hun eigen naam zal noemen, Gij dwaas, en dan zullen zíj zich zelven zo noemen. Het vonnis, dat Hij over hem uitsprak, een doodvonnis: In dezen nacht zal men uwe ziel van u afeisen en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn? Hij dacht goederen te hebben, die gedurende vele jaren de zijne zullen wezen, maar hij moet er in dezen nacht van scheiden, hij dacht zelf er van te genieten, maar hij moet ze nalaten aan hij weet niet wie. De dood van vleselijk-gezinde wereldlingen is ellendig op zichzelf, en voor hen schrikkelijk.
Ten eerste. Het is een dwangbevel, een arrest, het is het opeisen van de ziel, die ziel, van welke gij zulk een dwaas gemaakt hebt, wat hebt gij van doen met een ziel, als gij er geen beter gebruik van weet te maken? Uw ziel zal geëist worden, dat geeft te kennen, dat hij er niet gaarne van wilde scheiden. Een Godvruchtig man, die zijn hart van deze wereld heeft afgetrokken, zal zijn ziel bij den dood goedsmoeds overgeven, maar van een wereldling wordt zij met geweld afgescheurd, voor hem is het een verschrikking om deze wereld te verlaten. Zij zullen uwe ziel van u afeisen. God zal haar eis en, Hij zal er rekenschap van eisen. "Man, vrouw, wat hebt gij met uw ziel gedaan? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap." Zij zullen, dat is: boze engelen als de boodschappers van Gods gerechtigheid. Gelijk goede engelen Godvruchtige zielen ontvangen om ze heen te voeren naar hare vreugde, zo ontvangen boze engelen de ongodvruchtige zielen om ze heen te voeren naar de plaats der pijniging, zij zullen haar opeisen als een schuldige ziel om te worden gestraft. De duivel eist uwe ziel op als de zijne, want zij heeft zich ook werkelijk aan hem gegeven.
Ten tweede. Het is een onverwacht dwangbevel. Het is in den nacht, en de verschrikkingen van den nacht zijn het schrikkelijkst. Voor een Godvruchtige is de tijd des doods dagtijd, het is zijn dageraad. Maar voor een wereldling is het nacht, een donkere nacht, in smart zal hij liggen. Het is in dezen nacht, dezen nacht van heden, zonder uitstel, men kan geen borgtocht stellen, om geen dag uitstel vragen. Dezen lieflijken nacht, als. gij u nog vele jaren belooft, nu moet gij sterven en naar het oordeel gaan. Gij belooft uzelven nog menige vrolijken dag en vrolijken nacht, en nog menig vrolijk feest, maar hier is temidden van dat alles het einde van alles, Jesaja 21:4.
Ten derde. Het is het achterlaten van al die dingen, waarvoor zij gearbeid en gezwoegd hebben, om ze later te kunnen bezitten. Alles waar zij hun geluk in gesteld, hun hoop op gebouwd en hun verwachtingen van gekoesterd hebben, moeten zij verlaten. Hun eer zal hen niet nadalen, Psalm 49:17, maar zij zullen even naakt uit de wereld gaan als zij er in gekomen zijn, en zij zullen geen voordeel hebben uit al wat zij bijeengeschraapt hebben, er geen vruchten van plukken in den dood, in het oordeel of hun eeuwigen staat.
Ten vierde. Het is die dingen achterlaten aan zij weten niet wie. Wiens zal het zijn? Voorzeker niet het uwe, en gij weet niet wat zij zullen blijken te zijn, voor wie gij ze bestemd hebt, uwe kinderen en bloedverwanten, of zij wijs of dwaas zullen wezen, Prediker 2:18, 19, of zij uwe nagedachtenis zullen zegenen of vervloeken, ene eer zullen wezen voor uwe familie, of een schande, of zij goed of kwaad zullen doen met hetgeen gij hun nalaat, of zij het zullen bewaren of doorbrengen. Ja, gij weet niet eens of zij, voor wie gij het bestemd hebt, niet verhinderd zullen zijn om er van te genieten, zodat het iemand anders ten deel valt, aan wie gij weinig denkt. En al weet gij ook aan wie gij het nalaat, dan weet gij toch niet aan wie zij het zullen nalaten, of wie het ten slotte in handen komen zal. Menigeen zou, als hij had kunnen voorzien aan wie na zijn dood zijn huis komen zal, het liever verbrand dan verfraaid hebben.
Ten vijfde. Het is een bewijs van zijne dwaasheid. Vleselijk-gezinde wereldlingen zijn dwazen terwijl zij leven, Psalm 49:14, maar hun dwaasheid komt het meest uit als zij sterven: In zijn laatste zal hij een dwaas zijn, Jeremia 17:11, want dan zal het blijken, dat hij zich moeite gaf om schatten op te leggen in ene wereld, waarvan hij zich wegspoedde, terwijl hij geen zorg had om ze op te leggen in de wereld, waar hij zich heenspoedde. Eindelijk. Wij hebben hier de toepassing dezer gelijkenis, vers 21. Alzo is het met dien, zulk een dwaas is hij in Gods oordeel, die zich zelven schatten vergadert, en niet rijk is in God. Dat is de wijze, en dat is het einde van zulk een man. Merk hier op:
1. De beschrijving van een wereldling. Hij vergadert zich zelven schatten, voor het lichaam, voor de wereld, voor zich zelven in tegenstand met God, voor dat eigen-ik, dat verloochend moet worden. a. Zijne dwaling bestaat hierin, dat hij zijn vlees zichzelf acht te zijn, alsof het lichaam de mens was. Indien het ik recht begrepen wordt, dan is het alleen de ware Christen, die zich schatten vergadert. en wijs is voor zich zelven, Spreuken 9:12.
b. Het is zijn dwaling, dat hij er zich mede bezighoudt om op te leggen voor het vlees. dat hij opleggen voor zich zelven noemt. Al zijn arbeid is voor zijn mond, Prediker 6:7, voorziening makende voor het vlees.
c. Het is zijn dwaling, dat hij die dingen als zijne schatten beschouwt, die aldus vergaderd zijn voor de wereld, en het lichaam, en het leven dat nu is, zij zijn de schatten, waarop hij betrouwt, en waar zijn hart aan gehecht is.
d. De grootste dwaling van allen is, dat hij er zich niet om bekommert rijk te zijn in God, rijk in de schatting Gods, wiens schatting dat wij rijk zijn, ons rijk maakt, Openbaring 2:9, rijk in de dingen Gods, rijk in geloof, Jakobus 2:5, rijk in goede werken, in de vruchten der gerechtigheid, 1 Timotheus 6:18, rijk in genade en vertroosting en geestelijke gaven. Velen, die overvloed hebben in deze wereld, zijn gans ontbloot van hetgeen hun ziel zal verrijken, hen rijk zal maken in God, rijk voor de eeuwigheid.
2. De dwaasheid en ellende van een wereldling. Alzo is hij. Onze Heere Jezus Christus, die weet wat het einde der dingen zijn zal, heeft ons hier gezegd wat zijn einde wezen zal. Het is de onuitsprekelijke dwaasheid van de meeste mensen om den rijkdom dezer wereld meer lief te hebben en meer te zoeken dan den rijkdom der andere wereld, hetgeen bloot voor het lichaam is en voor den tijd, meer dan hetgeen voor de ziel is en voor de eeuwigheid.