Johannes 8:38-47
Hier zijn Christus en de Joden nog altijd in geschil. Hij zet er zich toe hen te overtuigen en te bekeren, terwijl zij er zich toe blijven zetten Hem tegen te spreken en tegen te staan.
I. Hij schrijft het verschil tussen Zijne gevoelens en de hun toe aan hun verschillenden oorsprong, vers 38. Ik spreek wat Ik bij Mijn Vader gezien heb, gij doet dan ook wat gij bij uw vader gezien hebt. Hier wordt gesproken van twee vaders, overeenkomstig de twee geslachten, waarin de kinderen der mensen verdeeld zijn-God en den duivel, en ongetwijfeld zijn deze twee het tegenovergestelde van elkaar.
1. Christus' leer was van den hemel, zij was het afschrift van de raadsbesluiten der oneindige wijsheid en naar de bedoelingen der eeuwige liefde.
a. Ik spreek wat Ik gezien heb. Wat Christus ons ontdekt heeft van God en van een andere wereld is niet gegrond op gissingen, of op horen zeggen, maar op waarneming der ogen, zodat Hij volkomen bekend was met den aard, en verzekerd was van de waarheid van al wat Hij zei. Hij, die gegeven is om een getuige des volks te wezen, is een ooggetuige, en dus onwraakbaar.
b. Het is wat Ik bij Mijn Vader gezien heb. De leer van Christus was niet een schijnbaar aannemelijke onderstelling, ondersteund door waarschijnlijke argumenten, maar een nauwkeurig tegenstuk van de onbetwistbare waarheden, die in den eeuwigen Geest woonden. Het was niet slechts wat Hij van Zijn Vader had gehoord, maar wat Hij bij Hem heeft gezien, toen "de raad des vredes tussen die beiden was." Mozes sprak wat hij van God had gehoord: maar het aangezicht Gods mocht hij niet zien. Paulus is in den derden hemel geweest, maar wat hij daar gezien heeft, kon hij, mocht hij, niet uitspreken, want het was Christus' voorrecht om te hebben gezien wat Hij sprak, en te spreken wat Hij had gezien.
2. Hun doen was van de hel. "Gij doet wat gij bij uw vader gezien hebt. Door uwe werken toont gij wie uw vader is, want het is duidelijk op wie gij gelijkt, en dus gemakkelijk uwe afkomst te ontdekken". Gelijk een kind, dat door zijn vader is opgevoed, zijns vaders woorden en manieren leert, hem gelijkt door navolging en door natuurlijke geaardheid, zo hebben deze Joden door hun boosaardigen tegenstand van Christus en het Evangelie zich den duivel zo gelijk gemaakt, alsof zij hem zich zeer zorgvuldig als model voor hun ogen gesteld hadden.
II. Hij ontneemt hun hun roem op hun betrekking tot Abraham en tot God als hun vaders, en toont aan hoe ijdel en vals hun beweren is.
1. Zij beroepen zich op hun betrekking tot Abraham, en Hij dient hun van antwoord.
Zij zeiden tot Hem: Abraham is onze vader, vers 39. Hiermede bedoelden zij:
a. Zich zelven te eren, zich groot en achtbaar voor te doen. Zij hadden de vernedering vergeten hun toegebracht, door de erkenning, Deuteronomium 26:5. Mijn vader was een bedorven Syriër, en den last, aangevoerd tegen hun ontaarde voorvaderen (in wier voetstappen zij wandelden, en niet in die van den eersten grondlegger van het geslacht). Uw vader was een Amoriet en uwe moeder een Hetietische, Ezechiël 16:3. Gelijk de ontaarde, uitstervende geslachten het meest op hun stamboom roemen, zo laten zich ook kerken, die gans verdorven zijn, voorstaan op hare oudheid en de voortreffelijkheid van hare stichters.
b. Zij bedoelden een blaam te werpen op Christus, alsof Hij zich minachtend uitliet over Abraham, toen Hij sprak van hun vader als van een, van wie zij kwaad geleerd hadden. Christus werpt hun pleitgrond omver, toont er door een duidelijk, klemmend argument het ijdele van aan: "Abrahams kinderen zullen Abrahams werken doen, maar gij doet Abrahams werken niet, dus zijt gij Abrahams kinderen niet." De stelling is duidelijk. Indien gij Abrahams kinderen waart, zulke kinderen van Abraham, als die hun recht kunnen laten gelden om deel te hebben aan het verbond, dat met hem was gemaakt en met zijn zaad, en dat u inderdaad een ere zou zijn, dan zoudt gij Abrahams werken doen, want alleen over diegenen van Abrahams huis, die den weg des Heeren zouden houden, zoals Abraham hem gehouden heeft, zou God brengen hetgeen Hij over hem gesproken heeft, Genesis 18:19. Alleen diegenen worden gerekend Abrahams zaad te zijn, aan wie de beloften toekomen, die in de voetstappen treden van zijn geloof en zijne gehoorzaamheid, Romeinen 4:12. Hoewel de Joden hun geslachtsregisters hadden en ze heel nauwkeurig bijhielden, konden zij er hun betrekking tot Abraham niet in dier voege uit bewijzen, om er het voorrecht van den voorwaardelijken erfovergang door te verkrijgen, tenzij zij wandelden in dezelfden geest, dezelfde gezindheid. De betrekking van Godvruchtige vrouwen tot Sara wordt alleen hierdoor bewezen-welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet, 1 Petrus 3:6. Zij, die zich als Abrahams zaad willen betonen, moeten niet slechts Abrahams geloof hebben, maar ook Abrahams werken doen, Jakobus 2:21, 22. Zij moeten komen op Gods roepstem, zoals hij op Gods roepstem is gekomen-zij moeten God volgen, wáár Hij hen ook henen leidt, -zij moeten het dierbaarste wat zij hebben voor Hem kunnen overgeven-zij moeten vreemdelingen en bijwoners zijn in deze wereld, -zij moeten de aanbidding Gods handhaven in hun gezin, en altijd in oprechtheid wandelen voor Zijn aangezicht, want dat zijn Abrahams werken geweest. Even juist en helder is ook de onderstelling: Gij doet de werken niet van Abraham, want gij zoekt Mij te doden, een mens, die u de waarheid gesproken heb, welke Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet, vers 40.
Ten eerste. Hij toont hun wat hun werk was, hun tegenwoordig werk, waarmee zij zich nu bezighielden, zij zochten Hem te doden, en drie dingen worden aangevoerd om hun zondig voornemen te verzwaren: -Zij waren zo onnatuurlijk, dat zij een mens naar het leven stonden, een mens gelijk zij, been van hun been, en vlees van hun vlees, die hun geen kwaad had gedaan, noch hun reden had gegeven tot toorn. Gijlieden sticht kwaad aan tegen een man, Psalm 62:4.
2. Zij waren zo ondankbaar, dat zij iemand het leven zochten te benemen, die hun de waarheid had gezegd, hun niet alleen geen leed had toegebracht, maar hun de grootste goedheid had bewezen, hen niet slechts niet door een leugen had misleid, maar hen in de allernoodzakelijkste en gewichtigste waarheden had onderwezen, was Hij dan daarom hun vijand geworden?
3. Zij waren zo ongodvruchtig, dat zij iemand zochten te doden, die hun de waarheid had gezegd, welke Hij van God gehoord had, iemand, die een bode was, door God tot hen gezonden, zodat hun aanslag tegen Hem ene daad was van boosaardigheid tegen God. Dat was hun werk, en zij volhardden er in. Ten tweede. Hij toont hun, dat dit aan gene kinderen van Abraham betaamde, want Abraham deed dat niet.
1. Hij deed niets, dat hierop gelijkt. Hij was vermaard om zijne menslievendheid, getuige de bevrijding der gevangenen, en om zijne Godsvrucht, getuige zijne gehoorzaamheid aan het hemels gezicht bij vele gelegenheden. Abraham geloofde God, zij waren hardnekkig in ongeloof. Abraham volgde God, zij streden tegen Hem, zodat hij niets van hen weet, hen niet kent, zij waren hem zozeer ongelijk! Jesaja 63:16, zie Jeremia 22:15-17.
2. Hij zou aldus niet gedaan hebben, indien hij nu had geleefd, of indien Ik in zijn tijd op aarde geweest was. Hoc Abraham non fecisset - Hij zou dat niet gedaan hebben -aldus lezen sommigen den tekst. Aldus behoren wij ons van alle boosheid weg te redeneren: zouden Abraham, en Izaak en Jakob dat gedaan hebben? Wij kunnen niet verwachten ooit bij of met hen te zullen zijn, indien wij hun nooit gelijk zijn. De gevolgtrekking volgt gans natuurlijk, vers 41:"Waarop gij ook roemt, en waarop gij ook aanspraak maakt, Abrahams kinderen zijt gij niet, gij bewijst u tot een ander geslacht te behoren, vers 41, er is een vader, wiens werken gij doet, van wiens geest gij zijt, en dien gij gelijkt." Hij zegt nu nog niet duidelijk, dat Hij den duivel bedoelt, totdat zij Hem door hun voortdurende vitterijen, als het ware, dwingen, om zich duidelijk uit te spreken, hetgeen ons leert om zelfs slechte mensen met beleefdheid te bejegenen, en niet al te haastig datgene van hen te zeggen, of tot hen te zeggen, hetgeen wel waar is, maar hard klinkt. Hij beproefde, of zij hun eigen geweten uit hetgeen Hij gezegd had zouden laten afleiden, dat zij de kinderen des duivels waren, en het is beter om het ons thans door ons geweten te laten zeggen, nu wij geroepen worden om ons te bekeren, dat is: onzen vader en onze familie te veranderen, door onze gezindheid en onze wijze van doen te veranderen, dan het ons door Christus in den groten dag te laten zeggen. 2. Zij waren er zo ver vandaan, om hun onwaardigheid om tot Abraham in betrekking te staan te erkennen, dat zij zeggen, dat God zelf hun Vader is: Wij zijn niet geboren uit hoererij, wij zijn geen bastaards, maar wettige kinderen, wij hebben een Vader namelijk God.
a. Sommigen vatten dit letterlijk op. Zij waren niet de kinderen der dienstmaagd, zoals de Ismaelieten, noch geteeld in bloedschande, zoals de Moabieten en Ammonieten, Deuteronomium 23:3, maar Hebreeën uit de Hebreeën en, geboren zijnde uit een wettig huwelijk, mogen zij God, die in den staat der onschuld dien eerbaren staat des huwelijks had ingesteld, Vader noemen, want een wettig zaad, niet bevlekt door echtscheiding of veelwijverij, wordt een zaad Gods genoemd, Maleachi 2:15.
b. Anderen nemen het in overdrachtelijken zin. Zij begonnen thans te begrijpen, dat Christus van een geestelijken en niet van een vleselijken vader sprak, van den vader van hun godsdienst, en dus ontkennen zij een geslacht van afgodendienaars te zijn, "Wij zijn niet geboren uit hoererij, wij zijn gene kinderen van afgodische ouders, en zijn niet opgevoed in den dienst der afgoden." Van afgoderij wordt dikwijls gesproken als van een geestelijke hoererij, en van afgodendienaars als van kinderen der hoererij, Hosea 2:4, Jesaja 57:3. Bedoelden zij nu, dat zij gene afstammelingen waren van afgodendienaars, dan was hun beweren vals, want geen volk had meer neiging tot afgoderij dan de Joden voor de Babylonische gevangenschap. En indien zij slechts bedoelden, dat zij zelven gene afgodendienaars waren, wat dan nog? Een mens kan vrij wezen van afgoderij, en toch omkomen in een andere ongerechtigheid, en dus buitengesloten zijn van Abrahams verbond. Indien gij geen afgoderij pleegt (pas dit toe op geestelijke hoererij) maar doodt, dan zijt gij een overtreder van het verbond. Een zoon, die een verkwister is en tegen zijn vader rebelleert, zal onterfd worden, al is hij ook niet uit hoererij geboren. Zij beroemen er zich op ware aanbidders van den waren God te zijn. Wij hebben niet, zoals de heidenen, die vele vaders gehad hebben, vele goden en vele heren, en toch zonder God waren, zoals filius populi -een zoon des volks, vele vaders heeft en toch geen bepaalden vader. Neen, de Heere onze God is een Heere en een Vader, en daarom is het wel met ons. Diegenen vleien zich zelven en bedriegen hun ziel ter harer verdoemenis, die denken, dat hun belijden van den waren Godsdienst en hun aanbidden van den waren God hen zal behouden en zalig maken, al is het ook, dat zij God niet in geest en waarheid aanbidden, of getrouw zijn aan hun belijdenis. Onze Heiland geeft een volledig antwoord op dit bedrieglijk pleit, vers 42, 43, en bewijst hun door twee argumenten, dat zij het recht niet hadden God hun Vader te noemen.
Ten eerste. Zij hadden Christus niet lief: Indien God uw Vader ware. zo zoudt gij Mij liefhebben. Hij had hun beweren weerlegd, dat zij Abrahams kinderen waren, door hun toeleg om Hem te doden, vers 40, hier bewijst Hij, dat zij God hun Vader niet kunnen noemen, door het feit dat zij Hem niet liefhadden en erkenden. Iemand kan voor een kind van Abraham doorgaan, als hij geen vijand van Christus blijkt te zijn door grove zonde, maar hij kan zich niet een kind van God bewijzen te zijn, tenzij hij een getrouw vriend en volgeling van Christus is. Allen, die God tot Vader hebben, hebben een ware liefde tot Jezus Christus, eerbied en waardering voor Zijn persoon, een dankbare bewustheid van Zijne liefde, een oprechte genegenheid voor Zijn zaak en koninkrijk, welgevallen in het heil door Hem gewrocht, evenals in de methode en voorwaarden er van, een ernstig verlangen om Zijne geboden te houden, dat het stelligst bewijs is van onze liefde tot Hem. Wij zijn hier in een staat van op-de-proefstelling-gelijk wij ons gedragen jegens onzen Maker, zo zal het met ons zijn in den staat der vergelding. God heeft onderscheidene methodes om ons op de proef te stellen, en dit was er een van: Hij heeft Zijn Zoon in de wereld gezonden met voldoende bewijzen van Zijn Zoonschap en zending, besluitende, dat allen, die Hem Vader noemden, Zijn Zoon zouden kussen en Hem welkom zouden heten, die de Eerstgeborene was onder vele broederen, zie 1 Johannes 5:1. Hieruit zal onze aanneming blijken of niet blijken: -Hebben wij Christus lief, of niet lief? Indien iemand Hem niet liefheeft, dan is hij-wel verre van een kind Gods te zijn-anathema, vervloekt, 1 Corinthiërs 16:22. Nu bewijst onze Heiland, dat zij, zo zij Gods kinderen waren, Hem zouden liefhebben, want, zegt Hij, Ik ben van God uitgegaan en kom van Hem. Zij zouden Hem liefhebben, want:
1. Hij was de Zoon van God, Ik ben van God uitgegaan, Exelthon, dit betekent Zijn Goddelijke exeleusis, of oorsprong uit den Vader door de mededeling van het Goddelijk Wezen, alsmede de vereniging van den Goddelijken Logos met Zijn menselijke natuur-aldus Dr. Whitby. Dit nu moet Hem wel aanbevelen in de genegenheid van allen, die uit God ge- boren zijn. Christus wordt genoemd de Geliefde, omdat Hij, de Geliefde zijnde van den Vader, voorzeker ook de Geliefde is van al de heiligen, Efeze 1:6.
2. Hij was van God gezonden, is van Hem gekomen als een gezant tot de wereld der mensheid. Hij is niet van zich zelven gekomen, zoals de valse profeten, die noch hun zending noch hun boodschap van God hadden, Jeremia 23:21. Let op den nadruk, dien Hij hierop legt: Ik ben van God uitgegaan, en kom van Hem, want Ik ben ook van Mij zelven niet gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. Hij had Zijne geloofsbrieven en Zijne instructies van God, Hij is gekomen om de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot een te vergaderen, Hoofdstuk 11:52, om vele kinderen tot de heerlijkheid te leiden, Hebreeën 2:10. En zouden dan niet alle Gods kinderen met beide armen een bode omhelzen, die met zulk ene boodschap van den Vader is gezonden? Maar deze Joden hebben doen blijken, dat zij in niets aan God verwant waren, zij toonden dit door hun gebrek aan liefde voor Jezus Christus.
Ten tweede. Zij verstonden Hem niet. Het was een teken, dat zij niet tot het huisgezin Gods behoorden, dat zij de taal en sprake er niet van verstonden. Waarom kent gij Mijne spraak niet? vers 43, tên lalian tên emên. Christus' sprake was Goddelijk en hemels, maar verstaanbaar genoeg voor hen, die met de stem van Christus in het Oude Testament bekend waren. Zij, die met het woord des Scheppers gemeenzaam waren geworden, hadden voor het taaleigen des Verlossers geen anderen sleutel nodig, en toch stellen deze Joden de leer van Christus als iets vreemds voor, vinden er moeilijkheden in, en ik weet niet welke stenen des aanstoots. Kon een Galileër gekend worden door zijne sprake? Een Efraïmiet aan zijn sibboleth? En zou dan iemand de stoutheid hebben om God Vader te noemen, voor wie de Zoon een barbaar is, zelfs als Hij den wil van God sprak in de woorden van den Geest Gods? Zij, die niet bekend zijn met de Goddelijke sprake, hebben wèl reden te vrezen, dat zij vreemdelingen zijn voor de Goddelijke natuur. Christus sprak de woorden Gods, Hoofdstuk 3:34, in de sprake van het koninkrijk Gods, en toch verstonden zij, die beweerden tot dat koninkrijk te behoren, er het taaleigen niet van, maar evenals vreemdelingen, en wel zeer ruwe onbeschofte vreemdelingen, dreven zij er den spot mede. En de reden, waarom zij Christus, spraak niet verstonden, maakte de zaak nog veel erger: Het is, omdat gij Mijn woord niet kunt horen, dat is: "Gij kunt er uzelven niet toe bewegen het met aandacht te horen, onpartijdig en zonder vooroordeel, zoals het gehoord moet worden." De betekenis van dit niet kunnen is een hardnekkig niet willen, zoals de Joden Stefanus niet konden horen, Handelingen 7:57, of Paulus niet, Handelingen 22:22. De ingewortelde antipathie van het verdorven hart der mensen tegen de leer van Christus is de ware reden van hun onbekendheid er mede, en van hun verkeerde begrippen er van. Zij beminnen het niet, en daarom willen zij het niet verstaan, zoals Petrus, die voorgaf niet te weten wat de dienstmaagd zei, Mattheus 26:70, daar hij in werkelijkheid niet wist wat er van te zeggen. Gij kunt Mijne woorden niet horen, omdat gij uwe oren toestopt, Psalm 58:5, 6, en omdat God in den weg van een rechtvaardig oordeel hun oren zwaar heeft gemaakt," Jesaja 6:10.
III. Bewezen hebbende, dat zij noch tot Abraham noch tot God in betrekking staan, gaat Hij er nu toe over om hun duidelijk te zeggen wiens kinderen zij waren. Gij zijt uit den vader den duivel, vers 44. Indien zij Gods kinderen niet waren, dan waren zij de kinderen des duivels, want de wereld is tussen God en Satan verdeeld, daarom wordt van den duivel gezegd, dat hij werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid, Efeze 2:2. Alle goddeloze mensen zijn kinderen des duivels, kinderen Belials, 2 Corinthiërs 6:15, het zaad der slang, Genesis 3:15, kinderen van den boze, Mattheus 13:38. Zij delen in zijne natuur, dragen zijn beeld, gehoorzamen zijne bevelen en volgen zijn voorbeeld. Afgodendienaars "zeiden tot een hout: Gij zijt mijn vader," Jeremia 2:27. Dit is een ruwe beschuldiging en klinkt zeer hard en afschuwelijk, dat mensenkinderen, inzonderheid kinderen der kerk, kinderen des duivels zouden genoemd worden, en daarom is het, dat de Heiland het ten volle bewijst:
1. Door een argument in het algemeen: gij wilt de begeerten uws vaders doen, theletepoiein.
a. Gij doet des duivels begeerten, de begeerten, die hij wil, dat gij zult vervullen, gij bevredigt en behaagt hem, gij geeft toe aan zijne verzoekingen, en zijt door hem gevangen tot zijn wil, ja gij doet de begeerten, die de duivel zelf niet kan vervullen. De duivel verzoekt de mensen tot vleselijke en wereldse lusten, maar, een geest zijnde, kan hij er zelf niet aan voldoen. De bijzondere begeerten des duivels zijn geestelijke boosheden, de begeerten van de verstandelijke vermogens en hun verdorven redeneringen, hoogmoed en nijd, en toorn en boosheid, vijandschap tegen hetgeen goed is, anderen overredende tot hetgeen kwaad is, dat zijn de begeerten, die de duivel vervult, en zij, die onder de heerschappij zijn van deze lusten, gelijken op den duivel, zoals het kind op zijn vader. Hoe meer bepeinzing van de zonde, hoe meer verborgen welgevallen in de zonde, hoe meer zij op de begeerten des duivels gelijkt.
b. Gij wilt de begeerten des duivels doen. Hoe meer wil er in deze begeerten is, hoe meer van den duivel er in is. Als de zonde bedreven wordt door keus, en niet door overrompeling, met genoegen, en niet met weerzin, als er met trotse vermetelheid en roekeloze vastberadenheid in wordt volhard, zoals dit het geval was met hen, die zeiden: Ik heb de vreemden lief, en die zal ik na wandelen, dan wil de zondaar des duivels begeerten doen.
2. Door twee bijzondere voorbeelden, waarin zij klaarblijkelijk op den duivel geleken, -moord en leugen. De duivel is een vijand van leven, omdat God de God is van leven, en leven het geluk van den mens is, en een vijand van de waarheid, omdat God de God is der waarheid, en de waarheid het verband is der menselijke maatschappij.
a. Hij was een mensenmoorder van den beginne, niet van zijn eigen begin, want hij was geschapen als een engel des lichts, en in zijn eersten staat was hij rein en goed, maar van den beginne van zijn afval, die spoedig na de schepping van den mens heeft plaatsgehad. Hij was anthroopoktonos - homicida, een mensenmoorder. Hij was een mensenhater en dus in neiging een mensenmoorder. Hij heeft zijn naam Satan, van sitnah, haat of vijandschap. Hij verdierf Gods beeld in den mens, benijdde hem zijn geluk, verlangde vurig zijn verderf, was een openlijk vijand van geheel het geslacht. Hij heeft den mens verzocht en verleid tot de zonde, die den dood in de wereld gebracht heeft, en zo was hij wezenlijk en werkelijk de moordenaar van geheel het menselijk geslacht. Hij was een moordenaar van zielen, verleidde ze tot zonde, en heeft ze daardoor gedood, Romeinen 7:11, hij vergiftigde den mens met de verboden vrucht, en heeft hem, om de zaak nog te verergeren, tot zijn eigen moordenaar gemaakt. Dat was hij niet slechts bij het begin, maar van het begin, hetgeen aanduidt, dat hij het van toen aan geweest is en gebleven is, zoals hij begon, zo gaat hij voort, door zijne verzoekingen de moordenaar der mensen te zijn. De grote verzoeker is de grote verderver. De Joden noemden den duivel den engel des doods. Hij was de inblazer van den moord, door Kaïn gepleegd, die uit den boze was, en zijn broeder doodsloeg, 1 Johannes 3:12. Indien de duivel niet zeer sterk was in Kaïn, dan zou deze niet de onnatuurlijke daad hebben kunnen bedrijven van zijn broeder te doden. Kaïn, zijn broeder dodende op aanstoken van den duivel, wordt de duivel de moordenaar genoemd, hetgeen niets afdoet aan Kaïns persoonlijke schuld, maar wèl toedoet aan de schuld van den duivel, wiens pijniging, naar wij reden hebben te denken, des te groter zal zijn van wege al de boosheid, waartoe hij de mensen gebracht heeft. Zie hoe grote reden wij hebben om op onze hoede te zijn tegen de listige omleidingen des duivels, en hem nooit het oor te lenen (want hij is een moordenaar, en legt het er zeer zeker op toe ons kwaad te doen, zelfs als hij schone woorden spreekt) en er ons over te verbazen, dat hij, die der mensen moordenaar is, toch met hun eigen toestemming zo zeer hun meester is. Hierin nu waren deze Joden volgelingen van hem, evenals hij waren zij moordenaars, moordenaars der zielen, die zij blindelings in de gracht voerden en tot kinderen der hel maakten, gezworen vijanden van Christus, thans gereed en bereid om Zijne verraders en moordenaars te zijn, om dezelfde reden, waarom Kaïn Abel heeft gedood. Deze Joden waren het zaad der slang, hetwelk de verzenen zou vermorzelen van het zaad der vrouw. Nu zoekt gij Mij te doden.
b. Hij was een leugenaar. Leugen is tegenovergesteld aan de waarheid, 1 Johannes 2:21, en dienovereenkomstig wordt de duivel hier beschreven als: Een vijand van de waarheid, en daarom ook van Christus.
Ten eerste. Hij heeft de waarheid verlaten, hij is in de waarheid niet staande gebleven, heeft niet volhard in de reinheid en rechtheid van zijne natuur, waarin hij was geschapen, maar heeft zijn eersten staat verlaten. Toen hij ontaardde van goedheid, week hij af van waarheid, want zijn afval was gegrond op een leugen. De engelen waren de heirscharen des Heeren, zij, die vielen, zijn niet trouw gebleven aan hun Bevelhebber en Soeverein, zij waren niet te vertrouwen, daar zij van dwaasheid beschuldigd zijn, Job 4:18. 1) Door de waarheid kunnen wij hier verstaan den geopenbaarden wil van God betreffende de verlossing van den mens door Jezus Christus, de waarheid, welke Christus thans predikte, en de Joden tegenstonden. Hierin deden zij als hun vader, de duivel, die de ere ziende, in den eersten Adam gelegd op het menselijk geslacht, en de nog grotere eer voorziende, er voor bestemd in den tweeden Adam, zich met dien raad Gods niet wilde verenigen of verzoenen, en in de waarheid desbetreffende niet wilde staan, maar zich uit hoogmoed en nijd er toe zette haar te weerstaan, er de bedoelingen van te verijdelen, en, als zijne kinderen en werktuigen, hebben deze Joden dat ook gedaan.
Ten tweede. Hij is ontbloot van de waarheid: gene waarheid is in hem. Zijn invloed in de wereld wordt staande gehouden door leugen en bedrog, en er is gene waarheid, niet waarin gij vertrouwen kunt stellen, noch in hem, noch in iets, dat hij zegt of doet. De denkbeelden, die hij verspreidt, betreffende goed en kwaad, zijn vals en verkeerd, zijne bewijzen zijn wonde:.en der leugen, zijne verzoekingen zijn bedriegerijen, hij heeft grote kennis van de waarheid, maar gene liefde er voor hebbende, maar er, integendeel, een gezworen vijand van zijnde, wordt van hem gezegd, dat gene waarheid in hem is. Hij is een vriend en beschermer van liegen. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen. Drie dingen worden hier van den duivel gezegd met betrekking tot de zonde van liegen. Ten eerste. Dat hij een leugenaar is, zijne orakelen waren liegende orakelen, zijne profeten leugenprofeten, en de beelden, waarin hij aangebeden werd, leugenleraars. Onze eerste ouders heeft hij verleid met een bepaalde leugen. Al zijne verzoekingen worden bevorderd door leugens, noemende kwaad goed, en goed kwaad, en belovende straffeloosheid bij het zondigen. Hij weet, dat dit leugens zijn, en oppert ze met de bedoeling van te bedriegen, om aldus te verderven. Toen hij in de schriftgeleerden en Farizeeën het Evangelie tegensprak, was het door leugens, en toen hij het later in den mens der zonde verdierf, was het door ene kracht der dwaling, en een grote ingewikkelde en samengestelde leugen.
Ten tweede, dat hij, wanneer hij de leugen spreekt, spreekt uit zijn eigen, ek toon idioon. Het is zijn taaleigen, het zijne, niet het taaleigen Gods, zijn Schepper heeft het niet in hem gelegd. Als de mensen ene leugen spreken, ontlenen zij haar aan den duivel, "Satan vervult hun hart dat zij liegen," Handelingen 5:3. Maar als de duivel een leugen spreekt, dan heeft hij zelf het model er van verzonnen, de beweegredenen er toe zijn van hem zelven, hetgeen de ontzettende diepte van slechtheid aanduidt, waartoe deze afvallige geesten vervallen zijn. Daar zij bij hun eersten afval geen verzoeker hadden, is hun zondigheid gans en al de hun. Ten derde. Dat hij er de vader van is, auton.
1. Hij is de vader van iedere leugen, niet slechts van de leugens, die hij zelf inblaast, maar ook van die, welke anderen uitspreken, hij is de oorsprong en werker van alle leugens. Als mensen leugens spreken, spreken zij uit hem, zijn zij als zijn mond, oorspronkelijk komen zij van hem. en dragen zijn beeld.
2. Hij is de vader van iedere leugenaar, zoals het ook verstaan kan worden. God schiep den mens met zin en neiging tot de waarheid. Het is in overeenstemming met de rede en het natuurlijk licht, met de orde van onze vermogens en de wetten der samenleving, dat wij de waarheid zullen spreken. Maar de duivel, de werker der zonde, de geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid, heeft de natuur van den mens zo verdorven, dat de bozen gezegd worden vervreemd te zijn van de baarmoeder aan, leugensprekers te zijn, die dolen van moeders buik aan, Psalm 58:4, hij heeft hun geleerd "met hun tongen bedrog te plegen," Romeinen 3:13. Hij is de vader der leugenaars, hij heeft hen geteeld, hen opgevoed in den weg der leugen, zij gelijken hem, zij gehoorzamen hem, en met hem zullen alle leugenaars hun deel hebben tot in eeuwigheid.
V. Aldus bewezen hebbende, dat alle moordenaars en leugenaars kinderen des duivels zijn, laat Christus het nu aan de consciëntie zijner hoorders over om te zeggen: Gij zijt die man. Maar in de volgende verzen komt Hij hun te hulp in de toepassing er van op zich zelven. Hij noemt hen niet leugenaars, maar toont hun dat zij gene vrienden zijn van de waarheid, en daarin dus hem gelijken, die in de waarheid niet staande is gebleven, omdat in hem gene waarheid is. Twee dingen legt hij hun ten laste:
1. Dat zij het woord der waarheid niet geloven, vers 45, hoti tên alêtheian legoo, ou pisteuete moi.
a. Dit kan op tweeërlei wijze genomen worden, "Hoewel Ik u de waarheid zeg, wilt gij Mij toch niet geloven, (hoti) dat Ik dat doe, of dat Ik de waarheid zeg." Ofschoon Hij hun een overvloedig bewijs had gegeven van Zijne opdracht van God, en van Zijne genegenheid voor de kinderen der mensen, wilden zij toch niet geloven, dat Hij hun de waarheid zei. Nu was "de waarheid gestruikeld op de straat", Jesaja 59:14, 15. De grootste waarheden hebben bij sommigen het minste geloof gevonden, want zij zijn onder de wederstrevers des lichts, Job 24:13. Of omdat Ik u de waarheid zeg, (zoals onze overzetting luidt), gelooft gij niet. Zij willen Hem niet ontvangen, Hem niet behandelen of aannemen als profeet, omdat Hij hun onaangename waarheden zei, die zij niet geneigd waren te horen, hun de waarheid zei betreffende hen zelven en hun eigen toestand, hun hun gelaat toonde in een spiegel, die hen niet vleide, en daarom wilden zij geen woord geloven van wat Hij zei. Ellendig, diep rampzalig is de toestand van hen, voor wie het licht der Goddelijke waarheid ene kwelling is geworden.
b. Om hun het onredelijke van hun ongeloof te tonen, verwaardigt Hij zich de zaak in dier voege tot een onpartijdige oplossing te brengen, vers 46. Hij en zij waren van tegenovergestelden zin en mening. Hij of zij moesten dus in dwaling verkeren. Stel nu eens de beide gevallen. Was Hij in dwaling, waarom overtuigden zij Hem dan niet? De leugen der valse profeten werd ontdekt hetzij door de verkeerde strekking van hun leringen, Deuteronomium 13:2, of door de slechtheid van hun wandel. Aan hun vruchten zult gij hen kennen, maar, zegt Christus, wie van u, van u uit het sanhedrin, die het op u neemt profeten te oordelen, wie van u overtuigt Mij van zonde? Zij beschuldigen Hem van de zwaarste misdaden-vraatzucht, dronkenschap, Godslastering, sabbatsschennis, in verbond te zijn met Satan, en van wat niet al meer! Maar hun beschuldigingen waren boosaardige, ongegronde, lasterlijke aantijgingen, ieder, die Hem kende wist, dat zij volkomen vals waren. Toen zij door list en bedrog, door omkoping en meineed het uiterste gedaan hadden om ene misdaad te bewijzen, die Hij zou begaan hebben, heeft de rechter zelf, die Hem veroordeelde, erkend gene schuld in Hem te hebben gevonden. Hij tart hen om Hem te overtuigen: Ten eerste. Van de zonde van een onbestaanbare leer te verkondigen. Zij hadden Zijn getuigenis gehoord, konden zij wijzen op iets dat er ongerijmd in is, of onwaardig om te worden geloofd? enigerlei tegenspraak, hetzij met zich zelven of met de Schrift, enigerlei bederf der waarheid of der zeden, waartoe Zijne leer aanleiding zou kunnen geven? Hoofdstuk 18:. Of ten tweede, van een onvoegzamen wandel: "Wie van u kan Mij rechtvaardiglijk iets ten laste leggen, iets in woord of daad, dat onbetamelijk is voor een profeet?" Zie de wondervolle neerbuigendheid van onzen Heere Jezus, dat Hij niet eist verder geloofd te worden, dan waartoe het geloofwaardige van Zijne leer en Zijn leven drong en verplichtte. Zie Jeremia 2:5, 31, Micha 6:3. Evangeliedienaren kunnen hieruit leren:
1. Met zoveel voorzichtigheid te wandelen, dat het zelfs aan hen, die het nauwkeurigst op hen letten, niet mogelijk is hen van zonde te overtuigen, opdat de bediening niet gelasterd worde. De enige weg om niet van zonde overtuigd te worden, is niet te zondigen.
2. Gewillig te zijn om een onderzoek toe te laten, hoewel wij in velerlei opzicht vertrouwen gelijk te hebben, moeten wij toch bereid zijn tot het onderzoek, of wij ook ongelijk hebben, Job 6:24. Indien zij in dwaling waren, waarom lieten zij zich dan niet door Hem overtuigen? "Indien Ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet? Indien gij Mij niet van dwaling kunt overtuigen. dan moet gij erkennen, dat Ik de waarheid zeg, en waarom schenkt gij Mij dan geen geloof? Waarom stelt gij geen vertrouwen in Mijn woord?" Als de mensen maar eens wilden vragen naar de reden van hun ongeloof, er een onderzoek naar wilden instellen waarom zij niet geloven hetgeen zij toch niet kunnen tegenspreken, dan zouden zij zoveel ongerijmdheid bespeuren in hun wijze van doen, dat zij er zich wel voor zouden moeten schamen, want dan zal het bevonden worden, dat de reden, waarom wij niet in Jezus Christus geloven, is, dat wij geen afstand willen doen van onze zonden, ons zelven niet willen verloochenen en God getrouwelijk dienen, dat wij den Christelijken Godsdienst niet omhelzen, omdat wij in het geheel van geen Godsdienst willen weten, en dan lost zich het ongeloof in den Verlosser op in rebellie tegen onzen Schepper. 2. Een andere zaak, die Hij hun ten laste legt, is, dat zij de woorden Gods niet willen horen, vers 47, hetgeen nog verder aantoont hoe ongegrond hun aanspraak was, dat zij tot God in betrekking staan. Hier is:
a. Ene leerstelling: Die uit God is, hoort de woorden Gods, dat is: hij is gewillig en bereid ze te horen, is oprecht begerig ze te horen ten einde te weten wat Gods wil is, en met blijdschap zal hij aannemen en volgen wat hij aldus Gods wil weet te zijn. De woorden Gods hebben zulk een gezag over, en zulk ene lieflijkheid voor, allen, die uit God geboren zijn, dat zij ze ontmoeten, zoals Samuël ze ontmoet heeft, met een: Spreek, Heere, want Uw knecht hoort. Laat het woord des Heeren komen. Hij begrijpt ze, en onderscheidt ze, hij hoort ze op zulk een wijze, dat hij er de stemme Gods in herkent, hetgeen de natuurlijke mens niet doet, 1 Corinthiërs 2:14. Die uit God is bemerkt spoedig welke ontdekkingen God doet van zich zelven en van de nabijheid Zijns naams, Psalm 75:2, zoals de leden van een gezin den voetstap en het kloppen herkennen van den heer des huizes, en hem terstond opendoen, Lukas 12:36, zoals de schapen de stem huns herders onderkennen van die eens vreemden, Hoofdstuk 10:45, Hooglied 2:8.
b. De toepassing dezer leerstelling ter overtuiging van deze ongelovige Joden: Daarom hoort gijlieden niet. Dat is: "Gij slaat er geen acht op, gij verstaat niet, gij gelooft niet de woorden Gods, gij geeft er niet om ze te horen, omdat gij niet uit God zijt. Dat gij aldus doof en dood zijt voor de woorden Gods, is een duidelijk bewijs, dat gij niet uit God zijt." Het is in Zijn woord, dat God zich aan ons openbaart, en onder ons tegenwoordig is, daarom worden wij geacht goed of slecht gezind te zijn jegens God, al naar dat wij goed of slecht gezind zijn jegens Zijn woord, zie 2 Corinthiërs 4:4, 1 Johannes 4:6. Of wel: dat zij niet uit God waren, was de reden, waarom zij niet met nuttigheid voor hun ziel de woorden Gods hoorden, die Christus sprak. Zij verstonden en geloofden Hem niet, niet omdat hetgeen Hij zei duister was, of bewijs nodig had, maar omdat de hoorders niet uit God waren, niet waren wedergeboren. Indien het woord des koninkrijks gene vruchten voortbrengt, dan moet de schuld geweten worden aan den grond, niet aan het zaad, zoals blijkt uit de gelijkenis van den zaaier, Mattheus 13:3.