Romeinen 7:7-14
De apostel brengt hier een tegenwerping te berde tegen hetgeen hij in de vorige afdeling gezegd had, waarop hij zeer voldoende antwoordt. Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Toen hij gesproken had over de heerschappij der zonde, had hij zoveel gezegd betrekkelijk den invloed der wet, in haar hoedanigheid van verbond op die heerschappij, dat hij licht verkeerd begrepen kon worden alsof hij aanmerking op de wet gemaakt had. En om dit te voorkomen toont hij uit zijn eigen ondervinding de grote voortreffelijkheid en nuttigheid van de wet aan, niet als verbond, maar als gids. En verder bewijst hij hoe de zonde gelegenheid neemt uit het gebod. Merk hier vooral op:
I. De grote voortreffelijkheid der wet in zich zelve. Het was verre van Paulus aanmerkingen te maken op de wet, neen hij spreekt zeer eervol over haar.
1. Zij is heilig, rechtvaardig en goed, vers 12. Dat is de wet in haar geheel en dat is elk der geboden, die zij bevat. Wetten zijn zoals de wetgevers zijn. God, de grote wetgever, is heilig, rechtvaardig en goed, dus moet Zijn wet het noodzakelijk ook zijn. Haar inhoud is heilig, zij beveelt heiligheid en spoort tot heiligheid aan, zij is heilig, want zij is overeenkomstig den heiligen wil van God, die de oorsprong van alle heiligheid is. Zij is rechtvaardig, want zij is in overeenstemming met de regelen van rechtvaardigheid en rechte redenen, de wegen des Heeren zijn recht. Zij is goed in haar bedoeling: zij werd gegeven ten goede van de mensheid, ter bewaring van vrede en orde in de wereld. Zij maakt hen die haar betrachten goed, haar doel was de mensheid te verbeteren en te hervormen. Overal waar echte genade is wordt dat toegestemd, -dat de wet heilig, rechtvaardig en goed is.
2. De wet is geestelijk, vers 14, niet alleen ten opzichte van haar uitwerking, omdat het haar bedoeling is ons geestelijk te maken, maar ook in betrekking tot haar inhoud, zij bereikt onzen geest, legt er beslag op, geeft er stuur aan, regeert de beweegredenen van den inwendigen mens, zij is de doorzoekster van de gedachten en overleggingen des harten, Heb. 4:12. Zij verbiedt geestelijke boosheid, moord des harten, overspel in de gedachten. Zij gebiedt geestelijken dienst, vraagt om het hart, verplicht ons God in den geest te dienen. Zij is een geestelijke wet, want zij is gegeven door God, die een Geest is en de Vader der geesten, zij is gegeven aan den mens, wiens voornaamste deel geestelijk is, en daarom is de wet voor den mens noodzakelijk een wet voor de ziel. Hierin staat de wet van God boven alle andere wetten, dat zij een geestelijke wet is. Andere wetten mogen hartstocht en voorstelling verbieden, die verraad des harten zijn, maar zij kunnen er geen verhaal op zoeken, tenzij die zich in daden openbaren, maar de wet van God rekent met de onreinheid des harten, al treedt die niet naar buiten.
Was mijn hart van ongerechtigheid, Jeremia 4:14.
Wij kennen die (onze ongerechtigheden). Wij weten dat de wet, enz. Overal waar ware genade is, daar is ook de ondervindelijke kennis van de geestelijkheid van de wet Gods.
II. Het grote voordeel dat hij van de wet had gehad.
1. Zij is ontdekkend. Ik kende de zonde niet dan door de wet, vers 7. Gelijk hetgeen recht is ontdekt hetgeen krom is, gelijk het spiegelglas ons ons aangezicht met al zijn vlekken en onvolmaaktheden doet zien, zo is er geen middel om te komen tot die kennis van de zonde, welke noodzakelijk is voor berouw, en als gevolg daarvan voor vrede en vergeving, dan de vergelijking van ons hart en leven met de wet. Voornamelijk kwam hij tot de kennis van de zonde der begeerlijkheid door den inhoud van het tiende gebod. Door begeerlijkheid bedoelt hij de in ons wonende zonde, de zonde in haar eerste bewegingen en werkingen, het verdorven beginsel. Dat leerde hij kennen doordien de wet zegt: Gij zult niet begeren. De wet spreekt anders dan de Farizeeën en Schriftgeleerden haar deden spreken, zij sprak in geestelijken zin en bedoeling. Daardoor wist hij dat begeren zonde is en wel een zeer zware zonde, dat deze bewegingen en genegenheden des harten, ook wanneer ze niet tot daden van zonde komen, zondig, zelfs zeer zondig zijn. Paulus had een zeer vlug, doordringend verstand en al de voordelen van een uitnemende opvoeding, en toch kwam hij niet tot de kennis van de inwonende zonde alvorens de Geest hem die door de wet leerde kennen. Er is niets waarvoor de natuurlijke mens zo blind is als voor zijn aangeboren verdorvenheid, het begrip daarvan is voor hem ten enenmale verborgen totdat de Geest door de wet het hem openbaart en leert kennen. Zo is de wet ons een tuchtmeester, om ons naar Christus te leiden, zij opent en peilt de wond en bereidt daardoor de genezing voor. Zo blijkt de zonde door het gebod zonde te zijn, vers 13, zij treedt naar voren onder eigen vlag, toont zich zoals zij werkelijk is, en ge kunt haar bij geen erger naam dan bij haar eigen naam noemen. Door het gebod wordt zij zelfs bovenmate zondigende, dat is: het blijkt daardoor dat zij zulks is. Wij zien nooit welk dodelijk vergif van kwaadheid er in de zonde is, alvorens wij haar vergelijken met de wet, en met den geestelijken aard der wet, en dan eerst zien wij hoe bitter en boosaardig zij is.
2. Het was vernederend, vers 9. Ik was levend. Hij verbeeldde zich in zeer goeden toestand te zijn, naar zijn eigen voorstelling en mening was hij levend, zeer zeker van en vertrouwende op zijn deugdelijken toestand. Dat was hij eertijds, pote, in vroegere tijden, toen hij een Farizeeër was, want het was een gewoonte van die mensen om een zeer goede gedachte van zich zelven te hebben, en Paulus was toen evenals al de anderen, de oorzaak daarvan was dat hij was zonder de wet. Ofschoon onderwezen aan de voeten van Gamaliël, een leraar der wet, ofschoon zelf een groot geleerde in de wet zijnde en een van haar nauwgezetste nalevers en ijverigste voorvechters, was hij toch zonder de wet. Hij had de letter van de wet, maar niet haar geestelijke bedoeling, de schil, maar niet de kern. Hij had de wet in zijn hand en in zijn hoofd, maar hij had haar niet in zijn hart, hij had haar kennis, maar niet haar kracht. Er zijn zeer velen, die geestelijk dood zijn in de zonden, en toch levend in hun eigen mening, en het is hun onbekendheid met de wet, waardoor zij in die dwaling vervallen. Maar als het gebod gekomen is, toen de kracht van het gebod kwam, niet alleen in zijn ogen, maar in zijn hart, zo is de zonde weer levend geworden, evenals het stof in een kamer in beweging komt (levend wordt, te voorschijn komt) zodra de zonnestralen daarin toegelaten worden. Paulus zag toen in de zonde wat hij er vroeger nooit in gezien had, hij zag in de zonde wat zij teweegbrengt, de bittere wortel, de bedorven vrucht, de neiging tot afdwalen, hij zag de zonde in haar eigen gedaante, ontvormend, ontreinigend en verbrekend een rechtvaardige wet, beledigende een ontzaglijke Majesteit, ontheiligende een vrijmachtige kroon door haar tegen de aarde te werpen, hij zag de zonde in al haar gevolgen, de zonde met den dood op de hielen, de zonde met den vloek tot angel in haar schorpioenstaart. Zo is de zonde weer levend geworden, maar ik ben gestorven, toen stierf ik, ik verloor die goede gedachte over mij zelven die ik gehad had, en ik kwam tot geheel ander inzicht. De zonde is weer levend geworden, maar ik ben gestorven, dat is: de Heilige Geest overtuigde mij door de wet van den toestand van zonde waarin ik verkeerde en dat die zondige toestand mij in een staat des doods bracht. Dat uitnemende nut heeft de wet, zij is een lamp en een licht, zij bekeert de ziel, opent de ogen, bereidt den weg des Heeren in de woestijn, werpt de rotsen neer, maakt de bergen vlak, en bereidt een volk voor den Heere..
III. Het verkeerde gebruik, dat desniettegenstaande zijn verdorven natuur van de wet gemaakt heeft.
1. De zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht, vers 8. Merk op: Paulus gevoelde in zich alle soorten van begeerlijkheid, ofschoon hij een van de minst-zelfzuchtige mensen was die ooit leefden, hij was naar de rechtvaardigheid van de wet, onberispelijk, en toch was hij vatbaar voor alle soorten van begeerlijkheid. En dat werd gewrocht door de zonde, de inwonende zonde, zijn verdorven natuur, hij spreekt van de zonde die zonde werkt, die nam oorzaak door het gebod. De verdorven natuur zou niet zo in opstand geraakt zijn en niet zo gewoed hebben indien zij niet door de beletselen der wet ware tegengehouden, gelijk kwade sappen in het lichaam des te meer woelen en ontsteking veroorzaken, indien het middel om ze uit te drijven daartoe niet krachtig genoeg is. Het is een eigenschap van de verdorven natuur om geneigd te zijn tot hetgeen verboden is. Sedert Adam van de verboden vrucht at, hebben wij allen voorliefde gehad voor verboden wegen, en de bedorven smaak wordt meest gestreeld door hetgeen slecht en verboden is. Zonder de wet is de zonde dood, gelijk een slang in den winter, totdat de zonnestralen van de wet haar levend maken en in de war brengen.
2. Zij verleidde mij. De zonde verleidt den mens en het is een zeer noodlottige verleiding, vers 11. Door het gebod heeft de zonde oorzaak daartoe genomen. Er wordt in de wet geen bepaalde bedreiging tegen de zondige begeerlijkheid gevonden, en daaruit nam de zonde, dat is zijn bedorven natuur, aanleiding om hem straffeloosheid te beloven, en tot hem, als tot onze eerste voorouders de slang, te zeggen: Gij zult den dood niet sterven. Zo verleidde en doodde hem de zonde.
3. Zij werkte in mij door het goede den dood, vers 13. Hetgeen de begeerte werkt, werkt den dood, want de zonde brengt den dood. Niets is zo goed of een bedorven en boze natuur zal het verderven en het tot een aanleiding tot zondigen maken, geen bloem is zo zoet of de zonde zal er gif uit zuigen. Daarin blijkt de zonde zonde te zijn. Het ergste ding dat de zonde doet, en waarin zij het meest zich zelve gelijk blijft, is wel dat zij de wet misbruikt en uit haar oorzaak neemt tot des te zwaarder boosheid. Zo werd het gebod, dat verordend was ten leven, dat bedoeld was als een gids op den weg naar gelukzaligheid en verheuging, bevonden den dood te zijn, door de verdorvenheid onzer natuur, vers 10. Menige kostelijke ziel valt te pletter op de rots der behoudenis, en hetzelfde woord dat den enen een reuk des levens ten leven is, dat is den ander een reuke des doods ten dode. Dezelfde zon maakt de bloemen welriekender, maar ook de mestvaalt stinkender, dezelfde hitte smelt was, maar versteent klei, hetzelfde kind werd gesteld tot een val en tot een opstanding voor velen in Israël. Het middel om dit ongeluk te voorkomen is onze zielen te buigen onder het gebiedend oppergezag van het woord en de wet Gods, er niet tegen in te gaan maar ons er aan te onderwerpen.