Johannes 7:37-44
In deze verzen hebben wij:
I. Christus' rede, met de uitlegging er van, vers 37-39. Waarschijnlijk zijn dit slechts korte wenken, waarover Hij uitvoerig gesproken heeft, maar er is de substantie in van het gehele Evangelie. Wij hebben dan hier ene Evangelie-nodiging om tot Christus te komen, en ene Evangelie-belofte van vertroosting en zaligheid in Hem. Merk nu op:
1. Wanneer Hij die uitnodiging gaf: op den laatsten dag van het Loofhuttenfeest, zijnde de grote dag. Den achtsten dag, die deze plechtigheid besloot, moest ene heilige samenroeping plaats hebben, Leviticus 23:36. Op dezen dag nu liet Christus Zijne Evangelie-roeping uitgaan, omdat:
a. Vele mensen bijeen waren gekomen, en, zo de uitnodiging uitging tot velen, kon men hopen, dat sommigen haar zouden aannemen, Spreuken 1:20. Talrijk bezochte vergaderingen geven gelegenheid om zoveel te meer goed te doen.
b. De mensen keerden nu terug naar hun huis, en Hij wilde hun dit als Zijn afscheidswoord medegeven. Als ene grote vergadering van mensen weggezonden wordt en op het punt is van uit elkaar te gaan, dan is het ene aandoenlijke gedachte, dat zij naar alle waarschijnlijkheid nooit meer in deze wereld bij elkaar zullen komen, als wij dus iets kunnen zeggen of doen, om hem te helpen op den weg naar den hemel, zo is het er dan de tijd voor. Het is goed om bij het einde van een plechtigen dienst der Godsverering levendig en opgewekt te zijn. Christus heeft deze aanbieding gedaan op den laatsten dag van het feest. a. Aan hen, die op de vorige dagen der heilige feestweek naar Zijne prediking niet hadden willen horen, Hij wil het nu nog eens met hen beproeven, indien zij ook nu nog naar Zijne stem willen horen, dan zullen zij leven. b. Aan hen, tot wie wellicht nooit meer zulk ene uitnodiging komen zal, en voor wie het dus zaak was, deze aan te nemen. Het zou nog een half jaar duren eer er weer een feest gevierd werd, en tegen dien tijd zullen velen van hen in het graf zijn. Ziet, nu is het de welaangename tijd.
2. Hoe Hij deze uitnodiging gaf: Jezus stond en riep, hetgeen aanduidt:
a. Zijne grote vurigheid, hoe Hij sprak met ernst en aandrang. Zijn hart was er op gezet om arme zielen tot zich te brengen. De rechte houding van Zijn lichaam en Zijne stemverheffing waren tekenen van Zijne vurigheid van geest. Liefde tot de zielen zal den predikers levendigheid en vurigheid geven.
b. Zijne begeerte, dat allen er kennis van zullen nemen, en de uitnodiging zullen ontvangen. Hij stond, en riep, om des te beter gehoord te worden, want het is van het hoogste belang voor ieder, die oren heeft, dat hij dit hore. Evangeliewaarheden zoeken gene hoeken of verborgene plaatsen, want zij vrezen geen onderzoek. De Heidense orakelen werden in afzondering, in stilte, in het verborgen overgeleverd door hen, die piepten en binnen `s monds mompelden, maar de orakelen van het Evangelie werden verkondigd door Enen, die stond en riep. Hoe treurig is de toestand van den mens, dat hij gedrongen moet worden om gelukkig te zijn, en hoe verwonderlijk is de genade van Christus, dat Hij hem dringen wil! O alle gij dorstigen, Jesaja 55:1. 3. De uitnodiging zelf is zeer algemeen, "Zo iemand dorst, wie hij ook zij, hij wordt tot Christus genodigd. Hij zij hoog of laag, rijk of arm, jong of oud, dienstbare of vrije, Jood of Heiden. Zij is ook vol van genade en liefelijkheid: zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Zo iemand begeert wezenlijk en eeuwig gelukkig te zijn, hij wende zich tot M ij, hij late zich leiden door Mij, en Ik sta er borg voor dat hij het zijn zal".
a. De genodigde personen zijn dezulken, die dorsten, hetgeen verstaan kan worden van de nooddruft van hun toestand (zo iemand ontbloot is van de gemakken en geriefelijkheden van dit leven, of vermoeid is door het kruis, de moeilijkheden, die het oplevert, laten zijne armoede en beproevingen hem dan tot Christus heentrekken om dien vrede te verkrijgen, die de wereld geven noch ontnemen kan of met betrekking tot hun innerlijken toestand: "Zo iemand behoefte heeft aan geestelijke zegeningen, Ik kan ze hem schenken ". Of: Van de neiging hunner ziel en hun begeerte naar geestelijk geluk. Zo iemand hongert en dorst naar gerechtigheid, dat is, in waarheid begerig is naar Gods welbehagen jegens hem, en het goede werk Gods in hem.
b. De uitnodiging zelf: Die kome tot Mij. Hij ga niet tot de ceremoniële wet, die zijn geweten noch zou bevredigen, noch zou reinigen, en dus "hen, die daar toegaan, niet zou heiligen" Hebreeën 10:1. Hij ga ook niet tot de Heidense filosofie, die de mensen slechts misleidt, hen in een woud voert en er hen in laat, maar hij ga tot Christus, neme Zijne leer aan, onderwerpe zich aan Zijne tucht, geloven in Hem, kome tot Hem als de Fontein des levenden waters, den Gever van alle vertroosting.
c. De beloofde voldoening. Hij kome en drinke, hij zal verkrijgen waar hij voor komt, en dat wel overvloedig, zal datgene hebben, wat niet slechts verkwikt. maar de ziel vervult, die begeert zalig te worden.
4. Aan deze genaderijke roeping ene genaderijke belofte toegevoegd, vers 38:Die in Mij gelooft, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.
a. Zie hier wat het is tot Christus te komen: Het is in Hem te geloven, gelijk de Schrift zegt, het is Hem te ontvangen en aan te nemen, zoals Hij ons is aangeboden in het Evangelie. Wij moeten ons geen Christus formeren naar onzen zin of on ze verbeelding, maar geloven in een Christus volgens de Schrift.
b. Zie, hoe dorstige zielen, die tot Christus komen, er toe gebracht worden te drinken. De kinderen Israël's, die in Mozes geloofden, dronken uit de rots, die hen volgde, de stromen, die volgden, maar de gelovigen drinken van ene rots in hen, Christus in hen, Hij is in hen "ene fontein van levend water", Hoofdstuk 4:14. Er is voorziening gemaakt, niets slechts om hun tegenwoordige behoefte te vervullen, maar ook voor hun voortdurende vertroosting en welzijn. Hier is levend water, stromend water, dat in de Hebreeuwse taal levend water genoemd wordt, omdat het in beweging is. De genadegaven en vertroostingen des Geestes worden vergeleken bij levend (waarmee bedoeld wordt stromend) water, omdat zij de werkzame, levend makende beginselen zijn van geestelijk leven, het onderpand en begin van het eeuwige leven, zie Jeremia 2:13. Stromen van levend water, waardoor zowel overvloed als voortdurendheid wordt aangeduid. De vertroosting stroomt binnen, overvloedig en gestadiglijk als ene rivier, sterk als een stroom om den tegenstand van twijfel en vrees te beschamen en te doen verdwijnen. Er is in Christus ene volheid van genade voor genade. Deze stromen uit Zijn buik, dat is uit Zijn hart, uit Zijne ziel, waarop de Geest werkt en waarin de zetel is van Zijne regering. Deze Godvruchtige beginselen werden geplant, en uit het hart, waarin de Geest woont, zijn de uitgangen des levens, Spreuken 4:23. Daarin worden de Goddelijke vertroostingen gelegd, en de blijdschap, waarmee de vreemde zich niet zal vermengen. Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zich zelven, 1 Johannes 5:10.
Sat lucis intus -Er is overvloedig licht van binnen. En voorts: waar fonteinen van genade en vertroosting in de ziel zijn, daar zullen zij stromen doen uitgaan: stromen des levenden waters zullen uit Zijn buik vloeien. Ten eerste. Genade en vertroosting zullen zich doen blijken. Goede neigingen zullen goede daden teweegbrengen, en een heilig hart zal gezien worden in een heilig leven, de boom wordt gekend aan zijne vruchten, en de fontein aan hare stromen, Ten tweede. Zij zullen zich mededelen tot welzijn van anderen, een goed man is gemeengoed. Zijn mond is ene springader des levens, Spreuken 10:11. Het is niet genoeg, dat wij water drinken uit onzen eigen bak, dat wij de vertroosting der genade nemen, die ons gegeven is, wij moeten ook onze fonteinen zich buiten laten verspreiden, Spreuken 5:15, 16. Deze woorden: gelijkerwijs de Schrift zegt schijnen te verwijzen naar ene belofte dienaangaande in het Oude Testament, en er zijn velen, zoals: dat God Zijn Geest zal uitgieten, hetgeen een beeld is, ontleend aan water, Spreuken 1:23 , Joël 2:28, Jesaja 44:3, Zacheria 12:10, dat het dorre land tot watertochten zal worden, Jesaja 41:18, dat er rivieren in de wildernis zullen zijn, Jesaja 43:19, dat Godvruchtige zielen zullen zijn als een springader der wateren, Jesaja 58:11, en de kerk als een put der levende wateren, Hooglied 4:15. En hier kan ook ene toespeling wezen op de wateren, voortkomende uit Ezechiël's tempel, Ezechiël 47:1. Vergelijk Openbaring 22:1, en zie Zacheria 14:8. Dr. Lightfoot en anderen zeggen ons, dat het, naar ene overlevering, de gewoonte der Joden was op den laatsten dag van het Loofhuttenfeest ene plechtigheid te vieren, die zij libatio aquae De uitgieting van water noemden. Zij haalden een gouden vat met water uit het badwater Siloam, brachten het onder bazuingeschal en met andere plechtigheden in den tempel, en, bij den opgang tot het altaar, stortten zij het onder alle mogelijke vreugdebetoon uit voor het aangezicht des Heeren. Sommigen van hun schrijvers menen, dat water de wet betekent, en verwijzen naar Jesaja 12:3, 55:1. Anderen menen, dat het den Heiligen Geest voorstelt. En men denkt, dat onze Heiland op deze gewoonte gezinspeeld kan hebben. Gelovigen zullen de verkwikking hebben, niet van een vat water, dat uit een badwater gehaald werd, maar van ene rivier, die uitvloeit uit hen zelven. De blijdschap der wet, en de uitstorting van water, die heen wees naar deze blijdschap. zijn niet te vergelijken bij de blijdschap des Evangelies aan de bron des heils ontleend.
5. Wij hebben hier de verklaring dezer belofte door den evangelist gegeven, vers 39:Dit zei Hij van den Geest, niet van uitwendige voordelen of voorrechten, voortvloeiende voor de gelovigen (zoals sommigen Hem wellicht verkeerd begrepen zullen hebben) maar van de gaven, de genade en de vertroostingen van den Geest. Zie hoe de Schrift het best de Schrift verklaart. Merk op, dat:
a. Dit beloofd is aan allen, die in Christus geloven, nl. dat zij den Heiligen Geest zullen ontvangen. Sommigen hebben Zijne wonderdadige gaven ontvangen, Markus 16:17, 18, allen ontvingen zij Zijne heiligmakende genade. De gave des Heiligen Geestes is een van de grootste zegeningen, die beloofd zijn, Handelingen 2:39, en, beloofd zijnde, is zij ongetwijfeld ook geschonken aan allen, die deel hebben aan dat verbond.
b. De Geest, wonende en werkende in de gelovigen is als ene fontein van levend- stromend-water, waaruit overvloedige stromen voortkomen, verfrissend en reinigend als water, verzachtend en bevochtigend als water, hen zelven vruchtbaar makend, en blijdschap veroorzakende aan anderen, zie hoofdstuk 3:5. Toen de apostelen zo vloeiend van de dingen Gods spraken, zo als de Geest hun gaf uit te spreken, Handelingen 2:4, en later met zulk een' stroom van Goddelijke welsprekendheid het Evangelie van Christus gepredikt en geschreven hebben, toen is dit vervuld geworden, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.
c. Deze overvloedige uitstorting van den Geest was nu nog ene zaak van belofte, want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was. Zie hier: a. Dat Jezus nog niet verheerlijkt was. Het was zeker, dat Hij verheerlijkt zou worden, en Hij is altijd alle eer waardig geweest, maar Hij was nu nog in een staat van vernedering en versmaadheid. Hij heeft nooit de heerlijkheid verbeurd, die Hij gehad heeft van voor de grondlegging der wereld, ja Hij had nog grotere heerlijkheid verdiend, en behalve Zijne erfelijke heerlijkheid, kon Hij nog aanspraak maken op de Middelaars- kroon, maar dit alles werd nu nog voor Hem bewaard. Jezus wordt nu ondersteund, Jesaja 42:1, wordt nu verzadigd, Jesaja 53:11, is nu gerechtvaardigd, 1 Timotheus 3:16, maar Hij is nog niet verheerlijkt. En, indien Christus op Zijne heerlijkheid moet wachten, laat het ons dan niet verdrieten, zo wij op de onze moeten wachten. b. Dat de Heilige Geest nog niet was gegeven oupoo gar ên pneuma -want de Heilige Geest was nog niet. De Geest Gods was van eeuwigheid, want in den beginne zweefde Hij op de wateren. Hij was in de Oud-Testamentische profeten en heiligen, en Zacharias en Elisabeth waren beiden vervuld met den Heiligen Geest. Dit moet dus verstaan worden van die uitnemende, overvloedige en algemene uitstorting des Geestes, die beloofd was in Joël 2:28, welke belofte vervuld werd, Handelingen 2:1 en verder. De Heilige Geest was nog niet gegeven op die zichtbare wijze, die bedoeld was. Indien wij de heldere kennis en krachtige genade der discipelen van Christus na het Pinksterfeest vergelijken met hun onwetendheid en zwakheid voor dien dag. dan zullen wij begrijpen in welken zin de Heilige Geest toen nog niet was gegeven. Het onderpand en de eerstelingen des Geestes waren gegeven, maar de volle oogst was nog niet gekomen. Datgene, wat zeer bijzonder de bedeling des Geestes wordt genoemd, was nog niet begonnen. De Heilige Geest was nog niet gegeven in zulke stromen van levend water, als voort zouden komen om de gehele aarde te bewateren, nl. de Heidenwereld, niet in de gaven der talen, waarop deze belofte misschien voornamelijk heen wijst. De reden waarom de Heilige Geest nog niet was gegeven, was, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.
Ten eerste. De dood van Christus wordt soms Zijne verheerlijking genoemd, Hoofdstuk 13:31, want door Zijn kruis heeft Hij overwonnen en getriomfeerd. De gave des Heiligen Geestes werd verkregen door het bloed van Christus, voordat dus die prijs betaald werd, was de Heilige Geest niet gegeven. Ten tweede. Er was niet zo grote behoefte aan den Geest, zolang Christus zelf nog op aarde was, als toen Hij was weggegaan van de aarde. Ten derde. Het geven van den Heiligen Geest was beide ene verhoring van Christus' voorbede, Hoofdstuk 14:16, en ene daad van Zijne heerschappij, en daarom wordt de Heilige Geest niet gegeven voordat Hij verheerlijkt is, en ingegaan is tot Zijne heerschappij. Ten vierde. De bekering der Heidenen was de verheerlijking van Jezus. Toen "sommige Grieken" naar Christus begonnen te vragen, zei Hij: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden, Hoofdstuk 12:23. Nu was de tijd, dat het Evangelie onder de volken verbreid zou worden, nog niet gekomen daarom was er ook nog gene behoefte aan de gave der talen, dezen stroom van levend water. Maar, hoewel de Heilige Geest nog niet was gegeven, was Hij toch beloofd, het was nu de grote belofte des Vaders, Handelingen 1:4. Ofschoon de gaven van Christus' genade lang vertoeven, zijn zij toch wèl verzekerd, en, terwijl wij wachten op de goede gave, hebben wij de belofte om op te leven en te teren, en zij zal gewis vervuld worden. II. De gevolgen dezer rede, en hoe zij ontvangen werd. Over het algemeen bracht zij geschillen teweeg: Er werd dan tweedracht onder de schare, om Zijnentwil. Er was ene scheuring, zoals de betekenis is van het woord in den grondtekst. Er was verschil van mening, en die verschillende meningen werden geuit in twisting Denken wij, dat Christus gekomen is om vrede te brengen, dat allen eens van zin het Evangelie zullen omhelzen? Neen, de uitwerking van de prediking van Zijn Evangelie zal verdeeldheid zijn, want, terwijl sommigen er toe vergaderd worden, zullen anderen er zich tegen vergaderen, en dat zal de dingen in gisting brengen, zoals hier. Dit is echter evenmin de schuld van het Evangelie, als het de schuld is van ene heilzame medicijn, dat zij de kwade sappen in het lichaam in beroering brengt, ten einde ze uit te werpen.
1. Sommigen waren met Hem ingenomen, waren Hem welgezind, Velen uit de scharen, deze rede horende, Hem met zo veel medelijden en vriendelijkheid arme zondaren hoorden tot zich nodigen, hoorden met hoeveel macht Hij zich verbond hen gelukkig te maken, konden niet anders dan hoge gedachten van Hem koesteren.
a. Sommigen van hen zeiden: Deze is waarlijk de profeet, de profeet, van wie Mozes tot de vaderen heeft gesproken, die Hem gelijk zou wezen, of: Deze is de profeet, die volgens de mening der Joodse kerk, de voorloper moet wezen van den Messias, of "deze is waarlijk een profeet", iemand, die Goddelijke ingevingen heeft en door God gezonden is.
b. Anderen gingen verder, en zeiden: Deze is de Christus, vers 41, niet de profeet van den Messias, maar de Messias zelf. De Joden verkeerden toenmaals meer dan vroeger in de verwachting van de komst van den Messias, zodat zij bij iedere gelegenheid bereid waren te zeggen: Zie, hier is de Christus, of, zie Hij is dáár, en dit schijnt slechts de uitwerking te zijn van zulke verwarde, vage begrippen, dat zij op den eersten schijn getroffen waren, want wij bevinden niet, dat deze lieden discipelen en volgelingen van Christus geworden zijn. Een goede dunk omtrent Christus blijft verre achter bij een levend geloof in Christus, er zijn velen, die Christus een goed woord geven, maar ook niets meer. Dezen hier zeiden: Deze is de profeet, en deze is de Christus, maar zij konden er zich niet toe brengen om alles te verlaten en Hem te volgen, en zo was dan dit hun getuigenis voor Christus slechts een getuigenis tegen hen zelven.
2. Anderen waren tegen Hem bevooroordeeld. Niet zodra was deze grote waarheid geopperd, dat Jezus is de Christus, of zij werd onmiddellijk tegengesproken. Die ene zaak, dat Hij (naar zij dachten) uit Galilea was, achtten zij volkomen voldoende tot weerlegging van al de redenen of bewijzen, dat Hij de Christus was. Want: Zal dan de Christus uit Galilea komen? Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade David's? Zie hier:
a. Een loffelijke kennis der Schrift. Zij hadden in zo verre gelijk, dat de Messias een rijsje zal zijn uit den tronk van Isaï Jesaja 11:1, dat uit Bethlehem de Heerser zou voortkomen, Micha 5:2. Zelfs het gewone volk wist dit door de verklaringen, die zij van hun schriftgeleerden hoorden. Deze lieden, die zo gereed waren om deze Schriftuurplaatsen tegen Christus aan te voeren, waren wellicht minder goed bekend met andere gedeelten der Heilige Schrift, en werden dezen hun door hun leidslieden in den mond gelegd, om hun vooroordeel tegen Christus te versterken. Velen, die verdorvene denkbeelden aannemen, en al hun ijver aanwenden om ze te verdedigen, schijnen zeer te huis te zijn in de Schrift, terwijl zij in werkelijkheid weinig m eer weten, dan die plaatsen in de Schrift. die men hun heeft geleerd te verdraaien en te verderven. b. Ene schuldige onwetendheid omtrent den Heere Jezus. Zij stellen het voor als zeker en onbetwistbaar, dat Jezus uit Galilea was. terwijl zij door of Hem zelven te vragen, of Zijne moeder, of Zijne discipelen, of door de geslachtslijst van David te raadplegen, of het register te Bethlehem, hadden kunnen weten, dat Hij de Zoon was van David en dat Hij te Bethlehem was geboren, maar hiermede waren zij moedwillig onbekend. Zo worden grove leugens omtrent feiten betreffende personen en zaken staande gehouden door bevooroordeelde en partijdige lieden, die daar dan gewichtige gevolgtrekkingen uit afleiden, en dat wel in dezelfde plaats en in dezelfden tijd, waarin de personen leven en de dingen gedaan worden, zodat men al zeer licht achter de waarheid zou kunnen komen.
3. Anderen waren in woede tegen Hem ontstoken, en wilden Hem grijpen. Hoewel Hij niets anders had gezegd dan hetgeen zeer liefelijk was, waren zij er toch ten uiterste om verbitterd tegen Hem. Aldus heeft onze Meester kwaad geleden, omdat Hij goed gesproken en goed gedaan had. "Zij wilden Hem grijpen." Zij hoopten dat de een of ander de handen aan Hem zou slaan, en, zo zij dachten, dat gene anderen het wilden, dan waren zij bereid het zelf te doen. Zij wilden Hem grijpen, maar niemand sloeg de handen aan Hem, weerhouden zijnde door ene onzichtbare macht, omdat Zijne ure nog niet was gekomen. Evenals de boosaardigheid van Christus' vijanden altijd onredelijk is, zo is het bedwang, waaronder zij soms zijn, onverklaarbaar.