Mattheus 26:69-75
Wij hebben hier het verhaal van Petrus' verloochening van zijn Meester, en het wordt meegedeeld als deel uitmakende van het lijden van Christus. Onze Heere Jezus was nu in de zaal des hogepriesters, niet om een verhoor te ondergaan, maar veeleer om geplaagd en gesard te worden, het zou Hem toen enigszins tot troost geweest zijn om Zijne vrienden in Zijne nabijheid te zien. Maar wij zien daar geen van Zijne vrienden behalve alleen Petrus, en het zou veel beter geweest zijn, als deze op een afstand ware gebleven. Zie hoe hij is gevallen, en door zijn berouw wederom opgericht werd.
I. Zijne zonde, die tot eer der gewijde schrijvers onpartijdig verhaald wordt. Zij hebben getrouw en naar waarheid de feiten te boek gesteld. Merk op:
1. De onmiddellijke aanleiding tot de zonde van Petrus. Hij zat buiten in de zaal onder de dienaren van den hogepriester. Slecht gezelschap is voor menigeen de aanleiding geweest tot zonde, en zij, die zich daar onnodig in begeven, gaan op des duivels grond, wagen zich onder zijne menigte, en kunnen dus verwachten om of, gelijk Petrus, verzocht en verstrikt te worden, of bespot en mishandeld te worden gelijk zijn Meester. Uit zulk een gezelschap kan men nauwelijks zonder schuld of smart, of wel zonder die beiden, weg komen. Wie Gods geboden en zijn eigen verbond wil houden, moet tot de boosdoeners zeggen: Wijkt van mij, Psalm 119:115. Petrus sprak uit eigen ervaring, toen hij tot de nieuwe bekeerlingen de waarschuwing richtte: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht, want hij had zich bijna in het verderf gestort, door er zich slechts eenmaal onder te begeven.
2. De verzoeking er toe. Hij werd als volgeling van Jezus den Galileër aangesproken. Eerst ene dienstmaagd, toen een andere, en daarna ook de overige dienaren hebben hem hiervan beschuldigd. Gij waart ook met Jezus den Galileër, vers 69. En wederom: Deze was ook met Jezus den Nazarener, vers 71. En wederom: Waarlijk gij zijt ook van die, want ook uwe spraak maakt u openbaar als een Galileër, want het dialect en de uitspraak der Galileërs waren verschillend van die der overige Joden. Zalig hij, wiens spraak hem openbaar maakt als een discipel van Christus, als uit de heiligheid en den ernst van zijne gesprekken blijkt, dat hij met Jezus geweest is! Merk op met hoe veel minachting zij van Christus spreken-Jezus den Galileër, Jezus den Nazarener, Hem smalend verwijtende, dat Hij van die landstreek was, hoe minachtend zij ook van Petrus spreken. -Deze, alsof zij het ene schande achtten voor zich zelven, om zulk een in hun gezelschap te hebben, en dat heeft hij ook wel verdiend door zich onder hen te begeven. Toch wisten zij hem van niets anders te beschuldigen dan dat hij met Jezus geweest was, hetgeen echter, naar zij dachten, genoeg was om hem als een ergerlijk en zeer verdacht persoon aan te merken.
3. De zonde zelf. Toen hij er van beschuldigd werd een van Christus' discipelen te zijn, loochende hij het, hij schaamde zich en was bang om zich als zodanig te bekennen, en hij wilde dat allen, die daar om hem heen waren, zouden geloven, dat hij dien mens niet kende, of enig gevoel van vriendelijkheid of bezorgdheid voor Hem had.
a. Bij de eerste vermelding er van zei hij: Ik weet niet wat gij zegt. Dit was een uitvlucht. Hij gaf voor de beschuldiging niet te begrijpen, dat hij niet wist wie zij bedoelde met Jezus den Galileër, of wat zij bedoelde met te zeggen, dat hij met Hem was, zich dus houdende alsof datgene, waarvan zijn hart gans vervuld was, iets vreemds en onbekends voor hem was. Het is ene verkeerdheid onze vrees, onze gedachten en gewaarwordingen anders voor te stellen dan zij zijn, voor te wenden dat wij niet begrijpen, of niet denken aan, of ons herinneren hetgeen wij zeer wel begrijpen, waaraan wij wèl denken, en dat wij ons zeer goed herinneren. Het is ene manier van liegen, waartoe wij meer geneigd zijn dan tot alle andere manieren van liegen, omdat men op die leugen niet licht betrapt wordt, want wie kent des mensen geest of gezindheid dan hij zelf? Maar God kent hem, en wij moeten van die zonde weerhouden worden door de vreze voor Hem, Prediker 24:12. Nog groter verkeerdheid is het echter om achterhoudend te zijn ten opzichte van Christus, ons kennen van Hem te willen ontveinzen, door ene uitvlucht te willen vermijden om Hem te belijden, als wij daartoe worden geroepen, want dat is feitelijk Hem verloochenen.
4. Bij den volgenden aanval zei hij botweg: Ik ken den mens niet, en staafde dit door een eed, vers 72. Dit betekende feitelijk zoveel als: Ik wil Hem niet erkennen. Ik ben geen Christen, want Christendom is de kennis van Christus. Ach Petrus! Kunt gij dien gevangene daar voor de balie aanzien, en zeggen dat gij Hem niet kent? Hebt gij niet alles verlaten om Hem te volgen? Hebt gij Hem niet beter gekend dan ieder ander? Hebt gij Hem niet beleden te zijn de Christus, de Zoon des levenden Gods? Hebt gij vergeten al de tedere, liefdevolle blikken, die gij van Hem hebt ontvangen, al de innige gemeenschap, die gij met Hem hebt genoten? Kunt gij Hem in het aangezicht zien en zeggen, dat gij Hem niet kent?
c. Bij den derden aanval begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken den mens niet, vers 74. Dit was het ergste van alles, want de weg der zonde gaat bergafwaarts. Hij vervloekte zich en zwoer. Om te bevestigen wat hij gezegd had en geloof te verkrijgen, opdat zij zijn beweren niet langer in twijfel zouden trekken, daarom zei hij het nu niet slechts, maar zwoer het, en toch was wat hij zei een leugen. Wij hebben reden om te twijfelen aan de waarheid van hetgeen men met roekeloze eden en verwensingen tracht te bevestigen. Alleen des duivels woorden hebben des duivels bewijzen nodig. Hij, die zich door het derde gebod niet laat weerhouden van met God te spotten, zal door het negende niet worden weerhouden van zijn naaste te bedriegen. Hij wilde dit als een blijk laten gelden, dat hij niet tot de discipelen van Christus behoorde, want dat was hun taal niet. Vloeken en zweren volstaan om te bewijzen, dat iemand geen discipel van Christus is, want het is de taal Zijner vijanden om aldus Gods naam ijdel- lijk te gebruiken. Dit is geschreven ter onzer waarschuwing opdat wij Petrus niet navolgen in zijne zonde, en nooit, direct of indirect, Christus den Heere verloochenen, die ons gekocht en verlost heeft, door Zijne aanbiedingen te verwerpen, Zijn Geest te weerstaan, ons kennen van Hem te ontveinzen, ons Hem of Zijne woorden te schamen, of bevreesd te zijn om voor Hem en met Zijn lijdend volk te lijden.
5. De verzwaring dier zonde, het kan goed en nuttig voor ons wezen om daar op te letten, ten einde een zelfde overtreding in onze eigen zonden te zien. Bedenk:
a. Wie hij was: een apostel, een van de eerste drie, die bij alle gelegenheden de eerste was om voor de eer van Christus te spreken. Hoe schoner belijdenis wij afleggen van den Godsdienst, hoe groter onze zonde is, zo wij in enig ding onwaardiglijk wandelen.
b. Hoe hij door zijn Meester voor dit gevaar tijdig was gewaarschuwd. Indien hij hierop acht had geslagen, zoals hij had behoren te doen, dan zou hij zich niet in deze verzoeking hebben begeven. c. Hoe plechtig hij in dien nacht der beproeving beloofd had om Christus te blijven aanhangen. Telkens en wederom had hij betuigd: Ik zal U nooit verloochenen, neen, eerder zal ik met U sterven. Toch heeft hij die banden verbroken, en was zijn woord ja en neen.
d. Hoe spoedig hij na het Avondmaal des Heeren in die zonde gevallen is. Zulk een onschatbaar onderpand van verlossende liefde te hebben ontvangen, en toch in diezelfden nacht, eer de morgenstond nog was aangebroken, zijn Verlosser te verloochenen, dat voorwaar was wel een snel terzijde afwijken.
e. Hoe vergelijkenderwijs zwak de verzoeking was. Het was geen rechter, geen beambte van het hof, die hem beschuldigde een discipel van Jezus te zijn, maar een paar onnozele dienstmaagden, die daarbij waarschijnlijk niet eens bedoelden hem er leed door te berokkenen, al zou hij zich ook als een discipel van Christus bekend hebben. Dit was slechts een lopen met de voetgangers, Jesaja 12:5.
f. Hoe dikwijls hij het heeft herhaald, zelfs nadat de haan al eenmaal gekraaid had, bleef hij nog in de verzoeking, en is hij voor de tweede en derde maal in de zonde gevallen. Is dit Petrus? Hoe zijt gij gevallen! Aldus was zijne zonde verzwaard, maar van den anderen kant is er dit om haar te verzachten, dat hij, wat hij zei, in zijn haasten zei, Psalm 116:11. Hij viel in de zonde door verrassing, niet als Judas, die met voorbedachten rade heeft gezondigd, zijn hart verzette er zich tegen, hij sprak zeer slecht, maar het was onbedachtelijk, en eer hij het zelf wist.
II. Petrus' berouw over deze zonde, vers 75. Het voorafgaande is geschreven ter onzer waarschuwing, opdat wij niet zondigen, maar indien wij te eniger tijd overvallen worden door de zonde, dan is dit geschreven ter onzer navolging, opdat wij ons haasten om er berouw van te hebben. Merk nu op:
1. Wat het was, dat Petrus tot berouw en inkeer heeft gebracht.
a. De haan kraaide, vers 74. Iets heel gewoons, maar daar Christus in de waarschuwing, die Hij hem gaf, van het kraaien van den haan melding had gemaakt, was dit een middel om hem tot zich zelven te brengen. Het woord van Christus kan betekenis geven aan elk teken, dat Hij verkiest te noemen, en uit kracht van dat woord kan Hij het tot een zegen maken voor de ziel van Zijn volk. Het kraaien van den haan neemt bij Petrus de plaats in van Johannes de Doper, als de stem, die tot bekering roept, Voor ons moet het geweten als het kraaien van den haan wezen, om ons te herinneren aan hetgeen wij vergeten hebben. Toen David's hart hem sloeg kraaide voor hem de haan. Als er een levend beginsel van genade is in de ziel, al is dit dan ook overweldigd door verzoeking, zal een kleine wenk volstaan, om haar door de kracht Gods van bijpaden terug te brengen. Hier werd het kraaien van een haan tot het gelukkige middel gemaakt voor de bekering ener ziel. Soms zal Christus in genade komen met het hanengekraai.
b. Hij werd indachtig het woord des Heeren. Dit was het wat hem tot zich zelven bracht en hem in tranen deed wegsmelten van droefheid naar God, een gevoel van zijne ondankbaarheid aan Christus en zijn weinig achtslaan op de genadige waarschuwing, die Christus hem had gegeven. Een ernstig nadenken over de woorden van den Heere Jezus zal een krachtige drijfveer wezen tot berouw, en ene hulp om het hart te verbreken vanwege de zonde. Niets is smartelijker voor een boetvaardige, dan dat hij gezondigd heeft tegen de genade van den Heere Jezus en de bewijzen Zijner liefde.
2. Hoe zijn berouw zich openbaarde: naar buiten gaande weende hij bitterlijk.
a. Zijne droefheid was in het verborgen, hij ging naar buiten, weg van de zaal des hogepriesters, verdrietig op zich zelven, dat hij er ooit in gekomen was, nu hij bevond in welk een strik hij was gevallen, en zo ging hij dan zo spoedig hij kon naar buiten. Hij was alreeds naar de voorpoort gegaan, vers 71, en indien hij toen terstond weggegaan was, dan zou zijn tweede en derde verloochening zijn voorkomen, maar hij was toen weer naar binnen gegaan. Nu ging hij naar buiten, om niet meer terug te keren. Hij ging naar buiten naar de een of andere eenzame plaats, waar hij kon kermen om zijne ongerechtigheid, Ezechiël 7:16. Hij ging naar buiten om niet gestoord te worden in zijn gebed bij deze treurige gelegenheid. Wij kunnen het meest vrij zijn in onze gemeenschapsoefening met God, als wij het meest vrij zijn van den omgang en het gewoel der wereld. Bij het treuren over de zonde, vinden wij de geslachten afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, Zacheria 12:11, 12.
b. Zijne droefheid was ernstig, hij weende bitterlijk. Droefheid om de zonde moet niet gering zijn, maar groot en diep, gelijk als de rouw over een enigen zoon. Zij, die zoet gezondigd hebben, moeten bitterlijk wenen, want vroeg of laat zal de zonde bitterheid wezen. Deze diepe smart wordt vereist, niet om aan de Goddelijke gerechtigheid te voldoen (gene zee van tranen zou dit kunnen) maar om te doen blijken, dat er een wezenlijke verandering van hart, van zin is gekomen, hetgeen een onmisbaar bestanddeel is van bekering en berouw, de vergeving des te welkomer te doen zijn, en de zonde van nu voortaan des te meer verfoeilijk. Petrus, die zo bitterlijk weende, omdat hij Christus had verloochend, heeft Hem nooit meer verloochend, maar Hem dikwijls en openlijk beleden, en dat wel bij dreigend en nakend gevaar. Zo ver was hij er vandaan, om ooit weer te zeggen: ik ken den mens niet, dat hij aan het ganse huis Israël's zeker heeft doen weten, dat deze Jezus Heere en Christus is. Waar berouw over de zonde zal het best blijken uit ons overvloedig zijn in de daaraan tegenovergestelde genade en plichtsbetrachting, dit is een teken van ons wenen, niet slechts bitterlijk, maar oprecht. Sommigen van de ouden zeggen, dat Petrus zo lang hij leefde, nooit een haan heeft horen kraaien zonder te wenen. Zij, die wezenlijk treuren om de zonde, zullen treuren bij iedere herinnering er aan, hetgeen echter hun blijdschap in God en in Zijne goedertierenheid en genade niet in den weg staat, want die blijdschap zal er veeleer door toenemen dan afnemen.