12. Wij mogen niet de broederhaat in ons omdragen (
Hoofdstuk 2:9,
11), zoals Kaïn, die uit de boze, die een kind van de duivel was en zijn broeder Abel (
Genesis 4:5 v.) doodsloeg, naar de geest van hem, die de moordenaar was van het begin (
Johannes 8:44). Daardoor zouden wij tonen, dat wij kinderen van de duivelwaren en niet kinderen van God. En om welke oorzaak sloeg hij hem dood? Om geen andere reden dan a) omdat zijn eigen werken boos waren en die van zijn broeder daarentegen rechtvaardig, want deze had hem volstrekt geen leed gedaan (
Mattheus 23:35 Judas 1:11).
a) Hebreeën 11:4
De apostel gaat hier van het algemene "de broeder niet liefhebben" over tot een bijzondere voorstelling van de haat, zoals die zich van de zijde van hen, die van de boze zijn, steeds tegenover de kinderen van God openbaart. De eerste aanwijzing van deze gedachte lag reeds in de woorden Vers 1 Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. " Deze afdeling loopt dus ten einde en er heeft een overgang plaats tot de volgende, die niet, zoals men veelal aanneemt van de broederlijke liefde als zodanig, maar van de haat van de wereld in tegenstelling tot de broederlijke liefde van de Christenen onder elkaar handelt.
Johannes stapt ook weer hier heen over de veelvuldige trappen in het leven en vat de zedelijke tegenstellingen in haar grootste scherpte, in haar toppunt op, als hij tegenover de broederlijke liefde, die de Christenen vervult, de haat stelt, die de kinderen van de duivel vervult. Hij kent geen standpunt, dat tussenbeide is; waar de liefde ontbreekt daar heerst de zelfzucht, waarbij de mens zichzelf tot middelpunt van alles maakt, alles op zichzelf toepast; en daarbij is het streven, om alles uit de weg te ruimen, wat met de belangen van deze zelfzucht in tegenspraak staat. Zij kan niets naast zich dulden, wat haar niet dienstbaar is en zij zal daarom tot haat tegen anderen worden, als door deze zijn belang niet wordt gediend. Ook de haat stelt de apostel voor in het toppunt van zijn openbaring, zoals uit de haat de moord voortkomt. Zo noemt hij als de vertegenwoordiger van die aan de liefde tegenovergestelde drijfveer van handelen hem, die het eerst zo'n gezindheid, de tot moord klimmende haat, gekoesterd heeft, Kaïn. Als hij vraagt: "waarom sloeg hij hem dood? " en daarop het antwoord geeft: "omdat zijn werken boos waren en van zijn broeder rechtvaardig" treedt hem naast Kaïn, die hij vroeger als type van de kinderen van de duivel heeft voorgesteld, diens broeder Abel als type van de kinderen van God voor de geest en zo komt hem in beider verhouding tot elkaar de verhouding van de Christenen tot de wereld voor, waarover hij in de volgende afdeling nader handelt.
Als Johannes zegt, dat Kaïn zijn broeder gedood heeft, omdat zijn werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig, schijnt dit niet met het Mozaïsche verhaal, waar de nijd als motief van zijn moord wordt genoemd, overeen te stemmen. Er is echter geen tegenspraak, omdat het verhaal de voorstelling niet buitensluit, dat de vroomheid van Abel reeds vroeger in Kaïn de haat tegen zijn broeder heeft opgewekt en zich deze, toen God zijn offer versmaadde, maar dat van zijn broeder in genade aanzag, door de daarbij komende nijd deed stijgen tot die graad, dat hij aan moord schuldig werd.
IV. Vers 13-24. Reeds aan het begin van de vorige afdeling had de apostel er zijn lezers op gewezen, dat het in de aard van de zaak lag, als zij in hun kindschap van God van de wereld slechts miskenning ondervonden (Vers 1). Dit punt neemt hij nu weer op, nadat hij het grondverschil, dat er tussen de kinderen van God en de kinderen van de wereld bestaat, uitvoerig uiteengezet en op het eerste broederpaar, dat er bestond, gewezen heeft, hoe daar reeds Kaïn, die uit de boze was, de rechtvaardige Abel tot de dood haatte. Hij verscherpt de vroegere uitdrukking "de wereld kent u niet" tot "de wereld haat u" en hij spreekt nu zijn broeders toe, met wie hij weet door de band van het kindschap van God verbonden te zijn, dat zij zich over zo'n haat niet moeten verwonderen, maar zich des te beslister moeten houden aan het kenteken van broederlijke liefde, dat hen van de wereld onderscheidt. Omdat echter in de gemeente een bepaald geval bestaat, waar hij het niet liefhebben van de broeders zelfs tot een haten is geklommen, verbindt hij met zijn toespraak tevens een zeer ernstige terechtwijzing en een dringende vermaning (Vers 13-17). Uit de liefde nu van zo'n aard, zouden de lezers, als deze bij hen aanwezig was, zo wat hij voort, erkennen, dat zij uit de waarheid zijn. Welke waarde dat heeft in de betrekking tot God, zet hij nu nader uiteen. Men kan dan zijn hart vertroosten voor God, als soms de vele zonden, die nog aankleven, zich voor onze ogen plaatsen en het kindschap van God willen doen betwijfelen; en weer, als het hart ons niet aanklaagt, heeft men de ware blijdschap van het gebed en het blij vertrouwen op gebedsverhoring (Vers 18-22). Weer neemt Johannes aanleiding om op het houden aan Gods geboden als de signatuur van de kinderen van God te wijzen; hij vat de veelheid van de goddelijke geboden samen in de eenheid van het een gebod, om in de naam van de Zoon van God te geloven. In dat gebod is ook het andere vervat, waarvan hij tot hiertoe altijd heeft gesproken, namelijk de broeder lief te hebben en, evenals nu het houden van deze geboden een onderpand is van het blijven in God en van het blijven van God in ons, zo is het ook het kenteken, dat wij Zijn Geest in ons hebben (Vers 23, 24)
EPISTEL OP DE TWEEDE ZONDAG NA TRINITATIS
Evenals het Evangelie van deze Zondag (Lukas 14:16) ons tot het grote Avondmaal nodigt, dat de zondaarsliefde van de Heere ons heeft bereid, opdat wij ons verzadigen aan de rijke goederen van de genade van onze van God, zo nodigt deze brief ons tot broederlijke liefde, dat wij voor onze broeders de tafel dekken, opdat zij leven en vol genot hebben.
De liefde tot de broeders: 1) hoeveel zij van ons verlangt; 2) hoeveel zij ons schenkt.
Een drievoudige keuze, die onze brief ons voorhoudt: 1) leven of dood; 2) liefde of haat; 3) waarheid of leugen.
Drie waarheidtekenen van de kinderen van God: 1) de haat van de wereld; 2) het leven in God; 3) de liefde tot de broeders. Waarin wordt het duidelijk, wie de kinderen van God zijn? 1) kinderen van God worden door de wereld gehaat; 2) kinderen van God hebben de broeders lief.
Wat is het kenteken van de Christenen, die uit de dood tot het leven zijn gekomen? 1) een troostvolle moed; 2) een verhelderd oordeel; 3) een opofferende liefde. Haat en liefde in onverenigbare tegenstelling: 1) haat is leugen, liefde is waarheid; 2) haat is gierigheid, liefde is weldoen; 3) haat is dood, liefde is leven; 4) haat is moord, liefde is zelfovergave. Zonder haat geen liefde: 1) de wereld begeert liefde zonder haat en legt juist daarom haar haat tegen alle ware liefde niet af; 2) de Christen kent geen liefde zonder haat, maar juist uit deze haat wordt de ware liefde geboren.