Johannes 17:24-26
Hier is:
I. Ene bede om de verheerlijking van allen, die aan Christus gegeven waren, vers 24, niet slechts van deze apostelen, maar van alle gelovigen: "Vader, Ik wil, dat zij bij Mij zijn." Merk op:
1. Het verband tussen deze bede en de vorige. Hij had gebeden, dat God hen zou bewaren, heiligen en verenigen, en nu bidt Hij, dat Hij al deze gaven zou kronen door hun verheerlijking. Naar die methode moeten wij bidden, eerst om genade, en dan om heerlijkheid, of eer, Psalm 84:12, want God geeft naar die methode. Verre zij het van den alleen wijzen God om gerekend te worden met den dwazen bouwer, die zonder fondament op het zand heeft gebouwd, gelijk Hij doen zou, indien Hij iemand zou verheerlijken, dien Hij niet eerst had geheiligd, of met dien anderen dwazen bouwer, die begon te bouwen, en niet kon voleindigen, gelijk het geval zou zijn, indien Hij iemand zou heiligen, dien Hij daarna niet ook zou verheerlijken.
2. De wijze, waarop Hij dit bidt: Vader, Ik wil. Hier, gelijk tevoren, wendt Hij zich tot God als Vader, en dat moeten ook wij doen. Maar als Hij zegt: Theloo -Ik wil, dan spreekt Hij ene taal, die Hem alleen eigen is, maar die aan geen gewone bidders betaamt, doch zeer wel betaamde aan Hem, die voor hetgeen, waar Hij om bad, betaald heeft.
a. Hierdoor wordt in het algemeen het gezag, of de macht, Zijner voorbede aangeduid, Zijn woord was met macht in den hemel, zowel als op de aarde. Met Zijn eigen bloed ingegaan zijnde in het heilige, heeft Zijne voorbede aldaar een onbedwingbare kracht. Hij bidt als Koning, want Hij is een Priester op Zijn troon, -zoals Melchizedek-een Koning-Priester.
b. Er wordt Zijn bijzondere macht door aangeduid in dit geval, in deze zaak. Hij had macht om het eeuwige leven te geven, vers 2, en, ingevolge van die macht, zegt Hij: Vader, Ik wil. Hoewel Hij thans de gestaltenis eens dienstknechts had aangenomen, kon en mocht Hij, met het oog op de macht, die het doorluchtigst door Hem uitgeoefend zal worden bij Zijne wederkomst in heerlijkheid om te oordelen, wanneer Hij zal zeggen: Komt, gij gezegenden, nu ook wel zeggen: Vader, Ik wil.
3. De bede zelf-dat al de uitverkorenen zullen komen, om ten laatste met Hem in den hemel te zijn, om Zijne heerlijkheid te zien en er in te delen.
a. Onder welk idee, of begrip, moeten wij op den hemel hopen? Waarin zal die gelukzaligheid bestaan? Er zijn drie dingen, die den hemel uitmaken: a. Het is om te wezen waar Christus is: Waar Ik ben, in het paradijs, waar Christus' ziel heenging toen Hij stierf, in den derden hemel, waar Christus' ziel en lichaam heengingen bij Zijne hemelvaart: -Waar Ik ben, binnenkort zijn zal, eeuwig zijn zal. In deze wereld zijn wij slechts in transitu -op onzen doortocht, dáár zijn wij in waarheid waar wij voor eeuwig zijn zullen, zo heeft Christus het beschouwd, en zo moeten ook wij het beschouwen. b. Het is om met Hem te wezen waar Hij is, dit is geen onnodige herhaling van dezelfde woorden, maar geeft te kennen, dat wij niet slechts in dezelfde gelukkige plaats zullen wezen, waar Christus is, maar dat het zalige dier plaats bestaan zal in Zijne tegenwoordigheid, dat is de volheid der blijdschap er van. Het is de hemel van den hemel om met Christus te wezen, in gezelschap met Hem, in gemeenschap met Hem, Filippenzen 1:2, 3. c. Het is de heerlijkheid te aanschouwen, die Zijn Vader Hem gegeven heeft. Merk op: Ten eerste. De heerlijkheid van den Verlosser is de glans des hemels. De heerlijkheid, voor welke de engelen hun aangezicht bedekten, was Zijne heerlijkheid, Hoofdstuk 12:41. Het Lam is het licht van het nieuwe Jeruzalem, Openbaring 21:23. Christus zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, want Hij is het afschijnsel Zijner heerlijkheid. Dáár toont God Zijne heerlijkheid, zoals Hij hier Zijne genade toont, door Christus. "De Vader heeft Mij deze heerlijkheid gegeven," hoewel Hij nu nog in den staat Zijner vernedering was, maar zij was zeer gewis en zeer nabij.
Ten tweede. De zaligheid der verlosten bestaat grotendeels in het aanschouwen van deze heerlijkheid, zij zullen het onmiddellijk gezicht hebben van Zijn hoogheerlijken Persoon. Uit mijn vlees zal ik God aanschouwen, Job 19: 26, 27. Zij zullen een helder inzicht hebben in Zijn heerlijke onderneming, zoals zij dan voleindigd zijn zal. Zij zullen die fonteinen van liefde zien, waaruit al de stromen der genade ontspringen, en dan zullen zij naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid.
b. Op welken grond wij op den hemel moeten hopen. Op geen anderen dan de middelaarsvoorbede van Christus: omdat Hij gezegd heeft: Vader, Ik wil. Onze heiligmaking is ons bewijs, want "die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zich zelven, " maar het is de wil van Christus, die ons recht en aanspraak er op geeft, in welken wil wij geheiligd zijn. Hebreeën 10:10. Christus spreekt hier alsof Hij Zijn eigen zaligheid niet volkomen acht, tenzij Zijn uitverkorenen er in delen, want het is "het leiden van vele kinderen tot de heerlijkheid, dat den oversten Leidsman onzer zaligheid volkomen maakt", Hebreeën 2:10 1).
4. Het argument om de bede te ondersteunen, want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging der wereld. Dat is ene reden,
a. Waarom Hij zelf deze heerlijkheid verwachtte: Gij zult haar Mij geven, want Gij hebt Mij liefgehad. De eer en de macht aan den Zoon gegeven als Middelaar, waren gegrond op des Vaders liefde voor Hem, Hoofdstuk 5:20.
De Vader heeft den Zoon lief, heeft een oneindig welbehagen in Zijne onderneming, en daarom heeft Hij alle dingen in Zijne handen overgegeven, en, de zaak van eeuwigheid overeengekomen zijnde in de Goddelijke raadsbesluiten, wordt Hij gezegd Hem als Middelaar lief te hebben voor de grondlegging der wereld. Of:
b. Waarom Hij verwachtte dat zij, die Hem gegeven waren, bij Hem zouden zijn om in Zijne heerlijkheid te delen: "Gij hebt Mij liefgehad, en hen in Mij, en kunt Mij niets weigeren, dat Ik voor hen vraag".
II. Het slot van het gebed, dat bestemd is om kracht bij te zetten aan al de beden voor Zijne discipelen, inzonderheid de laatste, dat zij verheerlijkt mogen worden. Hij legt nadruk in Zijne pleitrede op twee dingen:
1. Ten aanzien van Zijn Vader, vers 25. Let op: a. Den titel, dien Hij God geeft: Rechtvaardige Vader. Toen Hij bad, dat zij geheiligd mochten worden, noemde Hij Hem heilige Vader, als Hij bidt, dat zij verheerlijkt mogen worden, noemt Hij Hem rechtvaardige Vader, want het is een kroon der rechtvaardigheid, die de rechtvaardige Rechter geven zal. Gods rechtvaardigheid was verpand voor het geven van al het goede, dat de Vader had beloofd en de Zoon gekocht had.
b. De hoedanigheid, waarmee Hij de wereld aanduidt, die in het boze ligt: De wereld heeft U niet gekend. Onwetendheid omtrent God ligt over de gehele mensheid, dat is de duisternis, waarin zij verzonken is. Nu wordt daar hier op gewezen: a. Om te tonen, dat deze discipelen de hulp behoefden van bijzondere genade, zowel wegens het noodzakelijke van hun werk-zij moesten een wereld, die God niet kende, tot Zijne kennis brengen, en ook vanwege het moeilijke van hun werk- zij moesten licht brengen aan hen, die tegen het licht rebelleerden, daarom, bewaar hen. b. Om aan te tonen, dat zij geschikt waren om nog meerdere bijzondere gunsten te ontvangen, want zij hadden de kennis van God, die de wereld niet had.
c. Den pleitgrond, dien Hij aanvoert voor zich zelven: Maar Ik heb U gekend. Christus heeft den Vader gekend, zoals niemand anders, Hij wist op welken grond Hij uitging op Zijne onderneming, Hij kende Zijns Vaders wil en bedoeling voor alle dingen, en daarom komt Hij in dit gebed met vertrouwen tot Hem, zoals wij met vertrouwen gaan tot iemand, dien wij kennen. Christus bidt hier om zegeningen voor de Zijnen, toen Hij nu gezegd had: de wereld heeft U niet gekend, zou men denken, dat Hij er op zou laten volgen: "maar zij hebben U gekend". Maar neen, op hun kennis viel niet te roemen, maar Ik heb U gekend, hetgeen aanduidt, dat er in ons niets is, om ons in Gods gunst aan te bevelen, maar dat ons deel in Hem en onze gemeenschap met Hem voortvloeien uit, en afhankelijk zijn van, Christus' invloed en gemeenschap. Wij zijn onwaardig, maar Hij is waardig.
d. Hij pleit er voorts op voor Zijne discipelen, dat zij hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt. a. Hierdoor worden zij onderscheiden van de ongelovige wereld. Toen de scharen, tot wie Christus was gezonden, en aan wie Zijne genade was aangeboden, niet wilden geloven, dat God Hem gezonden had, hebben de discipelen het bekend en geloofd, en zij schaamden zich niet om het openlijk te erkennen en te belijden. Jezus Christus te kennen en in Hem te geloven temidden van ene wereld, die volhardt in ongeloof en in onwetendheid blijft verzonken, is Gode zeer welbehaaglijk, en dat zal voorzeker met onderscheidende heerlijkheid gekroond worden. Een bijzonder geloof maakt bevoegd voor bijzondere gunstbewijzen. b. Hierdoor hebben zij deel aan Christus' voorbede als Middelaar, en aan het voordeel, dat voortvloeit uit Zijne bekendheid met den Vader: Ik heb U gekend, onmiddellijk en volkomen: en hoewel dezen U niet zo gekend hebben, en ook niet instaat waren U zo te kennen, hebben zij toch bekend, dat Gij Mij gezonden hebt. Zij hebben geweten wat van hen geëist werd, dat zij zouden weten, zij hebben den Schepper gekend in den Verlosser. Christus kennende als van God te zijn gezonden, hebben zij, in Hem den Vader gekend, en zijn zij ingeleid tot Zijne kennis, en daarom: Vader, bescherm hen om Mijnentwil".
2. Ten aanzien Zijner discipelen, vers 26, "Ik heb hen ingeleid tot de kennis van U, en zal dit al meer en meer doen, met deze grote en liefderijke bedoeling, dat de liefde, waarmee Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen. Merk hier op:
a. Wat Christus voor hen gedaan heeft: Ik heb hun Uwen Naam bekend gemaakt. a. Dat had Hij gedaan voor hen, die Zijn onmiddellijke volgelingen waren. Al den tijd, in welken Hij onder hen in- en uitgegaan is, heeft Hij er zich op toegelegd om hun Zijns Vaders naam bekend te maken, en er eerbied voor in hen op te wekken. De strekking van al Zijne redevoeringen en wonderen was Zijns Vaders eer te verhogen, en de kennis van Hem te verbreiden, Hoofdstuk 1:18. b. Dat heeft Hij gedaan voor allen, die in Hem geloven, want zij zouden er niet toe gebracht zijn te geloven, indien Christus hun den naam Zijns Vaders niet had bekend gemaakt. Het is aan Christus, dat wij al de kennis verschuldigd zijn, die wij hebben van den naam des Vaders, Hij verklaart hem, en Hij opent het verstand om die verklaring te begrijpen. Zij, die door Christus in de gunst Gods worden aanbevolen, worden eerst door Hem tot de kennis van God ingeleid.
b. Wat Hij voornemens was nog verder voor hen te doen: en zal hem bekendmaken. Het was Zijn voornemen om na Zijne opstanding aan Zijne discipelen nog verdere instructies te geven, Handelingen 1:3, en hen nog veel inniger bekend te maken met de Goddelijke dingen door de uitstorting van den Geest na Zijne opstanding. Dat zal Hij ook doen voor alle gelovigen, Zijn licht zal al meer en meer hun hart verlichten. Waar Christus Zijns Vaders naam bekend gemaakt heeft, zal Hij hem nog verder bekendmaken, en zij, die God kennen, hebben het nodig, en begeren ook, om meer van Hem te kennen. Dit wordt bekwamelijk voor hen gedaan: "Vader, beken en begunstig hen, want zij zullen U bekenden en eren".
c. Wat Hij met dit alles beoogde: niet hun hoofd te vullen met allerlei gissingen en bespiegelingen, of hen te voorzien van iets, waarover zij met geleerden konden praten, maar hun wezenlijk geluk te verzekeren en te bevorderen in twee dingen: a. In gemeenschap met God: Ik heb hen bekend gemaakt met Uwen naam, en met alles, waarmee Gij U bekend gemaakt hebt, opdat de liefde, waarmee Gij Mij hebt liefgehad-niet slechts zij tot hen, maar in hen". Dat is: Ten eerste. "Laat hen de vruchten van die liefde hebben tot hun heiligmaking, laat de Geest der liefde, waarmee Gij Mij vervuld hebt, in hen wezen". Christus heeft Zijns Vaders naam aan de gelovigen bekend gemaakt, opdat met het Goddelijk licht, dat hun geest bestraalt, de liefde Gods in hun hart uitgestort mocht worden, om een heersend beginsel van heiligheid in hen te wezen, en zij der Goddelijke natuur deelachtig zouden worden. Als de liefde Gods in ons hart is gekomen, dan is zij als de kracht, die de magneet uitoefent op de kompasnaald, ons neigende om ons naar de pool te bewegen, zij doet de ziel uitgaan naar God in neigingen der Godsvrucht.
Ten tweede. Laat hen die liefde smaken ter hunner vertroosting, laat hen niet slechts deel hebben in de liefde Gods door dat hun Gods naam is geopenbaard, maar laat hen door een nadere bekendmaking er van de vertroosting en het genot er van hebben, opdat zij niet slechts God kennen, maar weten, dat zij Hem kennen", 1 Johannes 2:3. Het is de liefde Gods, aldus uitgestort in het hart, die het vervult van vreugde, Romeinen 5:3, 5. Hierin heeft God voor ons voorzien, opdat wij niet slechts verzadigd zullen worden met Zijne goedertierenheid, maar er ook van overtuigd zijn, en aldus een leven mogen leiden van vreugde in God en van gemeenschap met Hem. Hierom moeten wij bidden, daarnaar moeten wij streven, als wij het hebben, moeten wij er Christus voor danken, als wij het niet hebben, hebben wij dit ons zelven te wijten. b. In eenheid met Christus. En Ik in hen. Wij kunnen in de liefde Gods niet komen dan door Christus, en wij kunnen in die liefde niet blijven dan door in Christus te blijven, dat is: doordat Hij in ons blijft, en wij kunnen ook den zin, het begrip dier liefde niet hebben, dan door onze ervaring van de inwoning van Christus, dat is: van den Geest van Christus in ons hart. Het is Christus in ons, die de enige hoop is der heerlijkheid, en ons niet beschaamd zal maken, Colossenzen 1:27. Al onze gemeenschap met God, het ontvangen van Zijne liefde tot ons met onze wederkerige liefde tot Hem, gaat door de handen van den Heere Jezus, en de vertroosting hiervan zijn wij zuiver en alleen aan Hem verschuldigd. Kort tevoren had Christus gezegd: Ik in hen, vers 23, en hier wordt dit herhaald (hoewel de zin ook zonder dat volledig zou wezen) en het gebed besluit er mede, om aan te tonen, hoezeer het hart van Christus er op gezet was. Al Zijne beden concentreren zich hierin, en hiermede hebben de gebeden van Jezus, den Zoon van David, een einde: "Ik in hen, laat Mij dit hebben, en Ik begeer niets meer." Het is de heerlijkheid van den Verlosser, om in de verlosten te wonen, het is Zijne rust tot in eeuwigheid, en Hij heeft haar begeerd. Laat ons dus ons verzekeren van onze eenheid met Christus en dan de vertroosting smaken van Zijne voorbede. Dit gebed had een einde, maar eeuwig leeft Hij, om die voorbede voor ons te doen.