2 Corinthiërs 4:8-18
In deze verzen geeft de apostel ons een overzicht van hun moed en geduld in al hun lijden, waaromtrent wij het volgende opmerken.
I. Hoe hun lijden en geduld medegedeeld worden, vers 8-12. De apostelen waren grote lijders, en daarin volgden zij hun Meester. Christus had hun gezegd dat zij in de wereld verdrukking zouden hebben, en die hadden zij, toch ondervonden zij wonderbare ondersteuning, grote verlichting en vele verzachting in hun lijden. Wij zijn, zegt de apostel, in alles verdrukt, op allerlei wijzen bedroefd en wij ontmoeten allerlei soort van moeiten. Maar niet benauwd, vers 8. Wij zijn ingesloten of omheind, want wij zien hulp van God en in God, en hebben van God vrijheid om voort te gaan. Verder: wij zijn twijfelmoedig, dikwijls onzeker en in twijfel wat er van ons worden zal, en daarover niet altijd zonder angst in onze zielen, maar niet mismoedig, vers 8, zelfs in onze grootste neerslachtigheid weten wij, dat God machtig is ons te ondersteunen en te bevrijden, en in Hem stellen we altijd onze hoop en ons vertrouwen. Verder. Wij zijn vervolgd, door de mensen achterjaagd met haat en woede van plaats tot plaats, als mensen die het leven niet waard zijn, maar niet daarin van God verlaten, vers 9. Goede mensen worden soms verzaakt door hun vrienden, zowel als vervolgd door hun vijanden, maar God zal hen nooit verlaten of verzaken. Verder: Wij zijn soms neergeworpen, de vijand kan soms in grote mate de overhand krijgen, zodat ons de geest zou ontzinken, er is van binnen vrees en van buiten strijd, nochtans worden wij niet verdorven, vers 9. Steeds werden zij bewaard en hielden het hoofd boven water. Hoe ook in deze wereld de toestand van Gods kinderen moge zijn, altijd is er een: "maar niet!" tot hun vertroosting, hun lot is dikwijls slecht, zeer slecht, maar nooit zo slecht als het had kunnen zijn. De apostel spreekt van hun lijden als voortdurend en als een deel van het lijden van Christus, vers 10. Het lijden van Christus wordt in zekeren zin herhaald in het lijden der Christenen, en daarom droegen zij altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam om, de wereld het grootse schouwspel biedende van een lijdenden Christen, opdat ook het leven van Jezus in hun lichaam openbaar worden zou, dat is, opdat de mensen zouden mogen zien de kracht van Christus' opstanding, en de uitwerking der genade in en van den levenden Jezus, openbaar gemaakt in en aan hen, die leefden, ofschoon zij altijd in den dood overgegeven zijn, vers 11, en ofschoon de dood in hen werkt, vers 12, daar zij altijd aan den dood blootgesteld zijn en voortdurend op het punt van door den dood verzwolgen te worden. Zo groot was het lijden der apostelen, dat, in vergelijking met hen, zelfs in dien tijd, andere Christenen in voorspoedige omstandigheden waren. De dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden, vers 12.
II. Wat hen terughield van wegzinken en bezwijken onder hun lijden, vers 13-18. Welke ook de lasten en moeiten van godvrezenden mogen zijn, zij hebben altijd reden om niet te bezwijken.
1. Het geloof behoedt hen voor vertragen en bezwijken. Wij hebben dezelfden Geest des geloofs, vers 13, dat geloof, dat ontstaat door de werking des Geestes, hetzelfde geloof, waardoor de heiligen van den ouden dag zulke grote dingen deden en zoveel lijden doorstonden. De genade des geloofs is een oppermachtig middel en een zeer werkzaam tegenmiddel tegen aanvallen van vertraging in moeitevolle tijden. De geest des geloofs zal den geest van een mens onder zijn zwakheid ondersteunen, en gelijk de apostel David's voorbeeld ter navolging had, die zei: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, Psalm 116:10, zo laat hij ons een voorbeeld na, in de woorden: Zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook. Indien wij hulp en aanmoediging verkrijgen uit de goede woorden van anderen, moeten wij zorgen anderen ook een goed voorbeeld te geven. 2. De hoop der opstanding behoedt hen voor verzinken, vers 14. Zij wisten dat Christus opgestaan is en dat Zijn opstanding het onderpand en de verzekering van de hun was. Dit had hij in den brede behandeld in zijn eersten brief aan deze Corinthiërs, Hfdst 15.. En daarom was zijn hoop vast, wèl gefundeerd, dat Hij, die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook met Hem al Zijn leden opwekken zal. De hope der opstanding zal ons bemoedigen in het lijden en ons verheffen boven de vreze des doods, want welke reden heeft een Christen om den dood te vrezen, terwijl hij sterft in de hoop op een zalige opstanding?
3. Het besef van de heerlijkheid Gods en den zegen der gemeente, door hun lijden verkregen, behoedt hen voor vertraging, vers 15. Hun lijden was ten voordele der gemeente, Hoofdstuk 1:6, en droeg daardoor bij tot de heerlijkheid Gods. Want wanneer de gemeente gesticht wordt, wordt God verheerlijkt, en wij behoren wel gaarne ons lijden geduldig en zachtmoedig te dragen, wanneer wij zien dat anderen er te beter door worden, dat zij er door worden onderwezen en opgebouwd, bevestigd en vertroost. Het lijden van de dienaren van Christus, zowel als hun prediking en verkeer, wordt bestemd tot het welzijn der gemeente en ter heerlijkheid Gods.
4. De gedachte aan het voordeel, dat hun zielen door het lijden zouden oogsten, bewaarde hen voor vertragen. Hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag, vers 16. Merk hier op:
A. Ieder onzer heeft een uitwendigen en een inwendigen mens, een lichaam en een ziel.
B. Indien onze uitwendige mens verdorven wordt, daar is geen baat tegen, dat moet en zal geschieden, hij is gemaakt om te verderven.
C. Het is onze zaligheid indien het verdorven worden van den uitwendigen mens bijdraagt tot de vernieuwing van den inwendigen mens, zo uitwendige droefheid ons inwendig winste geeft, indien het lichaam is ziek, zwak en verdervend, dat dan de ziel krachtig en voorspoedig is. Ook de beste mensen hebben behoefte aan voortdurende vernieuwing van den inwendigen mens, zelfs van dag tot dag. Waar een goed werk begonnen is, daar is meer werk te doen om het vooruit te brengen. En gelijk in slechte mensen de dingen dagelijks erger worden, zo worden ze in godvrezende mensen dagelijks beter.
5. Het vooruitzicht van eeuwig leven en gelukzaligheid bewaarde hen voor vertragen, en was een krachtig middel en van groten troost. Merk op:
A. De apostel en zijn medearbeiders zagen dat hun beproevingen werkten voor de heerlijkheid. en dat ze daarin zouden eindigen, vers 17, en daarom wogen zij de dingen zuiver op de balans des heiligdoms, zij deden alsof de hemelse heerlijkheid in de ene schaal gelegd was en al hun aardse lijden in de andere, en dan de dingen in hun gedachten overwegende, vonden ze hun verdrukking licht, en de hemelse heerlijkheid van gans zeer uitnemend eeuwig gewicht. Het geloof bevond dat hetgeen het voorkomen had van zwaar en lang, grievend en pijnlijk te zijn, licht en kort was, en slechts enkele ogenblikken duurde. Aan de andere zijde: de waarde en het gewicht van de kroon der heerlijkheid, reeds zo uitnemend groot in zich zelven, en als zodanig ook door de gelovige ziel gewaardeerd, is al zijn woorden en gedachten overtreffende. En het zal ons van zeer groten steun in onze droefheid zijn, indien wij haar kunnen aanzien als het middel om ons voor te bereiden voor het genieten van de toekomende heerlijkheid. B.. Het geloof stelde hen instaat om een juist oordeel over de dingen te vormen. Wij aanmerken niet de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet, vers 18. Het is door geloof dat wij God zien, die de Onzienlijke is, Hebreeën 11:27, en door het geloof zien wij de onzichtbare hemel en hel, en het geloof is het bewijs der dingen, die men niet ziet. Er zijn onzichtbare dingen, zowel als zichtbare. Er is grote onderscheid tussen die beide: de onzichtbare dingen zijn eeuwig, maar de zichtbare zijn slechts tijdelijk of alleen tijdelijk. Door het geloof onderscheiden wij niet slechts die dingen, en het grote onderscheid dat er tussen bestaat, maar we leren ook de onzienlijke tot ons doel te stellen en die voornamelijk aan te zien, en dus tot ons plan en einddoel te maken, niet tegenwoordig kwaad te ontkomen en tijdelijk goed te verkrijgen, welke beide tijdelijk en voorbijgaand zijn, maar toekomstig kwaad te ontkomen en toekomstig goed te verwerven, welke, hoewel onzichtbaar, toch werkelijk, zeker en eeuwig zijn, en het geloof is de grond der dingen, die men hoopt, zowel als het bewijs der dingen, die men niet ziet.