Openbaring 5:6-14
I. De apostel ziet dat dit boek door den Heere Jezus Christus in handen genomen wordt ten einde het te ontzegelen. Van Christus wordt hier vermeld:
1. Zijn plaats. In het midden van den troon en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen. Hij was met den Vader in Zijnen troon, Hij was dichter bij den Vader dan de gemeente en ook dan de dienaren. Christus, als mens en Middelaar, is aan den Vader onderschikt, maar Hij is dichter bij Hem dan alle schepselen, want in Hem woont de volheid der Godheid lichamelijk. De dienaren staan tussen God en de gemeente. Christus staat als Middelaar tussen God en de dienaren en de gemeente.
2. Zijne gedaante. Hij werd tevoren genoemd een leeuw, maar Hij verschijnt als een lam staande als geslacht. Hij heeft als leeuw den Satan verslagen, en als lam aan Gods gerechtigheid voldaan. Hij verschijnt met de tekenen van Zijn lijden, om te tonen dat Hij in den hemel voor ons tussen treedt op grond van de door Hem aangebrachte voldoening. Hij verschijnt als een lam, hebbende zeven hoornen en zeven ogen, dat is volkomen macht om al den wil van God te volbrengen en volkomen wijsheid om dat op de beste wijze te doen, want Hij heeft de zeven Geesten Gods, Hij heeft den Heiligen Geest ontvangen zonder mate, in alle volkomenheid van licht en leven en macht, waardoor Hij instaat is alle landen der aarde te regeren en te onderwijzen.
3. Hij wordt verder beschreven naar Zijne werken. En Hij kwam en heeft het boek genomen uit de rechterhand desgenen, die op troon zat, vers 7, niet met geweld, en niet met bedrog, maar Hij was het waardig, vers 5. Het kwam Hem toe door Zijn verdienste en waardigheid, Hij deed het door gezag en aanwijzing Zijns Vaders. God gaf zeer gewillig en terecht het boek van Zijn eeuwige raadsbesluiten Christus in handen, en even bereid en verheugd nam Christus het aan, want het is Zijne blijdschap den wil Zijns Vaders te openbaren en te volbrengen.
II. De apostel bemerkt de algemene vreugde en dankbaarheid, die bij deze handeling hemel en aarde vervullen. Zodra Christus het boek uit de hand des Vaders ontvangen heeft, wordt Hem de toejuiching en de aanbidding van engelen en mensen, ja, van alle schepselen gebracht. En inderdaad, het is een reden van blijdschap voor de gehele wereld, te zien dat God met de mensen niet handelt in een weg van algehele macht en uitsluitende rechtvaardigheid, maar in een weg van genade en barmhartigheid door den Verlosser. Hij regeert de wereld niet enkel als Schepper en Wetgever, maar ook als onze God en Zaligmaker. De gehele wereld heeft reden om zich daarover te verheugen. De lofzang, die bij deze gelegenheid aan het Lam gebracht wordt, bestaat uit drie delen, het eerste gedeelte wordt door de gemeente gezongen, het tweede door de gemeente en de engelen, het derde door de gehele schepping.
1. De gemeente vangt met de lofverheffing aan, want zij is het meeste in het gebeurde betrokken, vers 8. De vier dieren en de vier en twintig ouderlingen, de Christelijke gemeente, aangevoerd door haar dienaren, leiden het koor. Merk hier op:
A. Het voorwerp van hun aanbidding. Het Lam, de Heere Jezus Christus. Het is de geopenbaarde wil van God, dat allen den Zoon zullen eren gelijk zij den Vader eren, want Hij heeft dezelfde natuur. B. Hun houding. Zij vielen voor Hem neer, gaven Hem geen ondergeschikte eer, maar brachten Hem de diepste aanbidding.
C. De instrumenten, die zij bij hun aanbidding gebruiken: Citeren en gouden fiolen, de citers waren muziekinstrumenten, de fiolen waren vol reukwerk, dat betekent de gebeden der heiligen. Gebed en lofzegging behoren altijd samen te gaan.
D. Het onderwerp van hun zang. Die was geëvenredigd aan den nieuwen toestand van de gemeente, den staat des Evangelies, door den Zoon tot aanzijn gebracht. In dit nieuwe gezang:
a. Zij erkennen de oneindige geschiktheid en waardigheid van den Heere Jezus voor het grote werk van het openen en uitvoeren van de raadsbesluiten en voornemens van God, vers 9. Gij zijt waardig het boek te nemen en zijne zegelen te openen, in alle opzichten bekwaam tot dat werk en die ere waardig.
b. Zij vermelden den grond en de reden van die waardigheid, en ofschoon zij de waardigheid van Zijn persoon als God niet uitsluiten, zonder welke Hij er niet toe bij machte zou geweest zijn, leggen zij den nadruk op de verdienste van Zijn lijden, dat Hij voor hen ondergaan had en dat hun zielen meer gevoelig met dankbaarheid en blijdschap vervult.
Ten eerste. Zij vermelden Zijn lijden: Gij zijt geslacht, geslacht als een slachtoffer, Uw bloed is vergoten.
Ten tweede. De gevolgen van dit lijden.
1. Verzoening met God. Christus heeft Zijn volk verlost van de slavernij der zonde, schuld, Satan, het verzoend met God, en het in vrijheid gesteld om Hem te dienen en zich in Hem verblijden.
2. Hoge verheffing: Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen heersen op de aarde, vers 10. Iedere vrijgekochte slaaf wordt niet onmiddellijk in ere gesteld, het is reeds een grote gunst dat hem de vrijheid gegeven werd. Maar terwijl de uitverkorenen van God, uit alle volken der wereld, door zonde en Satan tot slaven gemaakt waren, heeft Christus voor hen niet alleen de vrijheid verworven, maar de hoogste eer en onderscheiding, hen koningen en priesters gemaakt, koningen om te regeren over hun eigen geest, om de wereld en den boze te overwinnen, en priesters, hun toegang tot Hem zelven gegeven en vrijheid om geestelijke offeranden op te offeren. En zij zullen regeren op de aarde, zij zullen met Hem in den groten dag de wereld oordelen.
3. De lofverheffing, op die wijze door de gemeente aangevangen, wordt voortgezet door de engelen, zij zingen het tweede deel, in gemeenschap met de gemeente, vers 11. Zij worden vele genoemd, zij omringen den troon Gods en bewaken de gemeente. Ofschoon zij zelven geen Zaligmaker nodig hadden, verheugen zij zich in de verlossing en zaliging van zondaren, en zij stemmen met de gemeente samen in de erkenning van de oneindige verdiensten van den Heere Jezus door te sterven voor zondaren, dat Hij is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging, vers 12. Hij is die bediening en dat gezag waard, die de grootste macht en wijsheid, het grootste verstand en de grootste uitnemendheid vereisen om ze behoorlijk te vervullen. Hij is waardig alle eer, en heerlijkheid, en zegening, omdat Hij bekwaam is voor Zijne bediening en haar getrouw vervult.
4. Deze lofverheffing, begonnen door de gemeente, begeleid door de engelen, wordt herhaald en geëchood door de gehele schepping, vers 13. Hemel en aarde wedijveren samen in het prijzen van den Verlosser. De gehele schepping gaat het goed door Christus. Door Hem bestaan alle dingen, en alle schepselen, die verstand en taal hebben, zullen den Verlosser prijzen, die het schepsel verlost van de dienstbaarheid, waaronder het zucht door de verdorvenheid der mensen, en den rechtvaardigen vloek, welken de grote God over den val uitgesproken heeft. Het gedeelte van het lied, dat door de gehele schepping aangeheven wordt is als een refrein, een zang van dankzegging, eer, heerlijkheid en kracht.
A. Hem, die op den troon zit, aan God als God, God als Vader, als de eerste persoon in de Drie- eenheid en de eerste in de huishouding onzer zaligmaking:
B. En het Lam, als de tweede persoon in de Godheid en de Middelaar des Nieuwen Verbonds. Niet in dien zin dat de aanbidding van het Lam van anderen aard en ondergeschikt is, want juist dezelfde heerlijkheid en eer worden in dezelfde woorden toegeschreven aan het Lam en aan Hem, die op den troon zit. De inhoud is dezelfde, maar daar hun aandeel in het werk onzer verlossing onderscheiden is, worden zij ook onderscheiden aangebeden. Wij aanbidden en verheerlijken een en dezelfden God voor onze schepping en voor onze verlossing. Thans zien wij dat de gemeente, die het hemelse loflied aanhief, en hemel en aarde daaraan hoorde deelnemen, het geheel met haar Amen besluit, en eindigt zoals zij begon, met een nederige hulde aan den eeuwigen, onveranderlijken God. Met grote plechtigheid zagen wij dus het verzegelde boek overgaan uit de hand des Scheppers in die des Verlossers.