Job 12:6-11
Al de vrienden van Job hadden tot beginsel gesteld en aangenomen dat goddeloze mensen niet lang voorspoedig kunnen zijn in deze wereld, maar dat hen plotseling het een of ander merkwaardig oordeel treffen zal. Zofar had zijn rede besloten met deze verklaring: de ogen van de goddelozen zullen bezwijken, Hoofdst. 11:20. Job verklaart zich hier tegen dit beginsel en houdt staande dat God in Zijn beschikking van de uitwendige aangelegenheden van de mensen handelt als soeverein en de juiste uitdeling van beloning en straf bewaart voor de toekomstige staat.
I. Hij stelt vast als een ontwijfelbare waarheid, dat goddelozen voorspoedig kunnen zijn in deze wereld, en dit ook dikwijls zijn, vers 6. Zelfs grote zondaars kunnen grote voorspoed hebben.
Merk op:
1. Hoe hij de zondaars beschrijft: zij zijn rovers die God tergen, de ergste soort van zondaars, Godslasteraars en vervolgers. Misschien heeft hij het oog op de Sabeërs en Chaldeën, die hem beroofd hebben en altijd van buit en roof hebben geleefd, en toch voorspoedig zijn geweest. De gehele wereld zag dit en wat men met zijn zinnen waarneemt valt niet te betwisten, een waarneming van feiten is twintig denkbeelden waard, die slechts op gissing berusten. Of meer in het algemeen. Alle trotse verdrukkers zijn rovers en verwoesters. Er wordt ondersteld, dat hetgeen aan de mensen schade en nadeel toebrengt, tergend is voor God, de beschermer van recht, de beschermer van het mensdom. Het is niet vreemd dat zij, die het recht schenden, ook alle verplichtingen van de Godsdienst van zich afwerpen, God zelf trotseren en er niets in vinden om Hem te tergen.
2. Hoe hij hun voorspoed beschrijft: hij is zeer groot, want:
a. Zelfs hun tenten zijn voorspoedig, vers 1. Zij, die met hen leven, en zij, die na hen komen en die van hen afstammen. Het was alsof een zegen als erfgoed in hun geslachten was gekomen en hetgeen door onrecht verkregen werd, wordt soms bewaard en in stand gehouden voor de volgende geslachten.
b. Zij hebben rust, gevoelen niet slechts geen leed, maar vrezen er niet eens voor, zij duchten geen gevaar, hetzij van dreigende beschikkingen van Gods voorzienigheid of van een ontwaakt geweten. Maar zij die God tergen, zijn er met al hun gerustheid niet veiliger om.
c. In hun hand brengt God overvloedig. "Zij hebben meer dan hun hart kan begeren," Psalm 73:7. Zij hebben niet slechts het nodige, maar het aangename, niet slechts voor henzelf, maar voor anderen, niet slechts voor het tegenwoordige, maar ook voor later, en zij hebben het uit de hand van Gods voorzienigheid. God brengt hun overvloedig, en zo kunnen wij dus over der mensen Godsvrucht niet oordelen naar hun overvloed, noch over hetgeen in hun hart is naar hetgeen zij in hun hand hebben.
II. Voor het bewijs hiervan beroept hij zich op de lagere schepselen- op de dieren en de vogelen, op de bomen en zelfs op de aarde zelf, raadpleeg hen en zij zullen het u zeggen, vers 7, 8. Wij kunnen menige goede les van hen leren. Maar wat moeten zij ons hier leren? 1. Wij kunnen van hen leren dat de tenten van de rovers voorspoedig zijn. Dat is de mening van sommigen. Want,
a. Zelfs onder de dieren gebeurt het, dat de grote de kleine verslinden en de sterken azen op de zwakken, en mensen zijn als de vissen van de zee, Habakuk 1:14. Indien de zonde niet ingekomen was, dan zou er zo'n wanorde niet onder de schepselen geheerst hebben, dan zouden de wolf en het lam tezamen nederliggen.
b. Deze schepselen zijn dienstbaar aan goddeloze mensen en aldus tonen zij hun voorspoed. Vraagt aan de kudden van groot en klein vee aan wie zij behoren, en zij zullen u zeggen dat die rover, of deze verdrukker hun eigenaar is. De vissen en de vogelen zullen u zeggen, dat zij opgediend worden op de tafels van trotse zondaren, wier weelde zij voeden, voor hen brengt de aarde haar vruchten voort, Hoofdst. 9:24, en de gehele schepping zucht onder de last en de druk hunner tirannie, Romeinen 8:20, 22. Al de schepselen, die de goddeloze mensen misbruiken, door ze tot voedsel en brandstof van hun lusten te doen dienen, zullen op een andere dag tegen hen getuigen, Jakobus 5:3, 4.
2. Hieruit kunnen wij de wijsheid, macht en goedheid van God leren en van Zijn soevereine heerschappij, tot welke eenvoudige, klaarblijkelijke waarheid al deze moeilijk te begrijpen beschikkingen van de Voorzienigheid teruggebracht moeten worden. Zofar had er een grote verborgenheid van gemaakt, Hoofdst. 11:7. "Het is daar zo verre vandaan," zegt Job, "dat wij hetgeen wij nodig hebben te weten, zelfs van de mindere schepselen kunnen leren, want wie weet niet uit alle deze dat de hand des Heeren dit doet? vers 9. Dat kan iedereen uit het boek van de schepselen gewaar worden, namelijk dat er een wijze voorzienigheid Gods is, die al deze dingen leidt en bestuurt door regelen, waarmee wij niet bekend zijn en die wij niet bevoegd zijn te beoordelen." Van Gods soevereine heerschappij over Zijn schepselen moeten wij leren te berusten in al Zijn beschikkingen van de zaken van de kinderen van de mensen, al zouden zij ook ingaan tegen onze wensen en tegen de maatregelen, die wij genomen hebben.
III. Hij verklaart het alles door het volstrekte eigendomsrecht van God op Zijn schepselen vers 10. In wiens hand de ziel is van al wat leeft. Alle schepselen hebben hun bestaan van Hem, zijn het Hem verschuldigd, zijn van Hem afhankelijk voor het onderhouden ervan, zijn geheel en volstrekt in Zijn macht, onder Zijn bestuur en heerschappij, geheel en al tot Zijn beschikking en moeten op Zijn oproep hun leven overgeven. Alle zielen zijn Zijne, en mag Hij met het Zijne niet doen wat Hij wil? Hier wordt de naam Jehovah genoemd, vers 9, en het is de enige maal, dat wij hem ontmoeten in al de redenen van Job en zijn vrienden, want in alle tijd was God meer bekend onder de naam Shaddai, de Almachtige.
De woorden in vers 11 :Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt? kunnen genomen worden, hetzij als het slot van de voorafgaande rede of als de inleiding van hetgeen volgt. De geest des mensen heeft een even goed vermogen om te onderscheiden tussen waarheid en dwaling, als zij hem op juiste wijze worden voorgesteld, als het gehemelte om te onderscheiden tussen hetgeen zoet en bitter is. Daarom eist hij van zijn vrienden de vrijheid om voor zichzelf te oordelen over hetgeen zij gezegd hebben, en verlangt dat zij dezelfde vrijheid zullen gebruiken om te oordelen over hetgeen hij gezegd heeft, ja hij schijnt een beroep te doen op het onpartijdig oordeel van wie het ook zij in deze twistzaak, laat het oor de woorden proeven die er van beide zijden gesproken zijn, en dan zal men zien, dat aan zijn zijde het recht is. Het oor moet de woorden proeven, eer het hart er mee instemt. Gelijk wij door de smaak oordelen welk voedsel gezond of niet gezond is voor het lichaam, zo moeten wij door de geest des onderscheids oordelen welke leer goed en gezond is, en welke niet, 1 Corinthiers 10:15, 11:13.