11. De slaap des arbeiders, die in zijnen arbeid Gods gebod gehoorzaamt is zoet, want hij blijft meestal van kwellende zorgen, die den rijke treffen bevrijd, en zijn vermoeid maar tevens door den geregelden arbeid gezond en krachtig geworden lichaam doet hem gemakkelijk den slaap vatten; hij hebbe weinig of veel gegeten, maar de zatheid des rijken laat hem niet slapen, hetzij dat het onmatig gebruik van spijs hem dit belet, hetzij dat de zorg, om zijne goederen, waaraan zijn hart kleeft, te behouden, hem den slaap uit de ogen weert.
Hoe kan hij slapen, die zijn goud moet bewaken; die voor verliezen vreest en op winst jacht maakt; die renten berekent en hypotheken telt? Hij geeft geen acht op die grenzen, die de natuur hem stelt; de afwisseling, die de slaap hem aanbiedt, kent hij niet; de begeerlijkheid houdt hem wakker, de poging om het eigendom van anderen te verkrijgen maakt hem onrustig; de nijd pijnigt hem, als hij niet snel genoeg in rijkdom toeneemt; de geringe opbrengst van den rijken voorraad doet hem ontstellen, en de ook bij anderen heersende overvloed verontrust hem, God zelf laat hem niet eens toe, dat hij slaapt, maar maakt den slapende wakker. Hij gunt zich zelf evenmin rust, want zelfs de rijke opbrengst der vruchten verontrust hem en hij klaagt als een arme: "Wat zal ik doen?" zegt hij. Zijn dat niet de woorden eens armen, die niets heeft om van te leven..
De slaap des lichaams is ene gave Gods. In dien zin sprak ook Homerus, toen hij hem voorstelde als nederdalende uit de wolken en rustende op de tenten der krijgers rondom Troje. De slaap is ene gave Gods. Wij menen soms, dat het genoeg is, ons hoofd op het kussen neer te vleien, om enen gerusten slaap te genieten. Maar dit is niet zo; geen mens zou inslapen, indien God zelf hem niet de oogleden toesloot en alle kwellende zorgen en gedachten van hem wegnam. Hebt gij het niet gekend, wat het is, zich te vergeefs op zijn bed te keren en te wenden, zonder den slaap te kunnen vatten? Gij meent, dat gij, door uwen geest op een bepaald punt te vestigen, eindelijk zult inslapen, maar het mislukt u, er zijn duizend dingen, die u in wilde orde door het hoofd gaan en wakende houden. De slaap, die beste van alle geneesmiddelen, die den vermoeide naar het lichaam en dikwijls ook naar de ziel nieuwe krachten schenkt, is ene gave Gods, en ene gave aan allen, rijken en armen. Hij is niet het bijzonder voorrecht der rijken, ja indien er onderscheid is, dan heeft de arme een groteren zegen in dit opzicht; want de slaap des arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten. Welk een zegen heeft de mens dan niet in den slaap van God ontvangen! Hij misbruike dien zegen niet..