Job 1:13-19
Wij hebben hier een nauwkeurig bericht van de rampen, die Job getroffen hebben.
I. Satan bracht ze over hem op de eigen dag, dat zijn kinderen hun feestmaaltijden gingen houden, beginnende in het huis van hun oudsten broeder, vers 13, waar het onthaal, daar hij (naar wij kunnen onderstellen het dubbele deel had) het rijkst en overvloedigst was. Het gehele gezin was ongetwijfeld volkomen in rust, allen waren op hun gemak, niemand dacht aan kwaad of beroering, en deze tijd juist, nu zij hun oude gewoonten volgden, koos Satan, opdat de ramp zoveel zwaarder zou treffen.
II. Al die rampen treffen hem tegelijk, terwijl de ene bode van kwade tijding nog sprak, kwam een ander, en eer deze zijn verhaal ten einde had gebracht, kwam een derde, terstond gevolgd door een vierde. Aldus heeft Satan het onder toelating Gods geschikt:
1. Opdat er in die rampen een meer dan gewoon misnoegen van God op hem zou schijnen te zijn, en hij er door verbitterd zou worden op de Goddelijke voorzienigheid, alsof deze besloten was hem terecht of ten onrechte in het verderf te storten, zonder hem tijd te laten zich te verdedigen.
2. Opdat hij geen tijd of gelegenheid zou hebben om zich te bezinnen, en door met zichzelf te redeneren zich tot Godvruchtige onderworpenheid te brengen, maar onder deze opeenvolging van rampen overstelpt en overmeesterd zou worden. Als hij geen tijd heeft om een ogenblik stil te staan, dan zal hij allicht spreken in zijn haasten, en, indien ooit, zal hij dan zijn God vloeken. De kinderen Gods zijn dikwijls bedroefd door menigerlei verzoekingen, de afgrond roept tot de afgrond, baren en golven gaan over hen heen. Laat dan de ene beproeving ons opwekken en helpen om ons te bereiden voor een andere, want hoeveel wij ook uit de bitteren beker gedronken hebben, zolang wij in deze wereld zijn, kunnen wij er niet zeker van zijn dat wij er ons volle deel van gedronken hebben, en dat hij ons eindelijk zal voorbijgaan.
3. Zij ontnamen hem alles wat hij had, en maakten een einde aan zijn genietingen. De bijzonderheden van hetgeen hij verloor beantwoorden aan de vorige opgave van zijn bezittingen.
A. Hij had vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen, en een voldoend aantal knechten om ze te verzorgen, en die allen verloor hij tegelijk, vers 14, 15.
a. Het bericht, dat hij er van ontving, doet hem weten dat het niet door onachtzaamheid van zijn dienstknechten was, dat hij deze verliezen leed, want dan zou zijn toorn zich aan hen lucht hebben kunnen geven, de ossen waren ploegende, niet spelende, en zij hadden de ezelinnen niet laten wegdwalen, zodat zij als onbeheerd goed gevonden en weggenomen werden, maar naast hen, aan hun zijden weidende, onder het oog van de knechten, ieder op zijn plaats, en die voorbijgingen hebben hen, naar wij kunnen veronderstellen, gezegend, zeggende: God make de ploeg voorspoedig! Al onze voorzichtigheid, zorg en vlijt kunnen ons niet voor beproeving bewaren, neen, ook niet voor die beproevingen, welke gewoonlijk door onvoorzichtigheid of onachtzaamheid veroorzaakt worden. Zo de Heere de stad niet bewaakt, tevergeefs waakt de wachter, al is hij ook nog zo waakzaam, maar het is ons tot troost in ons leed, dat wij op de weg van onze plicht waren, en op generlei bijpad, toen de ramp ons trof. b. Dat het door de boosheid was van zijn naburen, de Sabeërs, een soort van rovers misschien, die van roof en plundering leefden, zij voerden de ossen en ezelinnen weg, en doodden de dienstknechten, die getrouw en kloekmoedig hun best gedaan hebben om het eigendom van hun meester te verdedigen. Eén slechts ontkwam, niet uit vriendelijkheid voor hem of zijn meester, maar opdat Job er het stellige bericht van zou ontvangen door een ooggetuige, eer hij het door een los gerucht vernam, dat hem als het ware de ramp meer trapsgewijze zou hebben te kennen gegeven. Wij hebben geen reden om te vermoeden dat, hetzij Job of zijn dienstknechten, aan deze Sabeërs enigerlei aanleiding hebben gegeven om deze vijandelijker inval te doen, Satan gaf het hun in het hart, en daarmee heeft hij een dubbel doel bereikt, want hij deed er Job door lijden, en hen heeft hij doen zondigen. Als God aan Satan toelaat om kwaad te doen, dan zal het hem niet moeilijk vallen om boze mensen te vinden, die hij als werktuigen er voor gebruiken kan want hij is een geest, die werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid.
B. Hij had zeven duizend schapen, en herders om ze te hoeden, en die allen verloor hij tegelijk door het bliksemvuur, vers 16. Job was misschien in zijn hart reeds gereed smadelijk uit te varen tegen de Sabeërs wegens hun onrechtvaardigheid en wreedheid, toen het volgende bericht hem er toe leidde om opwaarts te zien: het vuur Gods viel uit de hemel. Gelijk de donder Gods stem is, zo is de bliksem Zijn vuur, maar dit was zo buitengewone bliksem en zo direct tegen Job gericht dat al zijn schapen en schaapherders er niet alleen door gedood, maar er door verteerd werden, en slechts een herder in het leven werd gelaten, om het de ongelukkige Job aan te zeggen. Daar het doel van de duivel was om Job er toe te brengen God te vloeken en zijn Godsdienst te verzaken, is hij bij dit deel van de beproeving met veel list en behendigheid te werk gegaan.
a. Zijn schapen, waarmee hij zeer bijzonder God placht te eren in offeranden, werden hem allen ontnomen, alsof God vertoornd was wegens zijn offers en hem wilde straffen in dezelfde dingen, die hij gebruikt had in Zijn dienst. Job aan God voorgesteld hebbende als een valse dienstknecht, ingevolge van zijn oud plan om hemel en aarde onenig te maken, stelt hij nu hier God aan Job voor als een harde meester, die deze kudde schapen niet wilde beschermen, uit welke hij Hem zoveel brandoffers had geofferd. Dit zal Job nu in verzoeking brengen om te zeggen: Het is tevergeefs om God te dienen.
b. De bode noemde de bliksem het vuur Gods, en deed dit in zijn onschuld, maar Satan heeft er misschien mee bedoeld om de gedachte bij hem te doen postvatten, dat God hem in een vijand was verkeerd en tegen hem streed, hetgeen een zwaarder leed voor hem was, dan het onrecht dat de Sabeërs hem hadden aangedaan. Hij erkent, Hoofdst. 31:23, dat het verderf Gods bij hem een schrik was. Hoe schrikkelijk waren dan de tijdingen niet van dit verderf, dat onmiddellijk van de hand Gods kwam! Indien het vuur van de hemel de schapen had verteerd op het altaar, hij zou het als een teken van Gods gunst beschouwd kunnen hebben, maar dit vuur, hen verterende in de weide, kon hij het niet anders dan als een teken van Gods misnoegen aanzien, iets dergelijks was niet geschied sedert Sodom verbrand werd.
C. Hij had drie duizend kamelen, en dienstknechten om die te verzorgen en allen verloor hij tegelijkertijd door de Chaldeen, die in drie benden kwamen en ze wegvoerden, en de dienstknechten doodden, vers 17. Indien het vuur Gods, dat op Jobs trouwe dienstknechten viel, die zich op de weg van hun plicht bevonden, op de Sabese en Chaldeeuwse rovers was gevallen, die kwaad deden, Gods oordelen hierin zouden als de grote bergen zijn geweest, duidelijk merkbaar voor ieders oog, maar als de weg van de goddelozen voorspoedig is, en zij hun buit wegdragen, als rechtvaardige, Godvrezende mensen plotseling gedood worden, dan is Gods gerechtigheid als een grote afgrond, waarvan wij de bodem niet kunnen zien, Psalm 36:7.
D. Zijn dierbaarste en kostbaarste bezittingen waren zijn tien kinderen, en om nu het treurspel ten einde te brengen wordt hem terzelfder tijd bericht gebracht, dat zij gedood waren en begraven lagen onder de puinhopen van het huis, waarin zij hun maaltijd hielden, evenals al hun dienaren, behalve één, die de tijding er van bracht, vers 18, 19. Dat was het zwaarste van al de verliezen. die Job leed, en dat hem wel het diepst en smartelijkst moest treffen, en daarom heeft de duivel het voor het laatst bewaard opdat, zo de andere onheilen faalden, dit er hem toch toe zou brengen om God te vloeken. Onze kinderen zijn een deel van onszelf, het is zeer hard van hen te scheiden het treft een Godvruchtige in het hart. Maar van hen allen tegelijk te scheiden, en dat zij allen in een ogenblik worden afgesneden, die gedurende zoveel jaren zijn zorg en zijn hoop zijn geweest, dat voorwaar, was hem een vlijmende smart.
a. Zij stierven allen tegelijk. David, hoewel hij een wijs en Godvruchtig man was, was uiterst ontsteld door de dood van een zoon, hoe hard moet het dan niet voor de arme Job geweest zijn, om hen allen te verliezen, in een ogenblik kinderloos te zijn aangeschreven!
b. Zij stierven plotseling. Indien zij door de een of andere kwijnende ziekte waren weggenomen. dan zou hij gewaarschuwd zijn geweest om hun dood te verwachten en zich hebben kunnen voorbereiden op de scheiding, maar nu werd hij zonder de minste wenk of waarschuwing er door overvallen.
c. Zij stierven, toen zij hun maaltijd hielden en zich vrolijk maakten. Indien zij plotseling gestorven waren, terwijl zij baden, hij zou het beter hebben kunnen dragen, hij zou gehoopt hebben dat de dood hen in een goede gemoedsstemming vond, indien hun bloed gemengd ware geworden met dat van hun offeranden, maar dat het gemengd werd met hun feestmaaltijd, wanneer hij zelf in zorg en angst over hen placht te wezen, dat zij hadden gezondigd, God in hun hart hadden gevloekt, dat die dag hen overviel als een dief in de nacht, toen wellicht door overmatig eten en drinken hoofd en hart niet in de beste orde bij hen waren, het kon niet anders of dit moest zijn smart over hun verlies nog grotelijks vermeerderen, in aanmerking genomen de tere zorg, die hij altijd voor de ziel van zijn kinderen gehad heeft, en dat zij nu buiten het bereik waren van de offeranden, die hij voor hen placht te offeren naar hun aller getal. Zie hoe alle ding allen gelijk wedervaart. Voor Jobs kinderen werd voortdurend door hun vader gebeden, zij leefden in liefde en eendracht onder elkaar, en toch zijn zij aldus tot een ontijdig einde gekomen.
d. Zij stierven door een wind, verwekt door de duivel, die "de overste" "is van de macht van de lucht," Efeziers 2:2, maar het werd gehouden voor de onmiddellijke hand van God en een teken van Zijn toorn. Aldus werd het door Bildad opgevat, Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand van hun overtreding geworpen.
e. Zij werden weggenomen toen hij hen het meest nodig had om hem onder al zijn verliezen te troosten. Zulke ellendige vertroosters zijn alle schepselen, alleen in God hebben wij ten allen tijde hulp en troost in benauwdheden.