6. Door goedertierenheid en trouw jegens den naaste, als zekere tekenen van een boetvaardig en gelovig hart, wordt de misdaad verzoend 1), want zulk een hart neemt de beloofde genade Gods aan; en door de vreze des HEEREN 2) wijkt men af van het kwade, zowel van de zonde als hare gevolgen, den toorn van God en allerlei ongeluk (
Lukas 7:47. 7:47
Jesaja 58:7.
Daniël 4:24.
Spreuken 10:12;
8:13.
Job 28:28).
1) Het geloof is niet waardoor men gerechtvaardigd wordt, als verdienende oorzaak, maar wel is het het geloof, hetwelk rechtvaardigt, (mon fides, qua justificat, ses fides, quae justificat). En dit wordt hier uitgesproken. Goedertierenheid en trouw zijn bewijzen van een levend gemaakte ziele, van een begenadigd gemoed, en daardoor wordt het openbaar, dat de zonde is verzoend. Er wordt hier gewezen op de vrucht des geloofs en der bekering. Van daar ook in het tweede gedeelte dat door de vreze des Heeren men van het kwade afwijkt.
2) Onder vreze des Heeren wordt hier, de ware Godsverering naar het geopenbaarde Woord Gods, door ene boetvaardige en gelovige gezindheid des harten, die zich terstond als liefde en waarheid openbaart, verstaan..