Jeremia 9:1-11
De profeet heeft last, beide, om het verderf, dat over Juda en Jeruzalem komt, te voorspellen en de zonde te noemen, waarom dat verderf over hen gebracht werd, en spreekt, hier als elders, met veel gevoel, over beide, wat hij zei, kwam uit zijn hart, en daarom zou men gedacht hebben, dat het ook tot de harten zou doordringen.
I. Hij geeft zich over aan de smart, om de jammerlijke toestand van zijn volk, die hij innig betreurt, als één, die Jeruzalem stelde boven zijn grootste genot en haar bezwaren boven zijn diepste smart.
1. Hij betreurt de slachting onder de mensen, het vergoten bloed en de levens, die verloren zijn gegaan, vers 1. "Och, dat mijn hoofd water ware, versmolten en opgelost in smart, zodat mijn oog een springader van tranen was, overvloedig, voortdurend en onophoudelijk wenende, en bij iedere nieuwe aanleiding nieuwe stromen van banen vergietende!" In het Hebreeuws betekent hetzelfde woord oog en fontein, alsof in dat land van de smart het oog meer bestemd was om te wenen dan om te zien. Jeremia weende veel, en toch wenste hij, dat hij meer kon wenen, om een stompzinnig volk te treffen en het op te wekken tot recht verstand, dat Gods hand tegen hen was.
Merk op: Het past ons, zolang wij hier in dit tranendal zijn, ons te schikken naar de aard van het klimaat en in tranen te zaaien. "Zalig zijn die treuren, want zij zullen hiernamaals vertroost worden, " maar zolang zij hier zijn, moeten zij verwachten, dat de wolken na de regen steeds terugkeren. Zolang ons hart zo'n springader van zonde is, is het niet meer dan billijk, dat ons oog een springader van tranen is. Maar Jeremia's smart geldt hier `t algemeen, hij zou dag en nacht willen wenen, niet zozeer om de dood van zijn naaste verwanten, maar om de verslagenen van de dochter zijns volks, de menigte van zijn landgenoten, die door het oorlogszwaard vielen.
Merk op: Als wij horen van de menigte van de verslagenen in grote veldslagen en belegeringen, behoren wij ons dat nieuws zeer aan te trekken, en het niet luchthartig op te nemen, ja, ook als ze niet van de dochter van ons volk zijn, want, van welk volk zij ook zijn, zij hebben dezelfde menselijke natuur als wij en er zijn zoveel kostbare levens verloren, die hun zo lief zijn, als ons het onze, en zoveel kostbare zielen naar de eeuwigheid gegaan.
2. Hij klaagt over de verwoesting van het land. Dit voegt hij tussenin, want hartstochtelijke rouwdragers zijn meestal niet zeer systematisch in hun redeneringen. "Niet alleen steden en plaatsen, maar over de bergen, zal ik een geween en een weeklacht opheffen", ( geen naakte rotsen, maar de vruchtbare heuvels, waar Judea vol van was), en over herdershutten van de woestijn, of liever de weiden van de vlakte, die steeds met kudden bekleed waren, of bedekt met koren, en een edel gezicht was het, maar nu zijn zij verbrand door het leger van de Chaldeën (dat, naar krijgsgebruik, al wat te velde stond, vernielde en het vee wegvoerde), zodat niemand er langs durft te gaan, uit vrees, vijandelijke benden te ontmoeten, niemand gaat er graag door, alles ziet er zo treurig en schrikwekkend uit, niemand heeft nodig er door te gaan, want men hoort er geen stem van vee als gewoonlijk, het geblaat van de schapen en het geloei van de ossen, dat als muziek is in de oren van de eigenaars, ja, van de vogelen des hemels aan tot de beesten toe, zijn zij weggezworven, verschrikt door de rauwe geluiden en vreselijke vuren, die de vijanden ontsteken, of gedwongen door het gebrek aan voedsel. Merk op, God heeft vele middelen om een vruchtbaar land in een woestenij te veranderen vanwege de goddeloosheid van zijn inwoners, en de verwoesting, die de oorlog in een land teweeg brengt, kan niet anders dan reden geven tot klachten aan tedere gemoederen, want het is een treurspel, dat het toneel verwoest, waar het opgevoerd wordt.
II. Hij geeft zich over aan de eenzaamheid, om het schandelijk karakter en gedrag van zijn volk. Hoewel hij woont in Juda, waar God bekend is, in Salem, waar Zijn tabernakel is, zou hij toch willen uitroepen: "O wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech," Psalm 120:5. Terwijl al zijn naburen op de vlucht zijn naar de versterkte steden, en Jeruzalem in `t bizonder, uit vrees voor de woede van de vijanden, Hoofdstuk 4:5, 6, tracht hij zich terug te trekken in een of andere woestijn, in verfoeiing van de zonde zijns volks, vers 2. "Och, dat ik in de woestijn een herberg van de wandelaars had, een eenzame hut, zoals er in de woestijnen van Arabië zijn, onbewoond en ten diepste van doortrekkende reizigers, zo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken!" Niet alleen om de mishandeling, die ze hem aandeden (hij wilde zich liever wagen onder de wilde dieren van de woestijn dan onder zo'n verraderlijk, wreed volk), maar voornamelijk, omdat zijn "rechtvaardige ziel dag aan dag gekweld werd," als die van Lot in Sodom, door "hun goddeloze werken," 2 Petrus 2:7,8. De bedoeling of de conclusie was niet, dat hij zich aldus moest terugtrekken. God had hem werk onder hen besteld, dat hij niet in de steek mocht laten voor zijn eigen gemak. Wij mogen niet voor onze tijd uit de wereld gaan zo slecht als zij is. Kon hij hen al niet verbeteren, hij kon toch tegen hen getuigen, kon hij al geen goed doen aan velen, dan toch aan sommigen. Maar het beeldt de verzoeking af, waarin hij was om het te verlaten, en bevat een bedreiging, dat zij van zijn bediening zouden beroofd worden, en drukt in `t bizonder de heilige verontwaardiging uit, die hij voedde tegen hun gruwelijke goddeloosheid, die geen eind nam niettegenstaande al de moeite die hij gedaan had om hen op het rechte pad te brengen. Het maakte hem zelfs levensmoede, te zien hoe ze God oneer aandeden en zichzelf in `t verderf stortten. Er was een tijd, toen de plaats, die God gekozen had om er Zijn naam te zetten, de begeerte en het genot was van goede mensen. In de wildernis verlangde David om weer in de hoven van Gods huis te zijn: maar hier wenst Jeremia, in de hoven van Gods huis (want daar was hij, toen hij dit zei), dat hij in de woestijn was. Die Gods volk en dienaren zat maakten van hen en verlangend om van hen weg te komen, hebben zichzelf zeer ongelukkig gemaakt. Om nu zijn verlangen om hen te verlaten, te rechtvaardigen, toont hij hun,
1. Wat hij zelf onder hen had opgemerkt.
A. Hij wilde er niet aan denken hen te verlaten, omdat zij arm en ellendig waren, maar, omdat zij goddeloos waren.
a. Zij waren vuil: "Zij zijn allen overspelers," dat wil zeggen, zij zijn het in `t algemeen, Hoofdstuk 5:8. Zij bedreven allen deze zonde of zagen door de vingers, dat anderen het deden. Wulpsheid en onreinheid vormden die schreiende zonde van Sodom, waardoor de ziel van de rechtvaardige Lot gekweld werd, en het is een zonde, die de mensen walgelijk maakt in het oog van alle goede mensen, ze maakt mensen tot een gruwel.
b. Zij waren vals. Dit is de zonde, waar hier het meest over uitgeweid wordt. Die ontrouw geweest waren aan hun God waren dat ook aan elkaar, en het was een deel van hun straf zowel als van hun zonde, want ook zij, die zelf graag bedriegen, hebben een afkeer van bedrogen te worden. Ten eerste. Ga in hun plechtige samenkomsten tot godsdienstoefening, voor de rechtspraak, of voor de handel-naar de kerk, naar het hof, of naar de beurs-en zij zijn een trouwloze hoop, zij zijn het bij onderling goedvinden, zij sterken elkanders handen in alle bedrieglijke handelingen. Daar zullen zij bedriegen, opzettelijk en naarstiglijk, met een bedoeling, met een boosaardige bedoeling, want zij spannen hun tong als hun boog tot leugen, met veel overleg, hun tongen zijn vaardig tot leugen, zoals een boog, die gespannen is om te schieten, en worden even vast voor dit doel gebruikt. Hun tong buigt even natuurlijk tot een leugen als de boog tot het koord. Zij worden geweldig in het land, doch niet tot waarheid. Hun tongen zijn gespannen als een boog, waarmee zij goede dienst konden doen, als zij de kunst, waarin zij zulke meesters zijn, met dezelfde standvastigheid wilden gebruiken ten dienste van de waarheid, maar dat willen zij niet. Zij treden niet op ter verdediging van Gods waarheden, die hun waren overgebracht door de profeten, maar ook zij, die niet konden loochenen, dat het waarheden waren, vonden het goed, dat zij vertreden werden. Bij de rechtsbedeling hebben zij geen moed om een eerlijke zaak te steunen, die het recht aan haar zijde heeft, als grootheid en macht zich aan de andere zijde bevinden. Die aan de waarheid getrouw willen zijn, moeten er geweldig toe zijn, en niet bevreesd zijn voor de tegenstand, die er aangeboden wordt, noch vrezen voor het aangezicht van de mensen. "Zij worden geweldig in het land, maar niet tot waarheid," het land, welks roem de waarheid is. De waarheid is gestruikeld in het land, en zij durven haar de hand niet te reiken om haar overeind te helpen, Jesaja 59:14,15. Eens zullen wij niet alleen onze vijandschap en onze tegenstand tegen de waarheid, maar ook onze lafheid bij haar verdediging, moeten verantwoorden.
In de tweede plaats, treed de familiekring binnen, en gij zult bevinden, dat zij hun eigen broeders bedriegen elke broeder doet niet dan bedriegen, zij zullen elkaar de hielen lichten, als zij kunnen, want zij liggen op de loer om alle voordelen te behalen op hen, die ze hopen te kunnen plukken. Jakob kreeg zijn naam om zijn bedriegen, dat is het woord, dat hier gebruikt wordt, zij volgden hem na in zijn naam, maar niet in zijn ware karakter, zonder bedrog. Zo door en door vals zijn zij, dat een broeder niet te vertrouwen is, maar men tegen hen evenzeer op zijn hoede moet zijn, als wanneer men met een vreemde handelt, met een Kanaäniet, die een bedrieglijke weegschaal in zijn hand heeft. Het is er slecht mee gesteld, als iemand in zijn eigen broeder geen vertrouwen stellen kan.
In de derde plaats. Ga in gezelschap en let op hun handel en wandel, en gij zult bevinden, dat er geen oprechtheid, geen alledaagse eerlijkheid zelfs, onder hen is. Nec hospes ab hospite tutus- "De gast en de gastheer lopen gevaar van elkaar". De beste raad, die een wijze u geven kan, is, dat ieder op zijn hoede zij tegen zijn buurman, ja, tegen zijn vriend (zoals sommigen lezen), tegen hem, die hij vriendschap bewezen heeft, en die vriendschap jegens hem voorwendt. Niemand rekent zich verplicht om dankbaar of oprecht te zijn. Let op hun gesprekken, en elke vriend wandelt in achterklap, het is hun hetzelfde hoeveel kwaad zij van elkaar zeggen, hoe vals het ook is, de weg, die de achterklap gaat, gaan zij ook, zij wandelen in achterklap. Ook gaan zij rond van huis tot huis, de laster met zich voerende, en alle boosaardige praatjes, die zij kunnen opdoen of uitvinden om kwaad te stichten. Let op hun kopen en verkopen, en zij handelen bedrieglijk een ieder met zijn vriend, als het voordelig is, zeggen zij maar alles, hoe vals ook. Ja, zij liegen om te liegen, om hun tong in oefening te houden, want zij willen de waarheid niet spreken, maar vertellen opzettelijk een leugen, en lachen er om, als zij het gedaan hebben.
B. Wat de zonde van dit vals en leugenachtig geslacht verzwaart, is, a. Dat zij vindingrijk zijn in de zonde: Zij leren hun tong leugen spreken, wat betekent, dat zij, door de tegenstand van hun natuurlijk geweten, het moeilijk vonden, zich er toe te brengen. Hun tong zou de waarheid gesproken hebben, maar zij leren haar leugen te spreken, en zijn gaandeweg meesters geworden in de kunst van liegen, en zijn het zo gewoon, dat de gewoonte het hun tot een tweede natuur heeft gemaakt. Zij leerden het, toen zij jong waren "want de goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder af aan, de leugensprekers dolen van moeders buik aan," Psalm 58:4), en nu zijn zij er bedreven in geworden.
b. Dat zij naarstig zijn in de zonde: Zij maken zich moe met verkeerd te handelen, zij oefenen geweld uit op hun geweten om er zich zelf toe te brengen, zij putten hun overtuigingen uit door ze voortdurend geweld aan te doen, en zij halen zich zeer veel moeite op de hals, totdat zij zich opgewerkt hebben met hun boosaardige plannen uit te voeren. Zij zijn vermoeid door hun zondig streven en toch zijn zij het niet moede. De dienst van de zonde is een volmaakte tredmolen, men loopt er zich buiten adem, en verricht de zwaarste arbeid om zijn eigen ziel te verdoemen.
c. Dat zij van kwaad tot erger komen, vers 3 :Zij gaan voort van boosheid tot boosheid, van de ene zonde tot de andere, van de ene trap van de zonde tot de andere. Zij beginnen met geringere zonden. Nemo repente fit turpissimus-Niemand bereikt ineens het toppunt van ondeugd. Zij begonnen met niet nauwgezet te zijn, en met scherts, maar ten slotte kwamen zij ertoe rechtstreeks te liegen. En nu gaan zij voort tot nog groter zonden, want zij kennen Mij niet, zegt de Heer, en waar men geen kennis heeft van God en geen eerbied voor wat men van Hem weet, wat is daar voor goeds te verwachten? De onkunde van de mensen van God is de oorzaak van al hun boosheden tegen elkaar.
2. De profeet toont wat God hem van hun goddeloosheid had meegedeeld, en wat hij tegen hen besloten had.
a. God had hun zonde opgemerkt. Hij kon de profeet vertellen (en hij spreekt er over in beklag) wat soort van mensen het waren waarmee hij te doen had. "Ik weet uw werken en waar gij woont," Openbaring 2:13. Zo hier, vers 6 :"Uw woning is in het midden van bedrog, allen, die bij u zijn, zijn er aan overgegeven, daarom wees op uw hoede." Als alle mensen leugenaars zijn, is het zaak ons te wachten voor de mensen, en voorzichtig te zijn als de slangen. Het zijn bedrieglijke mensen, daarom is er weinig hoop, dat gij enig goed onder hen zult doen, want hoe klaar gij de dingen ook maakt, zij hebben altijd een of andere uitvlucht om aan hun overtuiging te ontsnappen. Over deze beschuldiging wordt uitgeweid, vers 8. Hun tong was een gespannen boog, vers 3, boosheid beramende, hier is het een moordpijl, uitvoerende wat zij beraamd hadden. Het is een moordpijl, hun tong is voor velen het werktuig tot hun dood geweest. Zij spreken vreedzaam tot hun buren, tegen wie zij terzelfder tijd op de loer liggen, zoals Joab Abner kuste, toen hij gereed stond hem te doden, en Kaïn vrij en vertrouwelijk met zijn broeder sprak, om niet verdacht te worden van boze plannen.
Merk op: Schone woorden, die niet vergezeld worden van goede bedoelingen, zijn verachtelijk, als zij bedoeld zijn als dekmantel voor goddeloze plannen, zijn zij gruwelijk. En terwijl zij elkaar al dit onrecht aandeden, deden zij God grote oneer aan: "Niet alleen kennen zij Mij niet, maar vers 6, door bedrog, door de voorspiegelingen van hun valse profeten, weigeren zij Mij te kennen, zij hebben zichzelf bedrogen, totdat zij overtuigd zijn van de rechtheid van hun wegen, de wegen van hun eigen hart, dat zij niet verlangen naar de kennis van Mijn wegen. Zij zijn zo zeer verbonden aan de zondige baan die zij bewandelen, en er zo door betoverd om zijn voordelen, dat zij in geen geval de kennis van God willen toelaten, omdat dat een belemmering zou zijn voor hun zonden. Dit is het verderf van de zondaars: men zou hun de welzalige kennis van de Heer kunnen leren en zij willen die niet leren, en wat goeds ken men verwachten daar, waar geen kennis van God is? Hosea 4:1.
3. Hij had hen uitgezocht voor het verderf, vers 7, 9,11. Zij, die God niet kennen als hun Wetgever, zullen Hem leren kennen als hun Rechter. God besluit hier Zijn oordelen over hen te brengen, tot loutering van sommigen en tot verderf van de anderen.
a. Sommigen zullen gelouterd worden, vers 7. Omdat zij zo verdorven zijn, zie, Ik zal ze smelten en zal ze beproeven, zal ze in moeite brengen en zien of dat helpt om hen tot berouw te brengen, of de oven of de beproeving hen zal zuiveren van schuim, en of, als ze gesmolten en opnieuw gegoten zijn, zij een betere vorm hebben. Hij zal eerst de proef nemen met minder zware rampen voor Hij een volkomen verderf over hen brengt, want Hij heeft geen lust in de dood van de zondaars. Zij zullen niet verworpen worden als verworpen zilver, voordat de smelter tevergeefs gesmolten heeft, Hoofdstuk 6:29, 30. Want hoe zou Ik anders doen ten aanzien van de dochter Mijns volk? Hij spreekt als Eén, die met Zichzelf overlegt, wat Hij tot hun bestwil doen zal, en als Eén, die het niet over Zijn hart kon krijgen hen te verstoten en aan het verderf over te geven, voordat Hij eerst alle middelen had beproefd, die hen tot berouw konden brengen. Of: "Hoe zou Ik anders te hunner aanzien doen?" Zij zijn zo diep bedorven, dat er geen ander middel voor hen is, dan ze in de oven te doen, wat is er meer aan hen te doen? Jesaja 5:4-5. "Het is de dochter Mijns volks" en ik moet iets doen om Mijn eer te handhaven, die aangetast zal worden, als Ik hun goddeloosheid door de vingers zie. Ik moet iets doen om hen op de rechte weg te brengen en te verbeteren." Een vader straft zijn eigen kinderen omdat zij zijn eigen kinderen zijn.
Merk op, als God Zijn volk bedroeft, dan is dat met de genadige bedoeling om hen toegankelijk te maken voor verbetering. Hij doet het alleen, als het nodig is en als Hij weet, dat het `t meest bruikbare middel is.
b. De anderen zullen omkomen, Jeremia 9:9. Zou Ik ze om deze dingen niet bezoeken? Bedrog en valsheid zijn zonden, die God zwaar bezoeken zal. Zou Mijn ziel zich niet wreken aan zo'n volk als dit is, dat wil zeggen, zo geheel bedorven, en, dat, door zijn onbeschaamdheid in de zonde, zelfs de goddelijke wraak tart en uitdaagt? Het vonnis is geveld, het besluit is uitgevaardigd, vers 11 :Ik zal Jeruzalem stellen tot steenhopen, en het zo geheel verwoesten dat het nergens toe dienen zal dan tot een woning van de draken, en de steden van Juda zullen tot verwoesting zijn. God stelt ze zo, want Hij geeft de vijand volmacht en kracht om het te doen, maar waarom is de heilige stad tot een steenhoop gesteld? Het antwoord is gereed. Omdat het onheilig is geworden.