Jeremia 52:24-30
Wij hebben hier een zeer treurig verhaal,
1. Van de slachting van sommige aanzienlijken in koelen bloede, te Ribla, tweeënzeventig in getal (naar het getal van de oudsten van Israël, Numeri 11:24, 25). Zij worden opgesomd in 2 Koningen 11:18, 19. Wij vinden daar: vijf uit de tempel, twee uit de stad, vijf van het hof, en zestig van het land. Het verhaal hier komt er mee overeen, op een uitzondering na, daar wordt gesproken van vijf en hier zijn het er zeven, die des "konings aangezicht zagen," wat Dr. Lightfoot aldus rijmt dat hij er zeven nam, maar twee er van weer losliet, namelijk Jeremia zelf en Ebed-Melech, zoals wij vroeger lazen, zodat er steeds vijf van hen ter dood gebracht werden, en het getal werd teruggebracht tot twee en zeventig, uit alle standen, want zij hadden het allen verdorven, het is waarschijnlijk, dat ten voorbeeld gesteld werden dezulken, die het meest hadden bijgedragen om tot rebellie tegen de koning van Babel aan te hitsen en ze te bevorderen. Seraja, de hoofdpriester wordt het eerst genoemd, zijn heilig ambt kon hem niet vrijwaren voor deze slag, hoe zou het ook, als hij zelf het door zonde ontheiligd had? Seraja, de vorst, was een vreedzaam vorst, Hoofdstuk 51:59 maar misschien was Seraja, de priester, het niet, maar onrustig en woelig waardoor hij zich bij de koning van Babel gehaat had gemaakt. De leiders van dit volk hadden hen doen dwalen, en nu worden zij op een bijzondere wijze tot gedenktekenen van de goddelijke rechtvaardigheid gemaakt.
2. Van de gevangenschap van de overigen. Kom en zie, hoe Juda gevankelijk uit zijn land werd weggevoerd, vers 27, en hoe ze het uitspuwde, zoals het de Kanaänieten had uitgespuwd, die voor hen gingen, wat God hen als zeker voorspeld had, in geval zij in hun voetstappen traden, en hun gruwelen navolgden Leviticus 18:28. Nu is hier een verhaal van twee wegvoeringen, waarvan wij reeds vroeger een verhaal vonden, een in het zevende jaar van Nebukadnezar (dezelfde, die wordt opgegeven voor het achtste jaar, 2 Koningen 24:1, en een in zijn achttiende jaar, dezelfde, die opgegeven wordt, vers 12, voor zijn negentiende jaar. Maar de getallen hier zijn zeer klein, In vergelijking met wat wij vinden opgegeven voor de eerste 2 Koningen 24:14, 16, namelijk achttien duizend weggevoerden, terwijl hier gesproken wordt van drie duizend drie en twintig, klein zijn zij ook in vergelijking met een redelijke schatting van de laatste, want, als al het overige des volks weggevoerd werd, vers 15, dan zou men toch denken, dat het aantal meer bedroeg dan achthonderd twee en dertig zielen, daarom veronderstelt Dr. Lightfoot, in verband met de terdoodbrenging van de aanzienlijken te Ribla, dat allen, die hier worden opgegeven als weggevoerd, ter dood gebracht werden als rebellen.
3. Van een derde wegvoering, tevoren niet vermeld, die plaats vond in het drie en twintigste jaar van Nebukadnezar, vier jaar na de verwoesting van Jeruzalem, vers 30 :toen kwam Nebuzaradan, en voerde weg 745 Joden, het is waarschijnlijk, dat dit gedaan werd als wraak voor de vermoording van Gedalja, die een nieuwe rebellie was tegen de koning van Babel, en dat degenen, die toen gevangen werden genomen de medeplichtigen en handlangers van Israël waren geweest bij die moord, en daarom niet alleen weggevoerd, maar ook ter dood gebracht worden, evenwel is dit niet zeker. Als dit het gehele aantal gevangenen is (het waren er 4600, vers 30), dan zien wij, hoe zonderling sterk zij verminderd waren, en wij moeten ons verwonderen, dat zij naderhand weer zo talrijk werden, als werkelijk het geval was, want het scheen wel, dat, zoals eerst in Egypte, ook nu weer in Babel, de Heere hen vruchtbaar maakte in het land hunner beproeving, en hoe meer ze onderdrukt werden, des te meer vermenigvuldigden zij zich. En waarheid is het, dat dit volk dikwijls een wonder was beide van genade en van oordeel.