Deuteronomium 17:1-7
1. Hier is een wet ter bewaring van de eer van Gods aanbidding door te bevelen, dat geen dier, waaraan enigerlei gebrek is, Hem geofferd zal worden, vers 1. Deze rechterlijke waarschuwing hebben wij reeds dikwijls gehad. Gij zult geen rund of klein vee offeren, waaraan een gebrek is, waardoor het afzichtelijk wordt, of enig kwand, een ziekte of zwakheid, hoewel niet merkbaar op de eerste aanblik, het is Gode een gruwel. God is het beste van alle wezens, alles, alles, waarmee Hij gediend wordt, behoort dus het beste van zijn soort te zijn. Zeer bijzonder moesten de Oud Testamentische offers dit zijn, omdat zij typen waren van Christus, die een onbestraffelijk en onbevlekt Lam is, 1 Petrus 1:19, volkomen rein van alle zonde en van de schijn er van. In de laatste tijden van de Joodse kerk, toen het volk door de Babylonische gevangenschap genezen was van afgoderij, werd hun toch ontheiliging ten laste gelegd door de overtreding van deze wet, daar het bij hen niet kwaad was om wat blind, of wat kreupel of ziek is als offer aan te brengen, Maleachi 1:8.
2. Een wet om diegenen te straffen, die valse goden aanbaden. Het was tot een halsstraffelijke misdaad gemaakt om anderen tot afgoderij te verleiden, Hoofdstuk 13, hier is zij het niet minder om zich te hebben laten verleiden. Indien de blinden aldus de blinden misleiden, moeten beide in de gracht vallen. Aldus wilde God hun vrees inboezemen voor die zonde, die zij wel als zeer zondig zullen beschonwen, nu er zovele bloedige wetten tegen uitgevaardigd waren, en diegenen er van terughouden, die op geen andere wijze er tegen bewogen kunnen worden, en toch is de wet, die de dood werkt, ongenoegzaam gebleken. Zie hier:
A. Wat de misdaad was, waartegen deze wet gericht is: het dienen of aanbidden van andere goden, vers 3. De oudste en schoonschijnendste afgoderij wordt hier gespecificeerd: het aanbidden van zon, maan en sterren, en indien dit nu al zo iets verfoeilijke was, hoeveel te meer dan niet het aanbidden van hout en steen of de voorstelling van lage, verachtelIjke dieren. Daarvan wordt gezegd:
a. Dat het hetgeen is, dat God niet had geboden. Telkens en nogmaals had Hij het verboden, maar het wordt aldus uitgedrukt om te kennen te geven, dat indien er niets meer dan dit tegen was, dit alleen reeds genoeg zou zijn, (want in de aanbidding Gods moet Zijn inzetting of gebod onze regel zijn en onze volmacht) en dat God nooit geboden heeft dat Zijn aanbidders zich zo ver zouden verlagen, om aan hun medeschepselen Goddelijke eer te bewijzen. Indien God hun dit geboden had, zij zouden met recht er over hebben kunnen klagen als een smaden en verkleinen van hen, maar nu Hij het hun verboden heeft, zullen zij uit een geest van tegenspraak zichzelf die smaad aandoen?
b. Dat het kwaad is in de ogen des Heeren, vers 2, Al wordt het nog zo zorgvuldig verborgen gehouden, Hij ziet het, en al wordt het nog zo vernuftig verzacht of bewimpeld, Hij haat het, het is een zonde, uiterst snood in zichzelve, en de hoogste belediging, die Gode aangedaan kan worden.
c. Dat het een overtreding is van het verbond. Het was op die voorwaarde, dat God hen aannam om Zijn bijzonder volk te zijn, datzij Hem alleen als hun God zouden dienen en aanbidden, zodat, indien zij aan een ander de eer gaven, die Hem alleen toekwam, het verbond teniet was gedaan, en al de voordelen er van verbeurd waren. Andere zonden waren overtredingen van het gebod, maar deze zonde was een overtreding van het verbond. Het was geestelijk overspel, waardoor het huwelijksverbond werd verbroken. d. Het was een gruwel in Israël, vers 4. Afgoderij was slecht in wie het ook zij, maar zij was zeer bijzonder gruwelijk in Israël, een volk, zo bijzonder gezegend met de openbaringen van de wil en de gunst van de alleen ware en levende God.
B. Hoe het onderzocht moest worden. Als er kennis van werd gegeven, of als er grond van verdenking was, dat iemand, wie het ook zij, man of vrouw, andere goden had gediend,
a. Dan moest een onderzoek worden ingesteld vers 4. Hoewel het op de eerste aanblik niet zeker schijnt, kan het bij nader onderzoek toch waar blijken te zijn, en, zo het bij mogelijkheid ontdekt kan worden, moet het niet ongestraft blijven, maar al werd het niet ontdekt, dan zou toch het onderzoek, dat er naar ingesteld werd, het land met schrik en afgrijzen vervullen.
b. Er moet getuigenis gegeven worden, vers 6 Hoe snood en gevaarlijk de misdaad ook zij, toch moet niemand er voor gestraft worden, tenzij er door minstens twee getuigen goede en deugdelijke bewijzen van overgelegd worden. Onder voorgeven van God te eren, moeten zij geen onschuldige straffen. Deze wet, die voor een geval van leven of dood twee getuigen vereiste, hadden wij tevoren in Numeri 35:30, en zij is aangehaald in Mattheus 18:16.
C. Welk vonnis uitgesproken en tenuitvoer gelegd moet worden. Zo zwaar een straf als de dood, zo groot een dood als door steniging, moet op de afgodendienaar worden toegepast, hetzij man of vrouw, want de zwakheid van de zwakkere kunne zou geen verontschuldiging zijn, vers 5. De plaats van de strafvoltrekking moet de stadspoort zijn, tot meerdere schande van de misdadiger, en ter meer openlijke waarschuwing aan anderen. De hand van de getuigen moet in dit-evenals in andere gevallen-het eerst tegen hem zijn, dat is zij moesten de eerste steen op hem werpen, hiermede hun getuigenis erkennende, en plechtig de schuld van zijn bloed inroepende over henzelf, indien hun getuigenis vals was. Deze gewoonte kon de mensen er van terughouden om een valse getuigenis af te leggen. De getuigen waren wezenlijk de dood van de kwaaddoener, en daarom was het nodig, dat zij dit ook daadwerkelijk waren. Maar zij moeten gevolgd, en de strafoefening moet voltooid worden door de handen van het volk die aldus getuigenis moesten afleggen van hun verfoeiing van de misdaad en, evenals tevoren, Hoofdstuk 13:9, het boze uit hun midden moesten wegdoen.