1 Koningen 14:7-20
Als zij, die afgoden oprichten en in stand houden, gaan om de Heere te vragen, dan besluit Hij hun te antwoorden, niet naar hetgeen zij voorgeven met hun vraag, maar, naar de menigte van hun afgoden, Ezechiël 14:3, en zo wordt Jerobeam hier geantwoord. Ahia voorkwam haar vraag betreffende het kind, en voorzegt het verderf van Jerobeams huis vanwege de goddeloosheid er van. Niemand anders zou zo'n boodschap hebben durven brengen, een dienaar zou haar gesmoord hebben, maar zijn eigen vrouw kan van geen kwaadwilligheid jegens hem verdacht worden.
I. God noemt zich de Heere, de God van Israël of schoon Israël God had verlaten, had God hen niet verstoten, noch hun een scheidbrief gegeven vanwege hun hoererijen. Hij is Israëls God, en zal daarom wraak doen aan hem, die hun het grootste kwaad gedaan heeft, dat hij hun doen kon door hen van Hem af te trekken.
II. Hij houdt Jerobeam de grote gunst voor, die Hij hem bewezen had door hem koning te maken, hem verheffende van uit het volk, het gemene volk, om een voorganger te zijn over Gods verkoren Israël, het koninkrijk scheurende van het huis van David, om het hem te geven. Of wij nu al of niet rekening houden van Gods weldadigheid over ons, Hij doet het, en zal ze ons tot onze grote beschaming ordelijk voorstellen, als wij ondankbaar zijn, maar anders geeft Hij en verwijt niet.
III. Hij beschuldigt hem van goddeloosheid en afval, in het bijzonder van zijn afgoderij: gij hebt kwaad gedaan, meer dan allen, die voor u geweest zijn, vers 9. Saul, die verworpen was, heeft nooit afgoden gediend. Salomo deed het slechts nu en dan in zijn verzotheid, en heeft nooit Israël doen zondigen. Hoewel Jerobeam voorgaf zijn kalveren opgericht te hebben tot eer van de God van Israël, die hen opgevoerd had uit Egypte, worden zij hier toch andere goden, of vreemde goden genoemd, omdat hij in hen God aanbad, zoals de heidenen hun goden aanbidden, omdat hij door hen de waarheid van God veranderde in een leugen, en Hem voorstelde geheel verschillend van wat Hij is, en omdat velen van de onwetende aanbidders hun gebed bepaalden tot het beeld, en aan de God van Israël in het geheel niet dachten. Hoewel zij kalveren zijn van goud, zal het rijke van het metaal hen Gode niet aangenaam maken. Zij verwekten Hem tot toorn, Hem opzettelijk beledigende onder schijn van Hem te behagen. Dit doende had hij:
1. Zich David niet voor ogen gesteld, vers 8. Gij zijt niet geweest gelijk Mijn knecht David, die wel zijn fouten en gebreken had en wel sommige, die zeer slecht waren, maar toch nooit de aanbidding Gods had verlaten, of er onverschillig voor is geworden, zijn trouw aankleven daarvan won hem die eervolle naam en hoedanigheid, dat hij God navolgde met zijn gehele hart, en hierin werd hij al zijn opvolgers ten voorbeeld gesteld, diegenen handelden niet recht, die niet deden gelijk David.
2. Zich God niet voor ogen had gesteld, vers 9. "Gij hebt Mij achter uw rug geworpen Mijn wet, Mijn vreze, gij hebt Mij veronachtzaamd, vergeten, en aan uw staatkunde de voorkeur gegeven boven Mijn geboden."
IV. Hij voorzegt de algehele ondergang van Jerobeams huis, vers 10, 11. Hij dacht met zijn afgoderij zijn regering gevestigd en bevestigd te hebben, en, hij heeft haar niet alleen er door verloren, maar verderf gebracht over zijn geslacht, het algemene verderf van al wat mannelijk was van dat geslacht, de beslotene en de verlatene, de gehuwde en de ongehuwde.
1. Schandelijke verwoesting, zij zullen gelijk de drek weggedaan worden, gelijk de drek, die afzichtelijk is, en die de mensen blijde zijn van kwijt te raken. Hij aanbad afgoden, en God nam zijn geslacht weg als een groten mesthoop, edele, koninklijke geslachten, die goddeloos zijn, worden in Gods schatting niet beter geacht dan drek.
2. Ongewone verwoesting, hun dode lichamen zullen de honden op straat en de vogelen des hemels tot spijs zijn, vers 11. Aldus vervolgt het kwaad de zondaren. Zie de vervulling hiervan in Hoofdstuk 15:29.
V. Hij voorzegt dat het kind, dat nu ziek was, terstond zal sterven, vers 12, 13.
1. In barmhartigheid jegens hem, opdat hij, zo hij in het leven bleef, niet besmet zou worden in de zonde, en aldus begrepen zou zijn in het verderf van het huis van zijn vader. Let op de hoedanigheid, die hem wordt toegeschreven: in hem is wat goeds gevonden voor de Heere, de God van Israël, in het huis van Jerobeam. Hij alleen had liefde voor de ware aanbidding van God, en een afkeer van de kalverendienst. Diegenen zijn goed, in wie wat goed is voor de Heere, de God van Israël, goede neigingen, goede voornemens, goede begeerten naar Hem. Waar slechts iets goeds is van die aard, zal het gevonden worden. God die het zoekt, vindt het, ziet het, al is het nog zo weinig, en heeft er een welbehagen in. Een weinigje gaat al heel ver bij de groten van de aarde. Het is zo zeldzaam vorsten welgezind te vinden voor de Godsdienst, dat zij, als zij het zijn, dubbele eer waardig geacht worden. Een Godvruchtige gezindheid is op zeer bijzondere wijze lieflijk en aangenaam, als zij gevonden wordt in hen die jong zijn. Het beeld van God in miniatuur heeft een zeer bijzondere schoonheid en luister. Zij, die in slechte tijden en plaatsen goed zijn, schitteren met een heldere glans in de ogen van God. Een goed kind in het huis van Jerobeam is een wonder van Gods genade, onbesmet daar te zijn is ongedeerd, onverzengd te zijn in de vurige oven. Let op de zorg, die voor hem gedragen werd, hij alleen van geheel het geslacht van Jerobeam zal in eer sterven, betreurd worden als één, die bemind was terwijl hij leefde, bemind en begeerd. Zij, die onderscheiden worden door de genade van God, zullen onderscheiden worden door Zijn voorzienigheid. Dit veelbelovende kind sterft het eerst van het gezin, want dikwijls neemt God hen het eerst tot zich, die Hij het meest liefheeft, de hemel is de geschiktste plaats voor hen, deze aarde is hen niet waardig.
2. In toorn jegens het geslacht, het was een teken, dat dit geslacht ten verderve zal gaan toen hij weggenomen werd, door wie het hervormd had kunnen worden. De rechtvaardigen worden weggenomen voor de dag des kwaads in deze wereld, voor het goede in een betere wereld. Het is een slecht teken voor een geslacht, als de besten er van begraven worden, als hetgeen van waarde was er uitgenomen is, dan is het overige voor het vuur. Het is ook een beproeving voor het gezin en het koninkrijk, door welke beide verbeterd hadden moeten worden. Voor de arme moeder was het een verzwaring van het leed, dat zij niet bijtijds thuis zou komen om haar kind nog levend te vinden. Als uw voeten in de stad komen, dan zal op dat ogenblik het kind sterven. Dit moest voor haar een teken zijn van de vervulling van de overige bedreigingen, zoals 1 Samuël 2:34. Vl. Hij voorzegt de verheffing van een ander geslacht om over Israël te heersen, vers 14. Dit werd vervuld in Baesa van Issaschar, die een samenzwering smeedde tegen Nadab, de zoon van Jerobeam, in het tweede jaar van zijn regering, hem en zijn gehele familie vermoordde. "Maar wat zal het ook nu zijn? Waarom spreek ik er van als van iets, dat nog ver is? Het is aan de deur, het zal geschieden nu geschieden?" Soms rekent God spoedig af met de zondaren, dat deed Hij met het huis van Jerobeam. Het was nog geen vier en twintig jaren van zijn eerste verheffing tot aan de algehele uitroeiing van zijn geslacht.
VII. Hij voorzegt het oordeel, dat over het volk van Israël komen zal, omdat zij zich verenigden met de eredienst, allen Jerobeam had ingesteld. Als de blinden de blinden leiden, zullen èn de blinde leidslieden èn de blinde volgers in de gracht vallen. Hier wordt voorzegd in vers 15 :
1. Dat zij nooit gerust zullen zijn, noch goed gevestigd zullen zijn in het land, maar voortdurend geschud zijn als een riet in het water. Nadat zij het huis van David hadden verlaten, is de regering nooit lang in een familie gebleven, de ene ondermijnde en verdelgde de andere, hetgeen grote wanorde en beroering onder het volk moest teweegbrengen.
2. Dat zij eerlang geheel en al verdreven zullen zijn uit hun land, het goede land, en aan het verderf worden prijsgegeven, vers 16. Dit werd vervuld toen de tien stammen gevankelijk weggevoerd werden door de koning van Assyrië. Geslachten en koninkrijken worden ten verderve gebracht door de zonde, ten verderve gebracht door de goddeloosheid van hun hoofden. Jerobeam zondigde en heeft Israël doen zondigen. Indien voorname mannen goddeloos handelen, slepen zij anderen mee in hun schuld en in de strik, zeer velen, grote menigten zullen hun verderfenissen navolgen. Zij gaan ter helle met een groot gevolg, en hun verdoemenis zal ondraaglijker zijn voor hen die niet alleen rekenschap zullen moeten geven van hun eigen zonden, maar ook van de zonden, waartoe anderen door hun invloed verlokt en er in gehouden werden.
VIII. Jerobeams huisvrouw heeft niets in te brengen tegen het woord des Heeren, maar zij gaat met een bezwaard hart naar huis, naar hun huis te Thirza, een lieflijke, genotvolle plaats, zoals de betekenis is van de naam, vermaard om haar schoonheid, Hooglied 6:4. Maar de dood kan er niet van buitengesloten worden, die haar schoonheid zal benevelen en al haar genietingen bitter zal maken. Hier kwam zij, en hier laten wij haar om de begrafenis bij te wonen van haar zoon, en het lot van haar familie te verwachten.
1. Het kind stierf, vers 17, en terecht heeft geheel Israël rouw gedragen niet alleen over het verlies van zo'n veelbelovende prins, die zij niet waardig waren, maar omdat zijn dood de sluisdeuren opende, en een scheur maakte, waardoor een vloed van oordelen binnenstroomde.
2. Spoedig daarna stierf Jerobeam zelf, in vers 20. 2 Kronieken 13:20 wordt gezegd: De Heere sloeg hem met de een of andere zware ziekte, zodat hij ellendig is gestorven toen hij twee en twintig jaren geregeerd had, en liet zijn kroon na aan een zoon, die haar met zijn leven en de levens van al de leden van zijn familie twee jaren later verloor. Voor een nader bericht omtrent hem wordt de lezer verwezen naar de annalen van zijn regering, opgesteld door zijn eigen secretarissen, of naar het openbaar archief, dat hier genoemd wordt: het boek, of het register, of de kronieken van de koningen van Israël, dat men kon naslaan, maar dat, niet door Gods Geest ingegeven zijnde, sedert lang verloren is geraakt.