2 Koningen 22:11-20
Wij horen niets meer van het herstellen van de tempel, dat goede werk ging ongetwijfeld geregeld voort, maar het wetboek, dat er in gevonden werd, houdt ons nu bezig, en wèl mag het dit, het wordt niet weggelegd in het kabinet des konings als een zeldzaamheid, een antiquiteit, die bewonderd moet worden maar het wordt de koning voorgelezen.
Diegenen bewijzen hun Bijbel de meeste eer, die hem bestuderen, er zich dagelijks mee onderhouden, zich voeden met dat brood en wandelen bij dat licht, mannen van eer en van zaken moeten bekendheid met het woord van God als hun grootste eer en hun beste zaak beschouwen.
I. Wij hebben hier de indruk, die het lezen van de wet op Josia heeft gemaakt. Hij scheurde zijn klederen, als een, die zich schaamde over de zonde van zijn volk en bevreesd is voor de toorn Gods. Hij had reeds lang gedacht dat de toestand van zijn rijk slecht was vanwege de afgoderijen en de goddeloosheid, die er in gevonden werden, maar nooit heeft hij gedacht dat hij zo slecht was als hij nu zag dat hij was, door het wetboek, dat hem voorgelezen werd. Het scheuren van zijn klederen betekende het scheuren van zijn hart vanwege de oneer, die God was aangedaan, en het verderf, dat hij over zijn volk zeg komen.
II. Hierop wendde hij zich tot God. Gaat heen, vraagt de Heere voor mij, vers 13. Vraagt:
1. "Wat wij moeten doen om Gods toorn van ons af te wenden en de oordelen te voorkomen, die onze zonden verdiend hebben." Overtuiging van zonde en van Gods toorn moet ons doen vragen: Wat zullen wij doen om behouden te worden? Waarmee zullen wij de Heere tegenkomen? Indien gij aldus de Heere wilt vragen, doet het spoedig, eer het te laat is.
2. "Wat wij kunnen verwachten, en waar wij ons op hebben voor te bereiden." Hij erkent: Onze vaderen hebben niet gehoord naar de woorden dezes boeks, indien dit de regel des rechts is, dan hebben onze vaderen zeer zeker veel verkeerds gedaan. Nu het gebod gekomen is is de zonde weer levend geworden, bleek zij zonde te zijn.
In de spiegel van de wet zag hij de zonden zijns volks talrijker en snoder dan hij ze tevoren gezien had, en bovenmate zondig. Hieruit leidt hij met zekerheid af: "de grimmigheid des Heeren is groot, dewelke tegen ons aangestoken is, indien dit het woord van God is en ongetwijfeld is het dit-en als Hij getrouw is aan Zijn woord-en voorzeker zal Hij dit wezen-dan zijn wij allen verloren. Ik heb niet gedacht dat de bedreigingen van de wet zo streng en de vervloekingen van het verbond zo schrikkelijk zijn, als ik ze nu bevind te zijn, het is tijd om op onze hoede te wezen, als deze van kracht tegen ons zijn."
Zij, die in waarheid bevreesd zijn voor Gods toorn, moeten wel zeer sterk verlangen om Zijn gunst deelachtig te worden, en begerig zijn om te weten hoe zij met Hem verzoend kunnen worden. Magistraten moeten vragen voor hun volk, en zien hoe zij de oordelen Gods, waardoor zij bedreigd worden, kunnen afwenden.
Met deze vraag zond Josia: a. Sommigen van zijn rijksgroten, die met name genoemd worden, vers 12, en nogmaals in vers 14. Aldus eerde hij het orakel door personen van de eerste rang er heen te zenden.
b. Tot Hulda, de profetes, vers 14. De geest van de profetie, deze onwaardeerbare schat, was soms gelegd, niet alleen in aarden vaten, maar in de zwakkere vaten, opdat de uitnemendheid van de kracht zij van God. Mirjam was behulpzaam bij het uitvoeren van Israël uit Egypte, Micha 6:4 , Debora heeft hen gericht, en nu onderwees Hulda hen omtrent de wil en de bedoeling Gods, en dat zij gehuwd was stond haar volstrekt niet in de weg om een profetes te wezen, het huwelijk is eerlijk onder allen.
Het was een zegen voor Jeruzalem dat zij, toen de Bijbels schaars waren, profeten hadden, zoals toen later de profetie had opgehouden, er meer Bijbels waren want God laat zich nooit zonder getuigen omdat Hij de zondaars zonder verontschuldiging wil laten.
Jeremia en Zefanja hebben in die tijd geprofeteerd, en toch hebben de boden des konings zich tot Hulda begeven, waarschijnlijk omdat haar echtgenoot een betrekking had aan het hof (want hij was klederbewaarder) zij waren beter en langer met haar bekend, en waren meer verzekerd van haar zending dan van die van anderen. Zij hadden haar waarschijnlijk bij andere gelegenheden geraadpleegd, en bevonden dat het woord Gods in haar mond waarheid was.
Zij was in de nabijheid, want zij woonde te Jeruzalem in een plaats, genaamd "mishbeh", de tweede rij van gebouwen van het koninklijk paleis. De Joden zeggen dat zij profeteerde onder de vrouwen de hofdames, daar zij zelf tot deze behoorde en die waarschijnlijk daar haar vertrekken hadden. Gelukkig het hof, dat een profetes binnen zijn omtrek had, en haar wist te waarderen!
III. Het antwoord, dat hij op zijn vraag van God ontving, niet in de taal van een hoveling: "Wil Zijnen Majesteit mijn nederigen dienst aanbieden, en hem doen weten dat dit de boodschap is, die ik voor hem heb van de God Israëls," maar in het dialect van een profetes sprekende van Hem, voor wie allen op gelijke bodem staan. Zegt tot de man, die u tot mij gezonden heeft, vers 15. Zelfs koningen, die voor ons goden zijn, zijn voor God mensen, en als zodanig zal met hen gehandeld worden, want er is geen aanneming des persoons bij God.
1. Zij laat hem weten welke oordelen God voor Juda en Jeruzalem bewaart, vers 16, 17. Mijne grimmigheid zal aangestoken worden tegen deze plaats, en wat is de hel zelf anders dan het vuur van Gods toorn aangestoken tegen zondaren? Let op de mate en de duur er van, zij is zo aangestoken, dat zij niet uitgeblust zal worden, het raadsbesluit is uitgegaan, het is nu te laat om het te voorkomen, de ongerechtigheid van Jeruzalem zal niet verzoend worden door slachtoffer of door spijsoffer. De hel is een onuitblusselijk vuur. Het verwijst:
a. Naar hun zonden. "Zij hebben ze als het ware met opzet bedreven, om Mij tot toorn te verwekken, het is een vuur, dat zij zelf ontstoken hebben, zij wilden Mij tot toorn verwekken, en nu ten laatste is Mijn toorn ook tegen hen ontstoken."
b. Naar Gods bedreigingen. "Het kwaad, dat Ik over hen breng is naar de woorden des boeks, dat de koning van Juda gelezen heeft, de Schrift is erin vervuld, zij, die niet gebonden wilden zijn door het gebod, zullen gebonden worden door de straf." God zal door onboetvaardige zondaren niet minder schrikkelijk bevonden worden dan Zijn Woord Hem voorstelt.
2. Zij laat hem weten welke genade God voor hem bewaart.
a. Er wordt nota genomen van zijn grote liefde voor de eer Gods, en van zijn zorg voor het koninkrijk, vers 19. Uw hart is week geworden. God zal hen onderscheiden, die zichzelf onderscheiden. Het gros van het volk was verhard, hun hart was niet verootmoedigd, zo was het ook met de slechte koningen, zijn voorgangers, geweest, maar Josia's hart was week, hij ontving de indrukken van Gods woord, beefde er voor, en onderwierp er zich aan, hij was uitermate bedroefd om de smaadheid, die Gode was aangedaan door de zonden van zijn vaderen en van zijn volk, hij was bevreesd voor de oordelen Gods, die hij over Jeruzalem zag komen, en heeft ze vurig afgebeden.
Dat is weekheid van hart, en aldus heeft hij zich voor het aangezicht des Heeren vernederd, en uitdrukking gegeven aan zijn vrome gemoedsbeweging door zijn klederen te scheuren en voor God te wenen, waarschijnlijk in zijn binnenkamer, maar Hij, die in het verborgen ziet, zegt dat het voor Zijn aangezicht was, en dat Hij het gehoord heeft, en iederen traan van vertedering in Zijn fles heeft gelegd.
Zij, die het meest Gods toorn vrezen, zullen hem waarschijnlijk het minst ondervinden.
Het schijnt dat de woorden van Leviticus 26:32 :"Ik zal dat land verwoesten" Josia het meest getroffen hebben, want toen hij hoorde van een verwoesting en vloek, dat is: dat God hen zou verlaten en ten kwade afscheiden, (want voor het hiertoe kwam, waren zij noch verlaten, noch gevloekt), verscheurde hij zijn klederen, dat trof hem in het hart.
b. Dat een uitstel verleend is tot na zijn dood, vers 20. Ik zal u verzamelen tot uw vaderen. De heiligen hadden toen ongetwijfeld een troostrijk vooruitzicht van gelukzaligheid na de dood, want anders zou het verzameld worden tot hun vaderen niet zo dikwijls een zaak van belofte geweest zijn, als wij bevinden dat het geweest is. Josia heeft niet overmocht om het oordeel zelf te voorkomen, maar God beloofde hem dat hij het niet beleven, niet zien zou, hetgeen (inzonderheid in aanmerking genomen dat hij stierf in het midden van zijn dagen, eer hij veertig jaren oud was) slechts een geringe beloning zou geweest zijn voor zijn uitnemende Godsvrucht, indien er geen andere wereld was, waarin hij overvloedig beloond zal worden Hebreeën 11:16.
Als de rechtvaardige "weggeraapt wordt voor het kwaad, dan zal hij ingaan in de vrede," Jesaja 57:1, 2. Dit is het, wat hier aan Josia wordt beloofd, gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, wat niet ziet op de manier van zijn dood, want hij is gesneuveld in de krijg, maar op de tijd er van, het was kort voor de gevangenschap in Babylon, deze grote ramp, in vergelijking waarmee al het overige als niets was, zodat van hem in waarheid gezegd kon worden dat hij in vrede gestorven is, en niet geleefd heeft om in die ramp te delen. Hij stierf in de liefde en de gunst van God, die zo'n vrede verzekeren als door geen omstandigheid in de wijze van sterven, neen, zelfs niet door het sterven op een slagveld kon veranderd of verstoord worden.