Jeremia 6:1-8
Hier is:
I. Oordeel, gedreigd over Juda en Jeruzalem. Stad en land waren in die tijd zeker en beveiligd tegen alle gevaar, men zag geen wolken aan de hemel, maar alles scheen helder en vast. Toch zegt hun de profeet, dat het land binnenkort zal overstroomd worden door een vreemde macht: een leger zal tegen hen gebracht worden van het noorden, dat alles verwoesten, en niet alleen een algemene ontsteltenis, maar ook een algehele verwoesting veroorzaken zal. Hier wordt voorspeld:
1. Dat de verschrikking, hierdoor gewekt, vreselijk zou zijn en luid uitgeschreeuwd. Dit wordt voorgesteld, vers 1. De kinderen van Benjamin, in welke stam een deel van Jeruzalem lag, worden hier opgeroepen om tot eigen veiligheid naar buiten te vluchten, want de stad (waarheen het eerst raadzaam was geacht te vlieden, Hoofdstuk 4:5, 6) zou spoedig te benauwd voor hen zijn, en het zou de wijste weg voor hen zijn, uit haar midden weg te gaan. Bij algemene verschrikking vindt men gewoonlijk iedere andere plaats veiliger dan die, waar men is, en daarom zoeken zij, die in de stad zijn, naar buiten te vlieden, en zij, die buiten zijn, naar de stad, in de hoop daar buiten gevaar te zijn. Maar alles is tevergeefs, wanneer het kwaad de opdracht heeft, de zondaars te vervolgen. Hun wordt gezegd, ook het land te verontrusten en te doen wat zij kunnen voor hun eigen veiligheid: Blaast de bazuin te Thekoa, een stad twaalf mijl noordwaarts van Jeruzalem. Laat hen opgewekt worden op hun hoede te zijn. Heft een vuurteken (dat is, steekt de seinvuren aan) op Beth-Cherem, het huis des wijngaards,. dat op een heuvel tussen Jeruzalem en Thekoa lag. Bereidt u op krachtige tegenstand voor, want er kijkt een kwaad uit van het noorden. Dit kan spottend opgevat worden: Maakt gebruik van de beste manier om u zelf te behouden, maar het zal alles tevergeefs zijn, want, wanneer gij uw best zult gedaan hebben, zal een grote verwoesting komen, wijl het hopeloos is, tegen Gods oordelen te strijden.
2. Dat de aanval tegen hen stout en geducht zou zijn, zodat die hun te machtig zijn zou.
a. Zie wat de dochter Zions is, die aangevallen wordt. Zij wordt vergeleken bij een schone en wellustige vrouw, vers 2, opgevoed in het genot van al wat zacht en liefelijk is, die zelfs "niet beproefd heeft, haar voetzool op de aarde te zetten, omdat ze zich wellustig en teder hield," Deuteronomium 28:56, noch de wind op zich laten waaien, en aan geen ontbering gewoon, zoveel minder bekwaam om de vijand te weerstaan, (want wie oorlog voeren, moeten ontbering lijden), of de verwoesting te dragen met dat geduld, waardoor ze degelijk wordt. Hoe meer wij ons aan de vermaken van dit leven overgeven, zoveel onbekwamer maken wij onszelf voor de moeilijkheden ervan.
b. Zie wat de dochter van Babylon is, die de aanval doet. De aanvoerders hunner legers worden vergeleken met herders met hun kudden, vers 3, in zulke getale en in zo'n orde zullen zij komen, de krijgslieden hun aanvoerders volgende gelijk schapen hun herders. De dochter Zions woonde thuis (zoals sommigen het lezen), op liefde wachtende, maar aangevallen met woede. Deze vergelijking van de vijanden met herders maakt mij genegen een andere lezing aan te nemen, die sommigen van vers 2 geven: De dochter Zions is gelijk een schone weidegrond en een weelderig land, dat de herders aanlokt, er hun kudden heen te leiden om er te grazen. En gelijk herders geredelijk een open veld in bezit nemen, dat (gelijk toen hier en daar gebruik was) voor ieder gereed ligt en niemand toebehoort, en er hun tenten opslaan, en hun kudden het afweiden, zo zullen de Chaldeën het land van Juda gemakkelijk binnenvallen, zich naar welgevallen een plaats uitkiezen en binnenkort alles verteren. Om dit nader aan te tonen, wijst de profeet er op
c. Hoe God de vijand zal zenden om zelfs het heerlijk land en de heilige stad te verwoesten, die Zijn eigendom waren. Hij is het, die zegt: vers 4, Heiligt de strijd tegen haar, want Hij is de Heere van de heirscharen, die al Zijn legerscharen te van Zijn beschikking heeft en zegt, vers 6 :Hakt bomen om, en werpt een wal op tegen Jeruzalem, om de stad te kunnen aantasten. De Chaldeën hebben grote macht tegen Juda en Jeruzalem, en toch hebben zij geen macht, dan die hun van Boven gegeven is. God heeft Jeruzalem aangewezen ter verwoesting. Hij heeft gezegd: Dit is de stad, die bezocht zal worden, bezocht in toorn, bezocht door goddelijke rechtvaardigheid, en dit is de tijd harer bezoeking. De dag komt, dat zij, die zorgeloos en zeker zijn in hun zondige wegen, gewis zullen bezocht worden.
d. Hoe zij zichzelf en anderen zullen aansporen om die zending uit te voeren. Wijl Gods raad tegen Jeruzalem is en niet veranderd of vernietigd kan worden, brengt Hij de raad van de vijanden met Zijn raad in overeenstemming.
Nu God gezegd heeft: Heiligt de strijd tegen haar, worden hun besluiten ondergeschikt gemaakt aan de Zijne, en ondanks de grote afstand en de menigerlei moeilijkheden, die hun in de weg treden, is het spoedig besloten, eenstemmig, zonder iemands tegenspraak: Maakt u op, laat ons gaan.
Merk op en zie hoe Gods raadsbesluiten worden verwezenlijkt in de raadslagen en plannen van de mensen, zelfs van hen die Hem niet kennen, Jesaja 10:6,7. In deze veldtocht,
ten eerste, stellen zij vast, spoed te maken. Niet zodra hebben zij er toe besloten, of zij voeren die uit, nooit mag gezegd worden, dat zij tot de volgende dag uitstelden wat zij heden zouden doen. Maakt u op, en laat ons optrekken op de middag, hoe heet de zon ook zij, ja, vers 5, maakt u op en laat ons optrekken in de nacht, hoe duister het ook wezen moge. Niets houdt hen tegen, zij zijn vastbesloten, geen tijd te verliezen. Zij worden beschreven als mensen, die zorgen haast te maken, vers 4. "O wee ons, want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich." Wij gaan nog niet aan het werk, wij zitten stil en laten de gelegenheid voorbijgaan. O, waren wij even volijverig in ons geestelijk werk en strijden, dus bevreesd, tijd of gelegenheid te laten glippen, als wij het koninkrijk van de hemelen met geweld nemen! Het is dwaasheid te beuzelen, als de eeuwige zaligheid op het spel staat en de vijanden dier zaligheid moeten bekampt worden.
Ten tweede. Zij vertrouwen op groot succes: Laat ons optrekken en haar paleizen verderven, en ons zelf meester maken van de rijkdom die daarin is. Zij bedoelen niet Gods raad te vervullen, maar schatten voor zich te verzamelen, dat spoort hen aan. En tegelijk dienen zij Gods raad en welbehagen.
II. De reden van dit oordeel wordt aangeduid. Het is alles om hun goddeloosheid, zij hebben het over zichzelf gebracht, zij moeten het oordeel en de schande dragen. Zij worden dus verdrukt, omdat zij zelf verdrukkers zijn geweest, zij hebben elkaar hard behandeld, toen zij macht hadden en voordeel beoogden, en nu zal de vijand hen allen hard behandelen. De zonde van verdrukking en geweld en onrecht wordt hun hier ten laste gelegd. 1. Als een nationale zonde, vers 6. Daarom zal deze stad bezocht worden. Het is tijd om recht te oefenen, want in het midden van haar is enkel verdrukking. Alle rangen en standen, van de vorst op de troon tot de geringsten winkelier, verdrukten degenen, die onder hen stonden. Zie waarheen ge wilt, overal was oorzaak voor zulke klachten.
2. Als een zonde, die in zekere zin hun een natuur was geworden, vers 7. Zij geeft haar boosheid op, in allerlei kwaadheid en ondeugd, gelijk een bornput zijn water opgeeft, even overvloedig en aanhoudend, maar bitter en vergiftigt. De wateren uit de bornput zullen niet gekeerd worden, maar zich een weg banen, noch ook door wet of geweten tegengehouden in hun geweldige vaart. Dit past op de verdorven toestand van de natuurlijken mens, het geeft boosheid op, de ene boze gedachte na de andere, gelijk een bornput zijn water opgeeft, natuurlijk en gemakkelijk, altijd vloeiende, altijd overvloedig.
3. Als iets, dat dagelijkse gewoonte was geworden. Geweld en verstoring wordt in haar gehoord. De roep van die zonden was opgekomen tot God gelijk die van Sodom. Weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht, de klacht dergenen, die zich gegriefd gevoelen, onrechtvaardig mishandeld naar lichaam of geest in bezitting of goede naam.
Merk op, dat Hij is de Vader van het menselijk geslacht en ziet en neemt ter harte en zal vroeger of later wreken het kwaad en onrecht, dat mensen elkaar aandoen.
III. De raad hun gegeven om dit oordeel te ontgaan. Een klare vermaning wordt ten aanzien van al dit kwaad verkondigd: Laat u tuchtigen, Jeruzalem, vers 8. Neem het onderwijs aan, dat beide Gods wet en Zijn profeten u geven, wees eindelijk wijs om u zelf. Zij wisten zeer wel wat hun geraden was, er bleef niets over dan die raad op te volgen, want zonder dat kon men niet zeggen, dat zij geleerd hadden. De aandrang tot die raad lag in het onvermijdelijk verderf, dat zij tegemoet snelden, indien zij weigerden naar raad te luisteren, opdat Mijn ziel niet van u afgetrokken worde. Hieruit blijkt, welk een tedere genegenheid en belangstelling God jegens hen koestert, Zijn ziel was aan hen verbonden, en niets dan de zonde kan ze van hen aftrekken. Zie,
1. Dat de God van alle barmhartigheid traag is om zelf een weerspannig volk te verlaten en vol ijver om het tot dat uiterste niet te laten komen bij boete en bekering.
2. Van wie Gods ziel afgetrokken wordt, diens toestand is diep ellendig, het betekent niet alleen het verlies van hun tijdelijke zegeningen, maar ook van die voordelen en gunsten, welke de meer onmiddellijke en bijzondere tekenen van Zijn liefde en tegenwoordigheid zijn. Vergelijk dit met het vreselijk woord, Hebreeën 10:" Zo iemand zich onttrekt, Mijne ziele heeft in hem geen behagen."
3. Zij, die God verlaat, is zeker verloren wanneer Gods ziel Jeruzalem laat varen, wordt de stad spoedig verwoest en onbewoond, Mattheus 23:38.