Handelingen 9:1-9
In de geschiedenis van Stefanus hebben wij driemaal melding zien gemaakt van Saulus, want de gewijde schrijver verlangde er naar tot zijne geschiedenis te komen, en nu zijn wij er toe genaderd, zonder nog voor goed afscheid te nemen van Petrus. Van nu voortaan zullen wij ons echter het meest bezig vinden gehouden met Paulus, den apostel der Heidenen, zoals Petrus die der besnijdenis was. Zijn Hebreeuwse naam was Saul -begeerd is de betekenis er van. Hij was even merkwaardig om zijne kleine gestalte, als zijn naamgenoot, koning Saul, om zijne hoge statuur en zijn statig voorkomen. Een der ouden noemt hem: Homo tricubitalis -slechts vier en een halve voet hoog. Zijn Romeinse naam, waaronder hij bekend was onder de burgers van Rome, was Paulus -klein. Hij was geboren te Tarsus, ene stad van Cilicië, ene vrije stad der Romeinen, en hij zelf was een vrije burger van die stad. Zijn vader en moeder waren beiden geboren Joden, daarom noemt hij zich een Hebreeër uit de Hebreeën, hij was van den stam van Benjamin, die verbonden was aan dien van Juda. Zijne opleiding geschiedde eerst in de scholen van Tarsus, dat wegens geleerdheid een klein Athene was. Dáár heeft hij zich bekend gemaakt met de filosofie en de dichtkunst der Grieken. Van daar is hij naar de hogeschool te Jeruzalem gezonden, om er in de Godgeleerdheid te studeren en in de Joodse wet. Zijn leermeester was Gamaliël, een voornaam Farizeeër. Hij had een buitengewonen aanleg, en nam zeer snel toe in geleerdheid, tevens was hij bedreven in een handwerk, of ambacht, daar hij tot tentenmaker was opgeleid, hetgeen, zoals Dr. Lightfoot zegt, iets zeer gewoons was onder de Joden, die ene geleerde opleiding hadden genoten, ten einde daarmee hun brood te kunnen verdienen, en ook om luiheid en ledigheid tegen te gaan. Dat is de jonge man, in wie ongeveer een jaar, of iets meer, na de hemelvaart van Christus die machtige ommekeer werd gewrocht, die hier verhaald wordt. Er wordt ons hier meegedeeld:
I. Hoe slecht, hoe zeer slecht hij was, voor zijne bekering. Even te voren was hij nog een verbitterd vijand van het Christendom, heeft hij nog alles gedaan wat hij kon om het uit te roeien door allen te vervolgen, die het omhelsden. In andere opzichten was hij niet slecht, naar de rechtvaardigheid die in de wet is, onberispelijk, een man van gene slechte zeden, maar een lasteraar van Christus, een vervolger der Christenen, beledigend voor beiden, 1 Timotheus 1:13. En zo weinig verlicht was zijn geweten, dat hij dacht te moeten doen wat hij deed tegen den naam van Christus, Hoofdstuk 26:9, en dat hij er Gode een dienst mede deed, gelijk voorzegd was, Johannes 16:2. Wij hebben,
1. Zijne algemene vijandschap en woede tegen den Christelijken Godsdienst, vers 1. Hij was nog blazende dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren. Die vervolgd werden, waren de discipelen des Heeren, omdat zij dit waren, in die hoedanigheid, haatte en vervolgde hij hen, en zijne vervolging bestond in dreiging en moord. Er is in dreiging vervolging, Hoofdstuk 4:17. 21. Dreiging verschrikt en verbreekt den geest, en het spreekwoord zegt wel: Bedreigde lieden leven lang, maar zij, die door Saul gedreigd werden, werden, als hij er hen niet door kon wegschrikken van Christus, door hem omgebracht, hij vervolgde hen tot den dood toe, Hoofdstuk 22:4. Zijn blazen dreiging en moord duidt aan, dat hem dit van nature eigen was, dat hij er zich voortdurend mede bezighield, hij ademde er in, als in zijn element, hij ademde het uit met drift en heftigheid, evenals van een venijnig schepsel was zijn ademtocht verwoestend, noodlottig: wáár hij ook kwam ademde hij den dood voor de Christenen, heeft hij hen in zijn hoogmoed bespot, Psalm 12:4, 5, 6, spuwde hij in zijne woede zijn venijn tegen hen uit. Saulus, aldus nog blazende, geeft dit te kennen: a. dat hij er in volhardde, dat hij nog niet tevreden was met het bloed van hen, die hij heeft omgebracht, maar nog bleef roepen: Geef! geef!
b. Dat hij weldra van ene andere gezindheid, ene andere mening zal zijn. Nog blaast hij dreiging en moord, maar zulk een leven zal hij niet lang meer kunnen leiden, die adem zal weldra ophouden.
2. Zijn bijzonder voornemen ten opzichte van de Christenen te Damascus. Dáár was nu onlangs het Evangelie gebracht door hen, die voor de vervolging na den dood van Stefanus gevlucht waren, en dachten, dat zij daar veilig en rustig konden zijn, daar zij door hen, die er de macht in handen hadden, oogluikend werden toegelaten. Maar Saulus kon niet rusten, als hij weet, dat een Christen rust heeft. Toen hij dus vernam, dat de Christenen in Damascus zodanige rust genoten, besloot hij hun onrust te veroorzaken. Hiertoe wendt hij zich tot den hogepriester om ene opdracht van hem te verkrijgen, vers 1, om naar Damascus te gaan, vers 2. De hogepriester had gene aansporing nodig om de Christenen te vervolgen, hij was ijverig genoeg om dit te doen, maar het schijnt, dat de jonge vervolger nog onzinniger dreef dan de oude. Voorgangers in zonde zijn de ergste zondaren, en de proselieten, die de Farizeeën maken, blijken dikwijls nog zevenmaal meer kinderen der hel te wezen, dan zij zelven. Hij zegt-Hoofdstuk 22:5, dat hij zijne opdracht had van den gehelen raad der ouderlingen, en zeer trots was deze blinde ijveraar er op zulk een lastbrief met het zegel van het grote sanhedrin te hebben ontvangen. Die lastbrief nu gaf hem volmacht om een onderzoek in te stellen in de synagogen, of gemeenten der Joden, die te Damascus waren, of er zich ook enigen onder hen bevonden, die er toe overhelden om deze nieuwe sekte of ketterij te begunstigen, die in Christus geloofden, en, zo hij dezulken vond, hetzij mannen of vrouwen, hen als gevangenen naar Jeruzalem te brengen, opdat de grote raad aldaar naar de wet met hen zou handelen. De Christenen worden hier gezegd te zijn van dezen weg, die van den weg, staat er in het oorspronkelijke. Wellicht hebben de Christenen zelven zich aldus genoemd, naar Christus, den Weg, of, omdat zij zich beschouwden als nog op den weg te zijn, nog niet te huis, of de vijanden hebben het voorgesteld als een aparten weg, een bijweg, ene partij, ene factie. De hogepriester en het sanhedrin maakten aanspraak op macht en gezag over de Joden in alle landen, al hun synagogen onderwierpen zich voor Godsdienstige zaken aan hun gezag, zelfs diegenen, die niet tot het rechtsgebied van het burgerlijk bestuur der Joodse natie behoorden. Op zodanige soevereiniteit maakt thans de Romeinse opperpriester aanspraak, hoewel met minder schijn van recht. Volgens dezen lastbrief moesten allen, die God aanbaden op de wijze, die zij ketters noemden, hoewel zij nauwkeurig overeenkwam met de oorspronkelijke instellingen, zelfs van de Joodse kerk, vervolgd worden, vrouwen, zowel als mannen. Zelfs de zwakkere sekse, die in ene zaak van dien aard verontschuldiging, of ten minste medelijden, kon verdienen, zal dit bij Saul niet vinden, evenmin als bij de pauselijke vervolgers. Hij had orders ontvangen om hen allen gebonden naar Jeruzalem te brengen, als misdadigers van de ergste soort, hetgeen hen waarschijnlijk zou verschrikken, maar tot heerlijkheid zou dienen voor Saul, daar hij het bevel voerde over de gewapenden, die hen moesten opbrengen, en hem de gelegenheid zou geven om dreiging en moord te blazen. Daarmee dan hield Saul zich bezig, toen de genade Gods die grote verandering in hem heeft gewerkt. Laat ons dus niet wanhopen aan vernieuwende genade ter bekering van de grootste zondaren, en laat ons niet wanhopen aan de vergevende genade Gods voor de grootste zonde, want aan Paulus zelf is barmhartigheid geschied 1 Timotheus 1:13. II. Hoe plotseling en wonderlijk ene gezegende verandering in hem werd gewrocht, niet door gewone middelen maar door wonderen. De bekering van Paulus is een van de wonderen der kerk. Hier is:
1. De plaats waar, en de tijd wanneer het geschiedde, als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damascus kwam, en daar ontmoette hem Christus. Hij bevond zich op weg, op zijne reize, niet in den tempel, of in de synagoge, of in de vergadering der Christenen, maar op weg. Het werk der bekering is niet gebonden aan de kerk, sommigen worden in hun slaap, terwijl zij neerliggen op hun legerstede, tot God teruggebracht, Job 33:15, 17, en sommigen terwijl zij eenzaam op reis zijn. Gedachten zijn er even vrij, en er is daar even goede gelegenheid om in ons hart te spreken, als op ons leger, -zie Psalm 4:5- en daar kan de Geest Zijn werk in ons beginnen, want die Wind blaast, waarheen Hij wil. Sommigen maken de opmerking, dat tot Paulus buiten, in de open lucht werd gesproken, opdat er gene verdenking van bedrog zou kunnen bestaan. Hij was nabij Damascus, bijna aan het einde zijner reize, op het punt van de stad, de hoofdstad van Syrië, binnen te gaan. Sommigen wijzen er op, dat hij, die de apostel der Heidenen zou worden, in een Heidens land tot het geloof in Christus werd bekeerd. Damascus was te voren reeds berucht door de vervolging van Gods volk, "zij hebben Gilead met ijzeren dorswagens gedorst, Amos 1:3, en dit stond nu waarschijnlijk wederom te gebeuren. Hij bevond zich op een bozen weg, ter volvoering van zijn boos voornemen tegen de Christenen te Damascus, en zich verlustigende in de gedachte, dat hij dit pas geboren kindeken van het Christendom ging verslinden. Soms werkt de genade Gods in de zondaren, als zij het ergste zijn, met hart en ziel er op uit om goddeloosheid te bedrijven, hetgeen grotelijks strekt tot verheerlijking van Gods mededogen en van Zijne macht. De wrede last, waarmee hij gekomen was, stond volvoerd te worden, en werd nu gelukkig voorkomen, hetgeen beschouwd kan worden als ene grote goedheid jegens de arme heiligen te Damascus, die bericht hadden van zijne komst, zoals blijkt uit hetgeen door Ananias gezegd wordt, vers 13, 14, en zeer beducht waren voor het gevaar, dat hen van hem dreigde, en sidderden als lammeren bij het naderen van een verslindenden wolf. Sauls bekering was voor het ogenblik hun veiligheid. Christus heeft velerlei wegen en middelen, om de Godvruchtigen te verlossen uit verzoeking, en soms doet Hij het door ene verandering te werken in hun vervolgers, hetzij dat Hij "hun grimmigheid opbindt", Psalm 76, 11, en hen voor een tijd verzacht, zoals de Oud-Testamentische Saul, die zich meer dan eens matigde tegenover David, 1 Samuël 24:17, 26:21, of hun geest vernieuwt, en een duurzamen indruk bij hen teweegbrengt, zoals hier bij den Nieuw-Testamentische Saul. Het was ook ene zeer grote goedertierenheid jegens Saul zelf, om hem aldus te verhinderen zijn goddeloos plan ten uitvoer te brengen, want indien hij er nu mede was voort- gegaan, dan zou dit wellicht de mate zijner ongerechtigheid vol hebben doen worden. Het moet als een teken der Goddelijke gunst gewaardeerd worden, indien God, hetzij door de innerlijke werkingen van Zijne genade, of door uitwendige voorvallen en omstandigheden Zijner voorzienigheid ons verhindert een zondig voornemen ten uitvoer te brengen, 1 Samuël 25:32, 33.
2. De verschijning van Christus aan hem in Zijne heerlijkheid. Hier wordt slechts gezegd, dat hem snellijk een licht van den hemel omscheen, maar uit hetgeen volgt, vers 17, blijkt, dat de Heere Jezus in dat licht was, en hem op den weg verschenen is. Hij heeft den Rechtvaardige gezien. Hoofdstuk 22:14, zie ook Hoofdstuk 26:13. Of hij Hem zag in de verte, zoals Stefanus Hem zag, in den hemel, of naderbij, in de lucht, is niet met zekerheid te zeggen. Het is niet in strijd met hetgeen er gezegd is, Hoofdstuk 3:21, dat de hemel Christus moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, te veronderstellen, dat Hij voor zulk ene buitengewone gelegenheid, een persoonlijk bezoek bracht-maar een zeer kort bezoek-aan deze lagere wereld. Om Paulus een apostel te doen zijn, was het nodig, dat Hij den Heere gezien zou hebben, en zo heeft hij den Heere dan ook gezien, 1 Corinthiërs 9:1, 15:8. Dit licht heeft hem plotseling omschenen, ijlings, onverwacht, toen Paulus daar wel het allerminst aan dacht, en zonder voorafgaande waarschuwing. Dikwijls openbaart Christus zich aan arme zielen plotseling en gans onverwacht, en Hij komt hen voor met de zegeningen Zijner goedheid. Dat hebben de discipelen, die Christus tot zich geroepen heeft, ondervonden. Eer ik het wist. Hooglied 6:12. Het was een licht van den hemel, de fontein van licht, van den God des hemels, den Vader der lichten. Het was een licht, boven den glans der zon, Hoofdstuk 26:13, want het was zichtbaar op den middag, en overschitterde de zon in hare middagskracht en glans, Jesaja 24:23. Het omscheen hem, het scheen hem niet slechts in het gelaat, maar omscheen hem aan alle kanten, hoe hij zich ook keert of wendt, hij ziet er zich van omringd. En dit was bedoeld, niet slechts om hem te verschrikken en zijne aandacht op te wekken, want hij kan voorzeker verwachten iets te zullen horen, nu hem iets zo buitengewoons te zien is gegeven, maar om hem te beduiden, dat zijn verstand verlicht zal worden door de kennis van Christus. De duivel komt tot de ziel in duisternis, daardoor verkrijgt hij en behoudt hij er bezit van. Maar Christus komt tot de ziel in licht, want Hij is zelf het Licht der wereld, schitterend en heerlijk in zich zelven, weldadig en liefelijk voor ons, als licht. Het eerste in de nieuwe schepping, is, evenals in de schepping der wereld, licht, 2 Corinthiërs 4:6. Vandaar dat alle Christenen gezegd worden kinderen des lichts en des dags te zijn, 1 Thessalonicenzen 5:5.
3. Het beslag leggen op Saulus en zijne medegenoten. Hij viel ter aarde, vers 4. Sommigen denken, dat hij te voet was, en dat dit licht, hetwelk misschien van een donderslag vergezeld ging, hem zo verschrikte, dat hij niet kon blijven staan, maar op zijn aangezicht ter aarde viel, dat gewoonlijk ene houding is van aanbidding, doch hier van verschrikking en verbazing. Waarschijnlijk reed hij echter, zoals Bileam, toen hij uitging om Israël te vloeken, en wellicht heeft hij zelfs een edeler dier bereden dan hij, want Saul bekleedde nu een openbaar ambt, hij was gehaast, en de reize was lang, zodat hij waarschijnlijk wel niet te voet gereisd zal hebben. Het plotselinge licht kon het dier verschrikt hebben, dat hij bereed, zodat het hem uit het zadel wierp, en het was Gods goede beschikking over hem, dat hij zich niet bezeerd had in zijn val, maar den engelen was inzonderheid bevolen hem te bewaren. Uit Hoofdstuk 26:14 blijkt, dat allen, die met hem waren, evenals hij ter aarde zijn gevallen, maar de bedoeling gold hem. Dit kan beschouwd worden:
A. Als de uitwerking van Christus' verschijning aan hem, en van het licht, dat hem omscheen. Christus' openbaringen van zich zelven aan de zielen zijn verootmoedigend, zij doen hen zeer laag neerliggen, in een gering, minachtend denken van zich zelven, en ene nederige onderworpenheid aan den wil van God.
Nu ziet U mijn oog, zegt Job, daarom verfoei ik mij. Ik zag den Heere, zegt Jesaja, zittende op een hogen en verheven troon.. toen zei ik: Wee mij, want ik verga.
B. Als een stap nader tot zijne bevordering. Hij is bestemd, niet slechts om een Christen te zijn, maar een leraar, een apostel, een groot apostel, en daarom moet hij terneder worden geworpen. Zij, die door Christus bestemd zijn voor de hoogste ere, worden gewoonlijk eerst in het stof gelegd. Zij, die bestemd zijn om uit te munten in kennis en genade, worden gewoonlijk eerst zeer laag gehouden in het besef hunner onwetendheid en zondigheid. Degenen, die God zal gebruiken, worden eerst terneder geworpen in de bewustheid hunner onwaardigheid om gebruikt te worden. C. Hoe Saulus nu beschuldigd wordt. Door zijn val gevangen genomen, en, als het ware, voor den rechterstoel gebracht, hoorde hij ene stem, die tot hem zei, (en het was onderscheidenlijk tot hem alleen, want zij, die met hem waren, hoorden wel de stem, -het geluid, -vers 7, maar zij verstonden de woorden niet, Hoofdstuk 22:9.) Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Merk hier op: Dat Saulus niet slechts een licht zag van den hemel, maar ene stem van den hemel hoorde. Overal waar de heerlijkheid Gods gezien werd, is ook het woord Gods gehoord. Gods openbaringen van zich zelven waren nooit pantomimen, of stomme vertoningen, want Hij heeft boven Zijn gansen naam Zijn woord groot gemaakt. En wat gezien werd, was altijd bestemd om den weg te banen voor hetgeen gezegd werd. Saulus hoorde ene stem. Het geloof is uit het gehoor, vandaar dat de Geest gezegd wordt ontvangen te zijn uit de prediking des geloofs, Galaten 3:2. De stem, die hij hoorde, was de stem van Christus, toen hij den Rechtvaardige zag, heeft hij de stem uit Zijn mond gehoord, Hoofdstuk 22:14. Het woord, dat wij horen, zal ons nuttig en voordelig zijn, wanneer wij het als de stem van Christus horen, 1 Thessalonicenzen 2:13. Het is de stem mijns Liefsten. Gene stem dan de Zijne kan het hart bereiken. Het gezicht en het gehoor zijn de twee zintuigen, waarmee men leert, door die beide deuren is Christus hier tot Sauls hart ingegaan. Wat hij hoorde was om hem te doen opwaken. Hij werd tweemaal bij zijn naam geroepen, Saul, Saul. Sommigen denken, dat Hij, door hem Saul te noemen, heen wijst naar den groten vervolger van David, wiens naam hij droeg. Hij was inderdaad een tweede Saul, een even groot vijand van den Zone David's, als de eerste Saul van David geweest is. Dat noemen van hem bij zijn naam geeft de bijzondere genegenheid te kennen, die Christus voor hem had, Ik riep u bij uwen naam, Ik noemde u toe, hoewel gij Mij niet kende, Jesaja 45:4, -Zie Exodus 33:12. Door dat Hij hem bij zijn' naam riep kwam de overtuiging van zonde tot zijn geweten, en werd het buiten allen twijfel gesteld tot wie de stem sprak. Wat God spreekt in het algemeen, zal ons dan eerst waarschijnlijk goed doen, als wij het toepassen op ons zelven, en onzen naam schrijven op alle geboden en beloften, die in het algemeen zijn uitgedrukt, alsof God met name tot ons spreekt, en als Hij zegt: o! gij allen, alsof Hij zei: o, gij, die, of die, Samuël, Samuël, Saul, Saul. Dat herhalen van den naam: Saul, Saul, geeft te kennen, Ten eerste, den diepen slaap, waardoor Saulus was bevangen, hij moest wederom en nogmaals worden geroepen, zoals in Jeremia 22:29. O land, land, land! Ten tweede. De tedere bezorgdheid, die de gezegende Jezus koesterde voor hem en voor zijne bekering. Hij spreekt dringend en vurig, het is als: Martha, Martha! Lukas 10:41, of Simon, Simon! Lukas 22:31, of, Jeruzalem, Jeruzalem! Mattheus 23:37. Hij spreekt tot hem, als tot iemand, die zich in dreigend gevaar bevindt, aan den rand van den afgrond is, op het punt van er in neer te storten. "Saul, Saul! weet gij waarheen gij op weg zijt, zijt gij u bewust van hetgeen gij doet? De beschuldigende vraag, die tot hem gericht wordt, luidt: Wat vervolgt gij Mij? Merk hier op, ten eerste: Eer Saulus tot een heilige wordt gemaakt, wordt hem eerst getoond, dat hij een zondaar is, een groot zondaar, een zondaar tegen Christus. Nu wordt het hem gegeven het kwaad te zien in zich zelven, dat hij nooit te voren gezien heeft, de zonde is weer levend geworden, doch hij is gestorven, Romeinen 7:9. Ene verootmoedigende overtuiging van zonde is de eerste stap tot de zaligmakende bekering van zonde. Ten tweede. Hij wordt overtuigd van ene, bijzondere, zonde, waaraan hij het openlijkst schuldig was, en waarin hij zich had gerechtvaardigd, en hiermede is de weg bereid voor zijne overtuiging van al de overigen. Ten derde. De zonde, waarvan hij overtuigd wordt, is vervolging, Wat vervolgt gij Mij? Het is een liefdevol verwijt, aandoenlijk, zodat een stenen hart er door vertederd zou worden. Let op den persoon, die de zonde doet: "Gij zijt het, gij, niet een van de ruwe, onwetende, onnadenkende schare, die alles willen vernietigen, wat zij met een slechten naam horen noemen, maar gij, die ene wetenschappelijke opleiding hebt gehad, gij, die goede verstandelijke vermogens hebt, begaafd zijt, kennis hebt van de Schrift, die, zo gij er behoorlijk over nadacht, u de dwaasheid uwer zonde zou doen inzien. Het is erger in u dan in iemand anders". En let nu op den Persoon, tegen wie gezondigd wordt. "Ik ben het, die u nooit enig leed heb gedaan, die van den hemel op aarde ben gekomen om u goed te doen, die kortelings voor u gekruisigd werd. Was dit nog niet genoeg, en moet Ik opnieuw door u gekruisigd worden?" Let voorts op den aard en het voortduren der zonde. Het was vervolging, en hij hield er zich op dit ogenblik mede bezig. "Gij hebt niet slechts vervolgd, maar gij vervolgt, gij volhardt er in, gij gaat er mede voort". Op dit ogenblik trok hij niemand naar de gevangenis, doodde hij niemand, maar het was de boodschap, waarop hij uit was, waarvoor hij naar Damascus reisde. Hij was er mede bezig, en verheugde er zich in. Zij, die kwaad beramen, doen het reeds in Gods oog. De vraag, die hem gedaan wordt, luidt: "Waarom doet gij het?" Dat is de taal der klachte. "Waarom handelt gij zo onrechtvaardig, zo onvriendelijk met Mijne discipelen?" Christus heeft nooit zo veel geklaagd over hen, die Hem in Zijn eigen Persoon hebben vervolgd, als Hij klaagde over hen, die Hem in Zijne volgelingen hebben vervolgd. Hij klaagt er over als over Saulus'zonde: "Waarom zijt gij zulk een vijand van u zelven, van uwen God?,' De zonde der zondaren is een smartelijke, zwaardrukkende last voor den Heere Jezus. Hij is er bedroefd om, Markus 3:5, Het is ene overtuigende taal: "Waarom doet gij alzo? Kunt gij er ene goede reden voor opgeven?" Het is goed voor ons, om ons dikwijls af te vragen, waarom wij zo of zo handelen, opdat wij mogen bemerken hoe onredelijk de zonde is, en van alle zonden is er geen zo onredelijk, zo onverklaarbaar, als de zonde van Christus' discipelen te vervolgen, inzonderheid, als het ontdekt wordt vervolging van Christus te zijn. Diegenen hebben gene kennis, die Gods volk opeten, Psalm 14:4. Waarom vervolgt gij Mij? Hij dacht, dat hij slechts een gezelschap van arme, zwakke, domme lieden vervolgde, die een aanstoot, een doren in het oog waren voor de Farizeeën, weinig vermoedende, dat het Een was in den hemel, dien hij gedurende al dien tijd beledigde, want voorzeker, indien hij het had geweten, hij zou den Heere der heerlijkheid niet vervolgd hebben. Zij, die de heiligen vervolgen, vervolgen Christus zelven, en wat tegen hen gedaan wordt, beschouwt Hij als gedaan tegen Hem zelven, en dienovereenkomstig zal in den groten dag hun oordeel zijn, Mattheus 25:45. 5. Sauls vraag op deze beschuldiging, en het antwoord er op, vers 5.
A. Hij doet onderzoek naar Christus: Wie zijt gij, Heere? Hij geeft geen direct antwoord op de beschuldiging, tegen hem ingebracht, daar hij door zijn eigen geweten overtuigd en veroordeeld wordt. Als God met ons wil twisten om onze zonden, niet een uit duizend zullen wij Hem kunnen antwoorden, inzonderheid wegens zulk ene zonde als de zonde der vervolging. Overtuiging van zonde, zal, als zij met kracht tot de consciëntie wordt gebracht, aan alle verontschuldiging en zelf- rechtvaardiging het zwijgen opleggen. Zo ik rechtvaardig ware, zou ik toch niet antwoorden. Maar hij verlangt te weten wie zijn rechter is. De toespraak is eerbiedig: Heere. Hij, die Christus' naam gelasterd heeft, spreekt Hem nu aan als Heere. De vraag is gepast: Wie zijt gij? Dit duidt zijne tegenwoordige onbekendheid aan met Christus. Hij kende Zijne stem niet, zoals Zijne eigene schapen haar kennen, maar hij verlangt bekend met Hem te worden. Door het licht, dat hem omscheen, was hij overtuigd, dat het een is uit den hemel, die met hem spreekt, en hij heeft eerbied voor alles, dat hem toeschijnt van den hemel te komen, en daarom: Wie zijt gij, Heere? Wat is uw naam? Richteren 13:17, Genesis 32:29. Er is hoop voor de mensen, als zij beginnen onderzoek te doen naar Jezus Christus.
B. Onmiddellijk ontvangt hij een antwoord, waarin wij zien: Hoe Christus zich genadiglijk aan hem openbaart. Hij is altijd bereid de ernstige vragen te beantwoorden van hen, die verlangen met Hem bekend te worden. Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. De naam Jezus was hem niet onbekend, zijn hart was menigmaal in opstand er tegen geweest, en zeer gaarne zou hij hem der vergetelheid prijs hebben gegeven. Hij wist, dat het de naam was, dien hij vervolgde, maar weinig dacht hij hem van den hemel te horen, of van uit zulk ene heerlijkheid, als hem nu omscheen. Christus brengt de zielen in gemeenschap met Hem, door zich er aan te openbaren. Hij zei, Ten eerste: Ik ben Jezus, een Zaligmaker, Ik ben Jezus, de Nazarener, zo vinden wij het in Hoofdstuk 22:8. Saulus placht Hem zo te noemen, toen hij Hem lasterde. "Ik ben diezelfde Jezus, dien gij in minachting en haat Jezus den Nazarener placht te noemen". En Hij wil tonen, dat Hij, nu Hij in de heerlijkheid is, zich Zijner vernedering niet schaamt.
Ten tweede. "Ik ben Jezus, dien gij vervolgt, en daarom loopt gij zeer groot gevaar, als gij volhardt in uwen bozen weg". Niets is krachtiger om de ziel te doen opwaken, en haar te verootmoedigen, dan te zien, dat de zonde tegen Christus gericht is, Hem beledigt en Zijne bedoelingen tegenwerkt. Met zachtmoedigheid bestraft Hij hem: Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan, de voeten tegen de sporen te slaan. Het is hard, het is op zich zelf iets ongerijmds, iets kwaads, en het zal noodlottige gevolgen hebben voor hem, die dat doet. Diegenen slaan de verzenen tegen de prikkels, die de overtuiging smoren van het geweten, die in opstand zijn tegen Gods waarheden en wetten, die ontevreden zijn met de beschikkingen Zijner voorzienigheid, die Zijne dienstknechten tegenstaan en vervolgen, omdat zij hen bestraffen, en omdat hun woorden als prikkels zijn en als nagelen. Zij, die al meer en meer rebelleren, als zij door het woord of de roede Gods worden getroffen, in woede worden ontstoken om bestraffing, toornig uitvaren tegen hun bestraffers, zij zijn het, die de verzenen tegen de prikkels slaan, en die zeer veel te verantwoorden zullen hebben. 6. Zijne onderwerping aan den Heere Jezus ten laatste, vers 6. Zie hier: De gemoedsgesteldheid, waarin hij verkeerde, toen Christus met Hem handelde. Hij sidderde, als iemand, die in groten angst is. Ene sterke overtuiging van zonde, die door den gezegenden Geest in het hart gewerkt is, zal de ontwaakte ziel doen beven. Hoe kunnen zij anders dan sidderen, aan wie te zien is gegeven, dat de eeuwige God in toorn tegen hen is ontstoken, dat de gehele schepping krijg tegen hen voert, en dat hun eigene zielen aan den rand des verderfs zijn! Hij was verschrikt en verbaasd, als iemand, die in ene nieuwe wereld is overgezet, en niet weet waar hij is. Het van zonde overtuigende, bekerende werk van Christus is verbazingwekkend voor de ontwaakte ziel, en vervult haar met bewondering. "Wat is het, dat God met mij gedaan heeft, en wat zal Hij doen!" Zijne toespraak tot Jezus Christus toen hij in die gemoedsgesteldheid was. Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? Dit kan beschouwd worden:
A. Als een ernstig verzoek om Christus' onderricht, "Heere, ik zie, dat ik tot nu toe buiten den weg ben geweest. Gij hebt mij mijne dwaling doen inzien, breng mij nu terecht, Gij hebt mij mijne zonde ontdekt, ontdek mij nu ook den weg tot vergeving en vrede". Het is als het: Wat zullen wij doen, mannen broeders? Ene ernstige begeerte om door Christus onderwezen te worden in den weg der zaligheid is een bewijs, dat er een goed werk in de ziel is begonnen. Of:
B. Als ene oprechte overgave van zich zelven aan de leiding en het bestuur van den Heere Jezus. Dit was het eerste woord, dat de genade in Paulus gesproken heeft, en daar-. mede begon een geestelijk leven: Heere Jezus, wat wilt Gij, dat ik doen zal? Wist hij niet wat hij te doen had? Had hij zijn lastbrief niet in den zak? Wat had hij dan anders te doen, dan zijn last te volbrengen? Neen, hij had reeds genoeg van dat werk gedaan, en hij besluit nu van meester te veranderen, en zich met beter werk bezig te houden. Nu is het niet: Wat willen de hogepriester en de ouderlingen dat ik doen zal? Wat willen mijne eigene boze lusten en hartstochten, dat ik doen zal? Maar, Wat wilt Gij, dat ik doen zal? De grote verandering in de bekering is gewerkt op den wil, en bestaat in de overgave van dien wil aan den wil van Christus. De algemene aanwijzing, die Christus, in antwoord op Zijne vraag, hem gegeven heeft.
Sta op en ga in de stad Damascus, waar gij u nu zo dicht bij bevindt, en u zal aldaar gezegd worden wat gij doen moet. Het is aanmoediging genoeg, dat hem nader onderricht beloofd wordt, maar, hij moet dit nu nog niet ontvangen, binnen kort zal hem gezegd worden wat hij doen moet. Voor het ogenblik moet hij nadenken over hetgeen hem gezegd is, en het zich ten nutte maken. Laat hij voor ene wijle nadenken over hetgeen hij gedaan heeft in zijn vervolgen van Christus, en er diep om verootmoedigd zijn, en dan zal hem gezegd worden wat hij verder te doen heeft. Hij moet het niet op die wijze horen door ene stem van den hemel, want het is duidelijk, dat hij dit niet kan dragen. Hij siddert en is verbaasd, daarom zal hem gezegd worden wat hij doen moet door een mens gelijk hij zelf is, wiens verschrikking hem niet bevreesd zal maken, en wiens hand niet zwaar op hem zal zijn, zoals Israël begeerde bij den berg Sinaï. Of wel, het is een wenk, ene aanduiding, dat Christus zich op een anderen tijd nader aan hem zal openbaren, als hij kalmer zal zijn, en deze schrik tot bedaren zal zijn gekomen. Christus openbaart zich trapsgewijze aan Zijn volk, en zowel wat Hij doet, als wat Hij wil, dat zij doen zullen, weten zij nu nog niet, maar zij zullen het hierna verstaan. 7. In hoeverre zijne medereizigers hierdoor aangedaan werden, en welken indruk het op hen maakte. Evenals hij, zijn zij ter aarde gevallen, maar zij zijn, zonder dat het hun gezegd was, opgestaan, dat hij niet deed. Hij lag stil neer, totdat hem gezegd werd: Sta op, want hij lag onder een zwaarderen last dan iemand hunner. Maar toen zij waren opgestaan, stonden zij sprakeloos als mensen in de uiterste verwarring en verlegenheid, en dat was alles, vers 7. Zij waren op dezelfde goddeloze boodschap uit als Paulus, en wellicht waren zij even boosaardig als hij, toch bevinden wij niet, dat iemand hunner bekeerd werd, hoewel zij het zagen, er door ter aarde werden geworpen en verstomd waren. Gene uitwendige middelen zullen op zich zelven, ene verandering werken in de ziel, zonder den Geest en de genade van God, die onderscheidt tussen den een en den ander. Onder hen, die te zamen reizen, wordt de een aangenomen, en de anderen verlaten. Zij stonden sprakeloos, geen hunner zei: Wie zijt gij, Heere? of, Wat wilt Gij dat ik doen zal? zoals Paulus gevraagd heeft, maar geen van Gods kinderen wordt stom geboren.
Zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. Zij hoorden Paulus spreken, maar zagen Hem niet, tot wie hij sprak, ook hebben zij niet duidelijk gehoord, wat tot hem gezegd werd, hetgeen dit overeenbrengt met hetgeen hiervan gezegd wordt in Hoofdstuk 22:9, zij zagen wel het licht en werden zeer bevreesd, hetgeen zij gekund hebben, zonder, evenals Paulus, iemand in het licht te zien, maar de stem degene, die tot Paulus sprak hoorden zij niet, dat is: zij hoorden haar niet zo dat zij haar verstonden, zij hoorden slechts een verward geluid. Zij dus, die daar gekomen waren als werktuigen van Paulus' woede tegen de kerk, dienen tot getuigen van Gods macht over hem. 8. De toestand, waarin Paulus zich daarna bevond, vers 8, 9.
A. Hij stond op van de aarde, toen Christus het hem gebood, maar waarschijnlijk niet zonder hulp, daar hij door het visioen zwak en mat was geworden, ik wil niet zeggen zoals Belsazar, toen de banden zijner lendenen los werden, en zijne knieën tegen elkaar stieten, maar gelijk Daniël, toen hij door het visioen, dat hij zag, gene kracht behield, Daniël 10:16, 17.
B. Als hij zijne ogen opendeed, bevond hij, dat hij blind was, niemand zag, geen van de mannen, die met hem waren, en die zich nu bezig met hem begonnen te houden. Het was niet zo zeer het schitterende licht, dat zijne ogen verblindde, want dan zouden zij, die met hem waren, ook het gezicht verloren hebben, maar het was het zien van Christus, dien de overigen niet zagen, dat die uitwerking op hem had. Zo zal een gelovig zien van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus de ogen verblinden voor alles wat hier beneden is. Ten einde de ontdekking van zich zelven en van Zijn Evangelie aan Paulus te bevorderen, heeft Christus hem het gezicht van alle andere dingen benomen, daarvan moet hij afzien, ten einde op Jezus te zien en op Hem alleen.
C. Hem bij de hand leidende, brachten zij hem te Damascus, of het naar ene herberg was, of naar het huis van een vriend is niet zeker, maar aldus is hij, die de discipelen van Christus als gevangenen naar Jeruzalem dacht te leiden, zelf als gevangene van Christus naar Damascus geleid. Aldus werd hem geleerd, welk ene behoefte hij had aan de genade van Christus, om zijne ziel (die van nature blind was, en onderhevig aan dwaling) in alle waarheid te leiden.
D. Hij lag daar neer, zonder het gezicht zijner ogen, en zonder voedsel, hij was drie dagen, dat hij niet zag, en hij at niet en dronk niet, vers 9. Ik deel de mening niet van sommigen, dat hij toen opgetrokken is geweest in den derden hemel, waarvan hij spreekt in 2 Corinthiërs 12. Veeleer hebben wij reden te denken, dat hij al dien tijd in den buik des grafs, of der hel, is geweest, lijdende onder de verschrikking Gods vanwege zijne zonden, die hem nu ordelijk voor ogen waren gesteld. Hij was in duisternis ten opzichte van zijn geestelijken staat, en zo verslagen van geest vanwege zijne zonde, dat hem spijs noch drank kon bekoren.