Jeremia 49:7-22
Vervolgens komen de Edomieten aan de beurt om uit Jeremia's mond, Gods doemvonnis te vernemen, ook zij waren erfvijanden van het volk Gods. De dag van de afrekening nadert en is nabij, hij wordt voorspeld, niet alleen tot hun waarschuwing maar ook tot troost voor het Israël Gods, wiens beproeving zeer verzwaard is door Edoms zegepraal over hen en genot in hun vernedering, Psalm 37:7. Vele uitdrukkingen in deze profetie aangaande Edom zijn ontleend aan die van Obadja. Aangezien alle profeten geïnspireerd zijn door een en dezelfde Geest, moet er noodzakelijk harmonie zijn in haar voorzeggingen.
Hier nu wordt voorspeld,
I. Dat het land Edom geheel verwoest zal worden, dat Ezau's verderf over hen gebracht wordt, het verderf, dat hij verdiend en God reeds lang om zijn zonde voor hem bestemd had, vers 8. De tijd is nabij, dat God hem zal bezoeken om ter verantwoording roepen. Dan zullen zij allen vlieden voor het zwaard, zich wenden van de strijd en wonen in diepe plaatsen, waar zij zich verborgen hebben. Al wat zij hebben zal door de overwinnaar weggevoerd worden, wijnlezers zouden nog een nalezing overgelaten hebben, en dieven zouden alleen verdorven hebben zoveel hun genoeg was, maar deze zullen onverzadiglijk zijn, vers 9, 10- zij zullen Edom ontbloten, ja alles ontnemen. Zij zullen middelen en wegen vinden om zelfs hun verborgenste schatten op te sporen waar de rijkdom veilig verborgen geacht wordt. Niemand zal iets van zijn schatten overhouden, noch ook zijn kinderen behouden, die hij in een geheime kamer mocht verstoken hebben. Hij zal zich niet hun versteken, zijn zaad is verstoord. Ook zijn broeders, de Moabieten, en zijn naburen, de Filistijnen, van wie hij hulp verwacht kon hebben of ten minste enige steun, zijn onmachtig iets te zijn behoeve te doen. Hij is niet meer, hem is niemand gelaten, die zeggen zou: vers 11 :Laat uw wezen achter, Ik zal ze in het leven behouden. Wanneer zij vlieden of sterven, zo blijft geen vriend of verwante over, zelfs geen overheid om de achtergelaten vrouwen en kinderen te verzorgen. Edom is niet meer, hij is afgesneden en weggegaan, daar is geen een om te zeggen: "Laat mij uw wezen." Wanneer een huisvader gedood wordt of vluchten moet, dan is het een troost, zo hij de zijnen aan een vriend kan toevertrouwen, maar zij zullen zulk een vriend missen, want allen zullen in dezelfde ellende delen. De Chaldeërs spraken in Gods naam deze woorden tot Zijn volk, onderscheid makende in deze rampen tussen hen en de Edomieten: "Want gij, o huis Israëls, gij zult uw wezen niet verlaten, Ik zal hen zeker stellen, en laat uw weduwen op Mijn woord vertrouwen. Wat de weduwen en wezen van de Edomieten ook overkomt, Ik zal voor de uw zorg dragen". Zie, het is een onuitsprekelijke troost voor Gods kinderen, wanneer zij sterven, dat zij hun overlevende betrekkingen aan God mogen overlaten en ze in het geloof Hem toevertrouwen. En al kunnen ze zich voor hen in deze wereld geen grote dingen beloven, toch mogen ze hopen, dat God ze in het leven zal behouden, wanneer namelijk ook zij op Hem vertrouwen. Laat de Edomieten voor hun deel op niets anders rekenen dan tot een ontzetting, tot een smaadheid, want het besluit is uitgegaan, God heeft bij Zichzelf gezworen, vers 13, dat hun steden zullen worden tot eeuwige woesternij. Zij zullen gering en verachtelijk worden, ze hadden een groots voorkomen, maar God zal ze klein maken onder de heidenen, degenen, die Gods volk veracht hebben, zullen zelf veracht zijn onder de mensen, vers 15,. Obadja 2. Ja, zij zullen tot een ontzetting worden, vers 17. Alzo zal Edom worden tot een ontzetting, en al wie voorbij haar gaat zal zich ontzetten en fluiten over alle haar plagen. Erger nog: het zal een schrik worden. Edom zal worden gelijk Sodom en Gomorra, niemand zal zijn puinhopen bezoeken, niemand zal daar wonen vers 18, zo'n vreselijke plaats zal het worden. II. Dat de werktuigen van deze verwoesting voortvarend en geducht zouden zijn. Zij hebben hun zending van God, Hij roept ze op tot Zijn dienst, vers 14, Ik heb een gerucht gehoord van de Heere, door de profetie van Obadja, heb het mij horen toefluisteren, dat daar een gezant is gezonden onder de heidenen, die Edom moeten verwoesten, zeggende: Vergadert u en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde, want vers 20, dit is de raadslag, die Hij over Edom heeft beraadslaagd. De zaak is vastgesteld, het besluit uitgevaardigd, en daar is geen tegenhouden mogelijk. God heeft besloten, dat Edom zal verwoest worden, en hij, die daartoe gebruikt wordt, zal met haast en met geweld komen. Nebukadnezar is de man, die hier bedoeld wordt.
1. Hij zal komen gelijk een leeuw, met kracht en woestheid, gelijk een woedende leeuw van de verheffing van de Jordaan, die haar oevers overstroomt, zodat zij haar gewone bedding verlaat en de hogere gronden bedekt, vers 19. Hij zal komen brullende, om te verslinden al wat hem in de weg treedt. Hij zal opkomen tegen de sterke woning, tegen forten en kastelen want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen, zodat hij onverwacht verschijnt en de Edomieten onvoorbereid en weerloos vindt. Wie daartoe verkoren is, die zal Ik tegen haar doen snellen, om Mijn oordeel uit te voeren, een man voor dit doel geschikt. Als God werk te doen heeft, kiest hij daartoe de geschiktste instrumenten uit: "Wie is Mij gelijk in de keuze van werktuigen en wie bekwaamt ze voor hun taak, gelijk Ik? En wie zal Mijn tijd bepalen? Wie zal Mij dagvaarden, en tijd en plaats vaststellen om Mij te ontmoeten? Wie zal in de krijg tegen mij vermogen? En wanneer Ik een leeuw onder de kudden zend, wie is de herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? die die leeuw durft weerstaan en de kudde, of ook maar een enkele dier kudde kan redden?" Zie, als God een taak te volbrengen heeft van welke aard ook, dan vindt Hij degenen, die daartoe in staat zijn, en de gehele wereld vindt niemand, die Gods gezant weerstaat. Indien God besluit Edom te verwoesten, en Zijn volk te verstrooien, dan is er zelfs geen leeuw, geen fiere leeuw nodig: zelfs de geringste van de kudden zullen hen neertrekken, vers 20. De minste dienaar in Nebukadnezars gevolg, de zwakste onder hen, die hem volgen, zal ze neertrekken voor de slachting, zal ze dwingen tot de vlucht of de overgave, en hunlieder woning boven hen verwoesten. God kan de grootste dingen zelfs door de onaanzienlijkste werktuigen uitvoeren. Als de Chaldeën tegen de Edomieten aanrukken, zullen alle handen gebruikt worden, en zelfs de armste soldaat zal vol moed zijn.
2. Nebukadnezar zal komen, niet alleen gelijk een leeuw, de koning van de dieren, maar ook gelijk een arend. de koning van de vogelen. vers 22. Hij zal opkomen en snel vliegen als een arend naar zijn prooi, zo snel, zo krachtig, hij zal zijn vleugelen over Bozra uitbreiden, om het te bemachtigen, Hoofdstuk 48:40, en terstond zal het hart van Edoms helden wezen als het hart van een vrouw, die in nood is. Zij zullen zien, dat het tevergeefs is met die vijand te strijden.
III. Dat alle vertrouwen van de Edomieten ten dage hunner ellende zal falen.
1. Zij vertrouwden op hun wijsheid, maar die zal hun niet baten. Dit wordt in de profetie tegen Edom eerst genoemd, vers 7. Dat volk was bekend om zijn wijsheid, en zijn staatslieden waren beroemd om hun beleid. En toch zullen zij nu zo verkeerde en dwaze maatregelen nemen, dat al hun plannen verijdeld worden, en men met verbazing vragen zal: "Wat is er met de Edomieten? Is er dan geen wijsheid meer in Theman? Zijn de wijzen uit het Oosten dwazen geworden, 1 Koningen 4:30. Zijn diegenen ten einde raad, die geacht worden, de voorzichtigheid in pacht te hebben? Is de raad vergaan van de verstandigen?" Zo is het, wanneer God de ondergang van een volk heeft vastgesteld, want die Hij wil verderven, die verdwaast Hij. Zie Job 12:20. Is hun wijsheid vergaan? Is ze versleten? "Is ze onnut geworden?" Ja, ze zal hun geen nut doen, wanneer God komt om met hen te twisten.
2. Zij vertrouwden op hun kracht, maar ook die zal niet helpen, vers 16. Zij waren een schrik geweest voor al hun naburen, ieder vreesde en ontzag hen, en dit maakte hen trots en verwaand en zelfgenoegzaam. Geen naburig volk dorst zich met hen meten, en zij meenden dat geen enkel volk in de gehele wereld het dorst. Hun land was voor een groot gedeelte bergachtig, en de passen, die er heenleidden, geloofden ze tegen elke indringer te kunnen verdedigen. Maar hun schrik rondom bedroog hen, en de ontoegankelijkheid van hun land bleek een inbeelding. Zij waren niet zo sterk als zij gewaand hadden, noch zo veilig als het scheen. Hoe hoog zij ook waren, God zou ze vernederen, want "daar is geen wijsheid en daar is geen macht tegen de Heere." Zie Obadja: 3, 4, 8.
IV. Dat hun verderf onafwendbaar en zeer opmerkelijk zou zijn.
1. God heeft het besloten, vers 12- Hij heeft het gesproken, ja, vers 12. Hij heeft het gezworen dat de Edomieten niet enigszins onschuldig zullen gehouden worden, maar dat zij de beker van de verschrikking ganselijk zullen drinken, die alle naburige volken was te drinken gegeven. Zelfs degenen, wier vonnis of oordeel niet was, die beker te drinken, die die niet zo verdiend hadden als zij, niet zo felle vijanden van Israël, of Israël zelf, dat Gods uitverkoren volk was (en onder hen waren nog velen, zeer velen, die Gods geboden onderhielden en dus konden verwacht hebben, een uitzondering te maken): -zullen toch die beker drinken, en zal Edom dan daarvan verschoond worden? Neen, "het zal die beker ganselijk drinken". Zie, wanneer God de minder schuldigen straft, is het dwaasheid, zo de meer schuldigen straffeloosheid verwachten. En wanneer het oordeel van het huis Gods begint, wat zal het dan voor de vreemden zijn?
2. De gehele wereld zal er getuige van zijn, vers 21. De aarde heeft gebeefd, en alle volken zijn ontsteld, van het geluid van hun val, de tijding zal hen doen sidderen. Het geluid van hun val, van het gekrijt is gehoord bij de Schelfzee die niet ver van Edom af lag. Zo luid zal het gejuich van de overwinnaars en het geschreeuw van de overwonnenen wezen, en zo'n diepen indruk zal het nieuws van de val van Edom op de volken maken dat het zal vernomen worden op de schepen, die in de Rode Zee liggen om hun lading in te nemen, 1 Koningen 9:26- en die zullen het bericht meevoeren naar de verst verwijderde stranden. Zie de val dergenen die met pracht en macht gepraald hebben, zei des te meer geraas maken.