Jeremia 46:13-28
I. In deze verzen wordt schrik en ontsteltenis over Egypte uitgesproken. De vervulling van de voorspelling in het eerste deel van dit hoofdstuk stelde de Egyptenaars buiten staat aanvallen op andere volken te doen, want wat konden zij doen, als hun leger vernietigd was? Maar toch waren zij nog sterk in hun eigen land, en niemand van hun naburen durfde een aanval op hen te doen. Hoewel de koning van Egypte niet meer "uit zijn land toog," 2 Koningen 24:7, was hij in zijn eigen land toch veilig en rustig, en wat zou men meer verlangen dan het zijn in vrede te genieten? Men zou denken dat iedereen daarmee tevreden zou zijn, en niet begeren een inval te doen bij zijn naburen. Maar de maat van Egypte's ongerechtigheid is vol, en zij zullen niet lang meer van het hunne genieten, zij, die anderen besprongen, zullen nu zelf besprongen worden. Het doel van deze profetie is te tonen de spoedige aankomst van de koning van Babel, om Egypteland te slaan, en de oorlog, die zij vroeger naar zijn grenzen hadden gebracht, in hun eigen land over te brengen, vers 13. Dit werd vervuld door dezelfde hand als de vroegere profetie, die van Nebukadnezar, maar vele jaren later, minstens twintig en waarschijnlijk was de voorspelling er van lang na de vroegere voorspelling, en misschien omstreeks dezelfde tijd als die andere voorspelling van dezelfde gebeurtenis, die wij vonden in Hoofdstuk 43:10.
1. Hier wordt het krijgsrumoer in Egypte gehoord, tot hun grote ontsteltenis, vers 14, het land wordt bekend gemaakt, dat de vijand op komst is, het zwaard heeft verteerd wat rondom u is in de naburige landen, en daarom is het tijd voor de Egyptenaren om een verdedigende houding aan te nemen, zich ten oorlog toe te rusten, om de vijand een warme ontvangst te bereiden. Dit moet in alle delen van Egypte verkondigd worden, vooral te Migdol, Noph en Thachpanhes, omdat in deze plaatsen vooral de Joodse uitgewekenen, of liever vluchtelingen, zich neergezet hadden, Gods gebod verachtende, Hoofdstuk 44:1, en zij moeten horen, wat een armzalige schuilplaats Egypte voor hen worden zal.
2. De aftocht van de strijdkrachten van andere volken, die in soldij waren van de Egyptenaars, wordt hier voorspeld. Het is waarschijnlijk, dat een aanzienlijk getal van deze troepen geposteerd was aan de grenzen, om die te bewaken, waar zij door de invallers verslagen en op de vlucht gedreven worden. Toen werden de sterken weggevaagd, vers 15, als met een wegvagenden regen (dat woord wordt gebruikt in Spreuken 28, niemand kan stand houden, omdat "hen de Heere voortdreef," een ieder van zijn standplaats, Hij drijft ze voort door Zijn verschrikkingen, Hij drijft hen door de Chaldeën in staat te stellen hen voort te drijven. Het is niet mogelijk, dat zij vast zouden staan, die de toorn van God voortjaagt. Hij was het, vers 16, die van de struikelenden vele maakte, ja, als hun dag, om te vallen, komt, behoeft de vijand hen niet neer te werpen, zij zullen vallen "de een op de ander," iedereen zal een struikelblok zijn voor zijn makker, voor zijn volgeling. "Haar gehuurden, de troepen, die Egypte in haar dienst heeft, zijn inderdaad in haar midden als gemeste kalveren, vette mannen, krachtig van lichaam en hoog van moed, die geschikt zijn voor de strijd, en hoop geven, ieder zijn man te zullen doden, maar die hebben zich gewend, de moed ontzonk hun, en in plaats van te strijden, zijn zij tezamen gevlucht." Hoe konden zij ook standhouden tegen hun noodlot, daar "de dag huns verderfs over hen gekomen is" de dag, dat God hen in Zijn toorn bezoeken zal? Sommigen menen, dat zij vergeleken worden met gemeste kalveren om hun weelde, zij hadden gedarteld in vermaken, zodat zij volstrekt niet tegen moeilijkheden bestand waren en zich daarom hebben gewend en geen stand konden houden. In deze ontsteltenis,
a. Gingen zij allen op weg naar hun eigen land, vers 16 :"Zij zeiden: staat op, en laat ons wederkeren tot ons volk, waar wij beveiligd zullen zijn tegen het verdrukkende zwaard van de Chaldeën, dat alles voor zich neervalt." In tijd van nood kan weinig vertrouwen gesteld worden in huurtroepen, die uitsluitend tegen betaling strijden, en geen belang stellen in degenen, voor wie zij vechten.
b. Zij voeren hevig uit tegen Farao, aan wiens lafheid of verkeerde maatregelen hun nederlaag waarschijnlijk te wijten was. Toen hij hen aan de grenzen van zijn land plaatste, beloofde hij hun waarschijnlijk, dat hij binnen zoveel tijd zelf zou komen met een dapper leger van zijn eigen onderdanen om hen te ondersteunen, maar hij stelde hen teleur, en toen de vijand naderde, vonden zij niemand om hen te helpen, zodat zij overgeleverd waren aan de woede van de aanvallers. Geen wonder, dat zij hun post verlieten en uit de dienst wegliepen zeggende: Farao, de koning van Egypte, is maar een gedruis, vers 17, hij kan een grote mond opzetten, en met grote woorden spreken van de grote dingen, die hij doen zal, maar dat is ook alles, hij doet niets. Alle beloften aan zijn bondgenoten, of die in zijn dienst staan, gaan in rook op. Hij brengt de hulptroepen, waartoe hij zich verbonden heeft, in `t geheel niet, of niet voor het te laat is: "hij heeft de gezette tijd laten voorbijgaan, " hij hield zijn woord niet, hij hield zich niet aan de bepaalde dag, en daarom zeggen zij hem vaarwel, zij willen nooit meer onder hem dienen. Die in een of andere zaak het hoogste woord hebben, zijn veelal maar een gedruis. Grootsprekers doen weinig.
3. De geduchte macht van de Chaldeën wordt hier beschreven als een, die alles voor zich verwerpt. "De Koning van de koningen, Wiens naam is Heere van de heirscharen," en in Wiens ogen de machtigste koningen op aarde, schoon goden in onze ogen, slechts sprinkhanen zijn. Hij heeft het gezegd, Hij heeft het gezworen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt deze Koning, evenals Thabor de bergen en als Carmel de zee beheerst, zo zal de koning van Babel voorzeker aankomen en de gehele macht van Egypte overweldigen, zo groot zal zijn macht zijn en zo'n overwicht zal hij uitoefenen, vers 10. Hij en zijn krijgsmacht zullen tot haar komen met lijken, gelijk houthakkers, vers 22, en de Egyptenaars zullen evenmin in staat zijn hun weerstand te bieden, als de boom aan de man, die hem met een bijl komt afhouwen, zodat Egypte geveld zal worden als een woud door de houthakkers wat (als er velen zijn, en wel voorzien van doelmatige instrumenten) in korten tijd gedaan zal zijn. Egypte is zeer bevolkt, vol grote en kleine steden, als een woud, welks bomen "men niet tellen kan," en zeer rijk, vol van verborgen schatten, waarvan veel aan het onderzoekend oog van de Chaldeeuwse soldaten ontsnappen zal, toen zullen zij grote buit maken in het land, want zij "zijn meerder dan de sprinkhanen," die in grote zwermen komen en het land bedekken, en de groene spruiten opeten, zie Joël 1:6,7, zo zullen de Chaldeën ook doen, want "men kan ze niet tellen." De Heere van de heirscharen heeft talloze scharen tot Zijn beschikking.
4. De verwoesting van Egypte wordt hier voorspeld, en de schade, die het rijke land zal toegebracht worden. Egypte is nu een zeer schone vaars, of kalf, vers 20, vet en glanzig, en dat aan het juk nog niet gewend is, dartel als een weldoorvoede vaars en speelziek. Sommigen denken, dat dit een toepassing is op Apis, de stier of het kalf, dat de Egyptenaars aanbaden, van wie de kinderen Israëls het gouden kalf leerden aanbidden. Egypte is schoon als een godin, en aanbidt zichzelf, maar "de slachter komt, hij komt van het noorden, " vandaar zullen de Chaldeeuwse soldaten komen, als zovele slagers of offeraars, om deze schone vaars te doden en in stukken te hakken. De Egyptenaars zullen vernederd en getemd worden, en een anderen toon aanslaan: De dochter van Egypte is beschaamd, vers 24, zij is vol ontzetting. Haar stem zal gaan als van een slang, dat is, zacht en onderdanig, zij zullen niet loeien, als een schone vaars, die een groot geluid geeft, maar als slangen uit hun holen sissen. Zij zullen niet luide durven klagen over de wreedheid van hun overwinnaars, maar hun smarten in zacht gefluister lucht geven. Zij zullen nu niet, zoals zij gewoon waren, een ruw antwoord geven, maar, evenals "de arme smekingen" spreken, en om hun reven smeken.
a. Zij zullen gevankelijk naar `s vijands land weggevoerd worden, vers 19 :Gij, dochter, die veilig en keurig woont in Egypte, dat vruchtbare, aangename land, denk niet, dat het altijd duren zal, maar maak voor u gereedschap van de gevankelijke wegvoering, in plaats van rijke klederen, die de vijand maar zullen verzoeken u te beroven, moet gij u eenvoudige en warme klederen aanschaffen, zorg voor sterke schoenen, in plaats van mooie, en hardt u zelf, opdat gij alles te beter moogt dragen. Wij hebben er belang bij, onder al onze voorzorgen, ons voor te bereiden op ellende. Wij nemen maatregelen om onze vrienden te onderhouden, laat ons niet verzuimen maatregelen te nemen om onze vijanden te onderhouden, en bij onze uitrusting niets te vergeten voor de gevangenschap. De Egyptenaars moeten zich gereed maken te vluchten, want hun steden zullen ontruimd worden. Noph vooral, zal verlaten zijn, zonder inwoners, zo algemeen zal de slachting en de gevangenschap zijn. Er zijn sommige straffen, waarvan wij kunnen zeggen, dat de koning en de menigte vrij zijn, maar hier zijn ook deze eraan onderworpen: "Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, het wordt genoemd": (de volkrijke stad), Nahum 3:8. "Hand aan hand" zullen zij niet ontkomen, en niemand kan er aan denken onder de menigte te verdwijnen. Hoeveel er ook zijn, zij zullen bevinden, dat God altijd nog meer is. Hun koningen en al hun kleine vorsten zullen vallen, en hun goden ook, Hoofdstuk 43:12, 13, hun afgoden en hun aanzienlijken, die zij hun beschermgoden noemen, zullen hun geen bescherming geven. Farao zal vernederd worden, en allen, "die op hem vertrouwen," in `t bijzonder de Joden, die in zijn land kwamen wonen, en meer op hem vertrouwden dan op God. Deze allen zullen gegeven worden in de hand des volks van het noorden, vers 24, in de hand, niet alleen van Nebucadnezar, die machtige potentaat, maar ook in de hand "van zijn knechten," naar de vloek over de nakomelingschap van Cham, waartoe de Egyptenaars behoorden, dat hij zou zijn "een knecht van de knechten." Deze zoeken hun leven, en in hun hand zullen zij gegeven worden.
5. Er wordt kennis van gegeven, dat Egypte in vervolg van tijd zich herstellen zal vers 26 :Daarna zal zij bewoond worden, terwijl zij door deze verwoesting bijna ontvolkt was. Ezechiël voorspelt, dat dit zou zijn ten einde van 40 jaren, Ezechiël 29:13. Zie aan welke veranderingen de volken van de aarde onderworpen zijn, hoe zij verminderd worden, en weer toenemen, laten de volken, die bloeien, niet zeker zijn en zij, die op `t ogenblik in slavernij verkeren niet wanhopen.
II. Troost en vrede worden hier toegezegd aan het Israël Gods, vers 27, 28. Sommigen verstaan dit van hen, die de koning van Egypte met Joahaz gevankelijk had weggevoerd, maar wij lezen niet, dat er met hem gevankelijk weggevoerd zijn, daarom zal het eer betrekking hebben op de gevangenen te Babel, voor wie God genade bewaard had, of, meer in `t algemeen op al het volk van God, en bestemd voor hun bemoediging in de moeilijkste tijden, als de oordelen Gods over de volken komen. Wij vonden deze woorden van troost tevoren, Hoofdstuk 30:10, 11.
1. De goddelozen van de aarde mogen sidderen, zij hebben er reden voor, "maar gij Mijn knecht Jakob, vrees niet, en ontzet u niet, o Israël! en wederom: Mijn knecht Jakob, vrees niet!" God wilde niet, dat Zijn volk een vreesachtig volk zou zijn. 2. "De goddelozen van de aarde doet Hij weg als schuim," er zal nooit meer naar omgezien worden, maar Gods volk zal, om gered te worden, gevonden en vergaderd worden, al zijn zij ook ver weg, het zal verlost worden, al worden zij gevangen gehouden, en het zal terugkeren.
3. De goddeloze is "als een voortgedrevene zee, die niet kan rusten, zij vlieden waar geen vervolger is." Maar Jakob, die rust in God, "zal stil en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken, want ten dage als hij zal vrezen, zal hij op God vertrouwen."
4. De goddeloze "ziet God van verre, " maar waar gij ook zijt, o Jakob, "Ik ben met u, een hulp in benauwdheden."
5. De volken, die Gods Israël onderdrukken zoals Egypte en Babel, zullen voleindigd worden, maar genade zal bewaard worden voor het Israël Gods, zij zullen gekastijd worden maar niet verworpen, het zal een kastijding zijn met mate, ten opzichte van graad en duur. Volken hebben hun tijd, het Joodse volk is als volk ten einde, maar de kerk van het Evangelie, Gods geestelijk Israël, blijft bestaan totdat aan de tijd zelf een einde komt, daarin zal deze belofte volkomen vervuld worden, dat God, hoewel Hij het kastijdt, "er geen voleinding mee maken zal."