Romeinen 9:25-29
Na de belofte te hebben verklaard en de goddelijke vrijmacht te hebben bewezen, toont de apostel hier aan hoe de verwerping der Joden en de aanneming der heidenen voorzegd was in het Oude Testament, en daarom noodzakelijk zeer wel bestaanbaar was met de belofte aan de vaderen onder het Oude Testament gedaan. Het dient zeer veel tot opheldering van een waarheid op te merken hoe de Schrift in haar vervuld werd. De Joden zouden zonder twijfel zich aan het Oude Testament onderwerpen, de boeken daarvan waren hun toevertrouwd. -Nu laat hij zien hoe dit, hetgeen hun zo onaangenaam was, daarin besproken werd.
I. Bij den profeet Hosea. Deze spreekt van de aanneming van een grote menigte heidenen, Hosea 2:23 en 1:10. De heidenen waren niet het volk van God geweest, zij hadden Hem niet aangenomen, en Hij had hen in die betrekking niet erkend. Maar, zegt Hij: Ik zal hen Mijn volk noemen, Ik zal hen dat maken en hen als zodanig erkennen, niettegenstaande al hun onwaardigheid. En die niet bemind was, Mijn beminde. Gezegende verandering! De vorige slechtheid is geen verhindering voor Gods tegenwoordige genade en barmhartigheid! Hun, die God Zijn volk noemt, geeft Hij ook den naam van beminden, Hij bemint degenen, die Hij zich toe-eigent. En opdat men niet zou onderstellen dat zij Gods volk zouden worden alleen door Jodengenoten gemaakt te worden en leden te worden van dat volk, voegt hij er bij uit Hosea 1:10 :En het zal zijn in de plaats waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt mijn volk niet, daar zullen zij kinderen des levenden Gods genoemd worden. Zij behoefden niet ingelijfd te worden bij de Joden, of naar Jeruzalem op te gaan om te aanbidden, maar waar zij ook over de gehele aarde verspreid waren zou God hen aannemen. Merk op de grote waardigheid en eer van de heiligen, dat zij kinderen des levenden Gods genoemd worden, en dat deze naamgeving hen daartoe maakt. Zie hoe grote liefde! Deze eer hebben alle heiligen.
II. Bij den profeet Jesaja, die van de verwerping der Joden spreekt in twee plaatsen.
1. De eerste is Jesaja 10:22, 23, waar sprake is van het behouden worden van een overblijfsel, dat is: slechts van een overblijfsel, hetwelk, ofschoon het in de profetie betrekking schijnt te hebben op de bewaring van een overblijfsel uit de verwoesting en verstrooiing, die over hen komen zouden door Sanherib en zijn leger, toch moet opgevat worden van verdere strekking te zijn, en overvloedig aantoont dat het niet vreemds is voor God om een grote menigte van het zaad Abrahams over te geven aan de verwoesting, en toch het woord Zijner belofte aan Abraham in volle kracht en werking te laten. Dat wordt aangeduid in de onderstelling dat het getal der kinderen Israël's was als het zand aan den oever der zee, hetgeen een deel was van de belofte aan Abraham gedaan, Genesis 22:1 7. En toch zal slechts een overblijfsel behouden worden, want velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren. In dit behouden worden van het overblijfsel wordt ons, vers 28, door den profeet gezegd:
A. Dat God Zijn werk zal voltooien. Hij voleindt ene zaak, vers 28. Wanneer God een begin maakt, dan maakt Hij een einde, hetzij in den weg van gerechtigheid of in dien van barmhartigheid. God zou de verwerping van de ongelovige Joden voleinden door hun algehele verwoesting door de Romeinen, die spoedig daarna hun plaats en volk wegnamen. Het aannemen van de Christelijke gemeenten in de goddelijke gunst en de verbreiding van het Evangelie onder andere volken was evenzeer een werk, dat God voleindigen zou, en Hij zou bekend worden bij Zijn naam Jehova. Al Gods werken zijn volmaakt. Men kan lezen: Hij zal de rekening sluiten. God heeft in Zijn eeuwige raadsbesluiten een rekening met de kinderen der mensen, en bestemt voor hen dezen of dien toestand, deze of die mate van voorrechten, en wanneer zij ter wereld komen, zijn Zijne handelingen met hen in overeenstemming met deze raadsbesluiten. Hij zal de rekening sluiten, het mystieke lichaam volmaken, roepen zo velen als er behoren tot de uitverkiezing der genade, en dan zal de rekening gesloten zijn.
B. Dat Hij het spoedig doen zal, niet slechts de zaak voleinden, maar haar haastig voleinden. Onder het Oude Testament scheen Hij te vertoeven, en er een langer en gestadiger werk van te maken. De raderen bewogen slechts langzaam in de richting van de uitbreiding der kerk, maar nu zal Hij de zaak afsnijden en het werk op aarde spoedig afdoen. De heidense bekeerlingen kwamen nu aangevlogen als duiven tot hun vensters. Maar Hij zal haar afsnijden in rechtvaardigheid, zowel in wijsheid als in gerechtigheid. Wanneer de mensen een zaak afsnijden, doen zij het gewoonlijk verkeerd, zij versnijden meestal de zaken, maar wanneer God een zaak afsnijdt, doet Hij dat in rechtvaardigheid. Zo worden deze woorden gewoonlijk door de vaderen toegepast. Sommigen verstaan het van de wet en het verbond des Evangelies, welke Christus in de wereld heeft ingebracht en bevestigd, Hij heeft daardoor het werk voleind, een einde gemaakt aan de schaduwen en plechtigheden van het Oude Testament. Christus zei: Het is volbracht! en toen werd het voorhangsel gescheurd, als ware het door de echo van het woord, dat Christus aan het kruis uitriep. En Hij zal verder de zaak afsnijden. De zaak, dat is: logos, het woord, de wet, was onder het Oude Testament zeer lang, een lange reeks van instellingen, plechtigheden, voorwaarden, maar nu is alles kort afgesneden. Onze verplichtingen zijn nu, onder het Evangelie, opgesomd in veel minder woorden dan onder de wet nodig waren, het verbond werd opgesteld en gesloten en de godsdienst is nu zeer eenvoudig gemaakt. En dat alles is geschied in rechtvaardigheid, ten onzen gunste en in rechtvaardigheid van Zijn eigen voornemen en raad. Onze verkortingen en samenvattingen brengen gewoonlijk duisterheid aan. "Ik tracht naar beknoptheid, maar geef duisterheid", maar zo is het in dit geval niet. Ofschoon de zaak kort afgesneden is, toch is ze eenvoudig en helder, en dus, omdat ze kort is, des te gemakkelijker.
2. Het tweede wordt aangehaald uit Jesaja 1:9 :waar de profeet aantoont hoe God in een tijd van algemene onheilen en verwoesting een zaad zal bewaren. De strekking van deze plaats is dezelfde als die van de vorige, en de bedoeling is om aan te tonen, dat het voor God niets vreemds is om het grootste deel der Joden over te laten aan vernietiging en zich zelven alleen een klein overblijfsel te bewaren, zo had Hij vroeger ook gedaan, gelijk uit de schriften van hun eigen profeten blijkt, en het moet geen verwondering wekken indien Hij nu ook zo handelt. Merk op:
A. Wie God is. Hij is de Heere Zebaoth, dat is: de Heere der legerscharen, een Hebreeuws woord in de Griekse taal overgenomen (zoals Jakobus 5:4). Al de legerscharen in hemel en op aarde staan ter Zijner beschikking zodra Hij ze wenkt. Indien God zich uit een ontaarde, afgevallen wereld een zaad overhoudt, handelt Hij als de Heere der legerscharen. Het is een daad van almachtige kracht en oneindige vrijmacht.
B. Wie Zijn volk zijn, zij zijn een zaad, een klein aantal. Het koren, dat als zaad bewaard wordt voor het volgende jaar, is slechts weinig in vergelijking met hetgeen gebruikt en gegeten wordt. Maar zij zijn een nuttige voorraad, het zaad, de bestanddelen van het opvolgend geslacht, Jesaja 6:13. Het is er zo ver van af dat het een inbreuk op de gerechtigheid en rechtvaardigheid Gods zou zijn wanneer zo velen verwoest worden en verloren gaan, dat het veel meer een wonder van goddelijke genade en barmhartigheid is indien niet allen uitgedelgd en verloren worden, maar enigen nog behouden blijven, want ook zij die als zaad gespaard worden, zouden, indien God met hen handelde naar hun zonden, met de overigen verloren gaan. Dit is de grote waarheid, welke dit gedeelte der Schrift ons leert.