Jeremia 49:1-6
De Ammonieten waren, naar afstamming en woonplaats, het naast aan de Moabieten verwant, en volgen dus op hen in het oordeel. Hun land grensde aan dat van de tweeëneenhalve stam aan de overzijde van de Jordaan, voor wie ze slechts naburen waren geweest. Als buur zullen ze het lot van deze rondgaande profetieën delen.
1. In Gods naam wordt hier een beschuldiging tegen Ammon ingebracht, dat het namelijk onwettig inbreuk heeft gemaakt op de bezettingen van de stam van Gad, die aan hun land grensden, vers 1. Een schriftelijk onderzoek wordt ingesteld naar de aanspraken, die Ammon had op dit gebied, dat na de wegvoering van de Gileadieten door de koning van Assyrië, 2 Koningen 15:29, 1 Kronieken 5:26, zo goed als onbevolkt was gebleven, althans onbeschermd, een gemakkelijke buit voor de eerste, de beste indringer. Wat? vervalt het "ob defectum sanguinis, bij ontstentenis van een erfgenaam? Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam?" Zijn er geen Gadieten over, wie het recht van bezit toekomt? Of, indien die er niet waren, zijn er dan geen Israëlieten, geen mannen van Juda, nader erfgenamen dan gij? "Waarom is dan Malcam, hun koning, erfgenaam van Gad," als had hij aanspraak op de verbeurde steden, of Milcom, hun afgod, als had die recht om dat land voor zijn dienst op te eisen? "Waarom woont zijn volk in hun steden?" Bij het lot zijn ze die stam onder Gods volk ten deel gevallen. Ja, er waren zonen en erfgenamen van zijn eigen stam "en ventre deleur mère, in huns moeders ingewand, " en de Ammonieten vermoordden die op de gruwelijkste wijze, om die aanspraken te voorkomen, Amos 1:13. "Zij hebben de zwangere vrouwen van Gilead opengesneden, om hun landpale te verwijden," opdat daarna niemand zou opstaan om hun roof te bestrijden. "Zij hebben zich groot gemaakt tegen deszelfs landpale en geschimpt, dat het hun eigen was", Zefanja 2:8. Zie, al zegeviert onder mensen menigmaal macht over recht, die macht wordt door de Almachtige, "die op Zijn troon zit, recht richtende," ter verantwoording geroepen. En zij zullen bedrogen uitkomen, die menen, dat alles waarop zij de hand leggen, het hunne is, waartegen niemand zich verzet. Gelijk de eigenaars hun eigendom toekomt, zo ook hun erfgenamen wanneer zij overleden zijn. Het is grote zonde die te beroven, al kennen ze ook hun recht niet of weten niet hoe het te handhaven. Vooral zal de goddelozen zulk onrecht aangerekend worden, wanneer het Gods volk geldt.
2. Over dit gepleegd geweld wordt een vonnis geveld.
a. Verschrikking zal over hen komen: De Heere zal over Rabba van de kinderen Ammons een krijgsgericht doen komen, vers 2. Rabba was hun zeer versterkte hoofdstad. De Heere, de Heere van de heirscharen zal vreze over hen brengen van allen, die rondom hen zijn vers 5. Zie, God heeft vele middelen om hen te verschrikken, die zijn volk verschrik" hebben
b. Hun steden zullen tot een puinhoop worden "Rabba, de moederstad, zal tot een woeste hoop worden, en haar onderhorige plaatsen zullen met vuur aangestoken worden, zodat de inwoners gedwongen worden ze te verlaten. Zij zullen schreeuwen en zich met een zak omgorden, omdat zij alles wat zij hadden, verloren hebben en niet weten, waarheen ze zich begeven moesten."
c. Hun land, waarop zij zo trots waren zal verwoest worden, vers 4 :Wat roemt gij op uw dalen? en vertrouwt op uw schatten, gij afkerige dochter? Zij worden beschuldigd, zich van God te hebben afgekeerd en Zijn dienst verlaten, want zij waren de nakomelingschap van de rechtvaardige Lot. Weliswaar hadden zij nooit, gelijk Israël, in een verbond met God gestaan, toch worden alle afgodendienaars "afkerigen" genoemd, omdat de dienst van de waren God ouder was dan die van de valse goden: "Zij waren onwillig en weerspannig (gelijk sommigen vertalen), toen zij hun God verzocht hadden, roemden zij op hun dalen," omdat daar allerlei goeds te vinden was. Zij hadden het gewelddadig aan Israël ontrukt en beroemden zich daarop. Zij waren trots op de sterke ligging van hun dalen, door onneembare bergen omgeven, op de voortbrengselen van die dalen, op de schatten, die ze er vonden, zeggende: "Wie zou tegen mij komen?" Terwijl zij zich baadden in de wellusten van hun land, vleiden ze zich met de illusie, dat ze dat genot nimmer zouden derven: "morgen zal zijn als de dag van heden. Daarom spotten zij met God en Zijn oordelen, zij waren trots weelderig en gerust, maar waarom? Zie, degenen, die afdwalen en zich van God afkeren, hebben weinig reden, hetzij om gerust te zijn, hetzij om hun vertrouwen op enig aards genot te stellen, Hoz. 9:1.
d. Hun volk, van de minste tot de grootste, zal uit hun land verdreven worden. Enigen zullen vluchten om beschutting te zoeken, anderen in ballingschap weggevoerd worden, zodat het land geheel ontruimd wordt, zijn koning en zijn vorsten tezamen, ja ook Milcom, hun afgod, en zijn priesteren zullen wandelen in de gevangenis, vers 3. Een ieder zal voor zich henen uitgedreven worden, zal de kortste weg kiezen en zo goed mogelijk zoeken te vluchten, vers 5, vergetende zijn dalen, zijn weggevloten dalen die hij moest achterlaten. En, om hun ellende te voltooien, niemand zal de omdolende vergaderen, niemand zal hem de deur openen, als eens Joël voor Sisera, om hem te ontvangen. De vluchtenden hebben zoveel met zichzelf te doen, dat ze anderen geen aandacht wijden zelfs hun naasten bloedverwanten niet die ook niet weten waarheen te vlieden, Hoofdstuk 47:3. e. Dan zal het land van de Ammonieten vallen in de hand van de overgebleven Israëlieten, vers 2 :Israël zal erven degenen, die hem geërfd hadden zal het land bezitten, dat hem vroeger ontroofd was. Let hierop: de rechtvaardigheid van de goddelijke voorzienigheid wordt erkend, wanneer de verliezen van de verongelijkten worden vergoed uit de onrechtmatige winsten van de overweldigers. Of schoon Israëls vijanden voor een tijd hem ten buit hebben, de rollen worden spoedig omgekeerd.
3. Toch wordt Ammon hier nog uitzicht gegeven op een naderende barmhartigheid, vers 6 gelijk tevoren Moab. De dag zal komen, dat Ik de gevangenis van de kinderen Ammons wenden zal. Zo gaat het in de geschiedenis van de mensheid: voorspoed en tegenspoed wisselen elkaar voortdurend af.