Jeremia 30:10-17
In deze verzen, als in de voorgaande, wordt het betreurenswaardig lot van de Joden in de gevangenschap beschreven, maar vele kostelijke beloften worden hun gegeven, dat zij te rechter tijd zouden bevrijd en een heerlijke verlossing voor hen gewrocht zou worden.
I. God zelf trad hen tegen, Hij verstrooide hen, vers 11, Hij had hun al deze dingen gedaan, vers 15. Al hun onheilen kwamen van Zijn hand, wie ook de werktuigen waren, Hij alleen deed het. En dat maakte hun lot zeer treurig, dat God, ja hun eigen God, van hen sprak, om neer te werpen en te verwoesten.
1. Dit was bedoeld als een vaderlijke kastijding en anders niet, vers 11 :"Ik zal u kastijden met mate, of met oordeel, met beleid, niet meer dan gij verdient, ja niet meer de gij verdragen kunt." Wat God tegen Zijn volk doet, doet Hij bij wijze van kastijding, en die kastijding is altijd gematigd en altijd uit liefde: "Ik zal u niet geheel onschuldig houden, zoals gij gaarne van Mij gelooft, om uw betrekking tot Mij." Een belijdenis van geloof, hoeveel lof zij ook verdient, zal ons op verre na niet verzekeren van straffeloosheid in `t zondigen. God is geen aannemer des persoons, maar toont Zijn haat tegen de zonde, waar Hij die vindt, en dat Hij ze het meeste haat in hen, die Hem het naaste zijn. God bestraft hier Zijn volk om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn, vers 14,15. Zijn onze smarten groot te eniger tijd en machtig veel? Wij moeten erkennen, dat het is omdat onze zonden groot en machtig veel zijn. De ongerechtigheid wordt groot in ons, en daarom worden onze smarten groot. Maar
2. Wat God bedoelde als een vaderlijke kastijding werd door hen en anderen uitgelegd als een daad van vijandschap, zij zagen Hem er op aan, dat Hij hen geslagen had met eens vijands plage, met de kastijding eens wrede, vers 14, alsof Hij hun ondergang bedoeld had, en de straf niet gematigd, noch enige genade voor hen bewaard had. Het scheen inderdaad, alsof God zo streng met hen gehandeld had, alsof Hij hun vijand geworden was en tegen hen gestreden had, Jesaja 63:10. Job klaagde, dat God wreed tegen hem geworden was, en zijn wonden vermenigvuldigde. Als de smarten groot en langdurig zijn, is het ons nodig nauwlettend te waken over ons hart, dat wij geen slechte gedachten koesteren van God en Zijn leiding. Zijn kastijdingen zijn die eens Genadigen en niet eens wreden, wat zij ook mogen schijnen.
II. Hun vrienden verlieten hen en vermeden hen. Geen van die hen gevleid hadden in hun voorspoed, wilde nu, in hun ellende, met hen te doen hebben, vers 13. Het is gewoonlijk zo als families vervallen, hun aanhangers vallen van hen af. In twee gevallen zijn wij blij met de bijstand van onze vrienden en hebben hun dienst nodig.
1. Als wij aangeklaagd, beschuldigd of gesmaad worden, verwachten wij, dat onze vrienden zullen voorkomen tot onze verdediging, en een goed woord voor ons spreken, wanneer wij de moed niet hebben om voor ons zelf te spreken, maar "er is niemand, die uw twist twist, (Engelse Vertaling), niemand die uw verdediging op zich neemt, niemand, om het voor u op te nemen bij uw verdrukkers, daarom zal God uw twist twisten." Hoofdstuk 50:34, want Hij mocht zich wel verwonderen, dat er niemand was om een volk te ondersteunen, dat zozeer de gunsteling des hemels was geweest, Jesaja 63:5.
2. Als wij pijn hebben, of ziek, of gewond zijn, verwachten wij, dat onze vrienden ons oppassen, ons raad geven, met ons meegevoelen en, als er gelegenheid is, de helpende hand uitsteken om geneesmiddelen ter heling toe te passen, maar hier is niemand om dat te doen, niemand om uw wonden te verbinden, en door raad of troost de juiste middelen voor uw geval aan te wenden, ja, vers 14, al uw liefhebbers hebben u vergeten, uit het oog, uit het hart, in plaats van u te zoeken, verlaten zij u. Zoiets is vaak het lot geweest van de godsdienst en ernstige godzaligheid in de wereld, die om bun opvoeding, beroep en veelbelovende eerste stappen, verwacht konden worden haar vrienden en liefhebbers te zijn, haar beschermers en handhavers, verlaten ze, vergeten ze, en hebben niets tot haar verdediging te zeggen, en willen ook niets doen tot heling van haar wonden. "Uwe liefhebbers hebben u vergeten, want Ik heb u geslagen". Als God tegen een volk is, wie zal er voor zijn? Wie kan voor hen zijn, om hun enige vriendelijkheid te bewijzen? Zie Job 30:11. Nu, wat dit betreft, hun geval scheen hopeloos, onherstelbaar, vers 12. Uw breuke is dodelijk, uw plage is smartelijk, en vers 15 uw smart is dodelijk. De toestand van de Joden in hun gevangenschap was zodanig, dat geen menselijke macht de bezwaren er van kon wegnemen, zij waren daar als "een vallei vol doodsbeenderen," die niemand minder dan de Almachtige in `t leven roepen kan. Wie kon zich voorstellen dat een volk, zo gedund, zo verarmd, ooit teruggegeven zou worden aan zijn land en daar weer opgericht? Zovele waren hun rampen, dat hun smart geen verlichting toeliet, maar zij schenen er verhard te worden, en hun ziel weigerde getroost te worden, totdat de goddelijke vertroostingen sterk bleken te zijn, te sterk om weggenomen te worden door de stromen van smart, die hen overstelpten. "Uw smart is dodelijk, omdat uw zonden, in plaats, dat gij er berouw over hebt en ze verlaat, machtig vele zijn." Dodelijke smart vindt zijn oorzaak in dodelijke lusten. In deze treurige toestand ziet men met verachting op hen neer, vers 17 :Zij noemen u: de verdrevene, door allen verlaten, overgegeven aan het verderf, zij zeiden: Het is Zion, niemand vraagt naar haar. Als zij zagen naar de plaats waar de stad en de tempel gebouwd waren, noemden zij die een verdrevene, alles lag nu in puinhopen, er was nu geen schuilplaats, geen woning, niemand vroeg, als vroeger, de weg naar Zion, "niemand vraagt naar haar." Als zij zagen naar het volk, dat vroeger te Zion woonde, maar nu in gevangenschap (en wij lezen, dat "Zion woont bij de dochter van Babel", Zacheria 2:7, noemden zij het de verdrevene, dat zijn zij, die bij Zion horen, en gewoon zijn er veel over te spreken en te wenen bij de herinnering eraan, maar niemand vraagt naar haar, of onderzoekt naar hen". Het is dikwijls het lot van Zion, verlaten en veracht te zijn bij allen om haar heen.
III. Om dit alles zal God hun verlossing en heil bewerken, te rechter tijd. Hoewel geen andere hand, neen, omdat geen andere hand hun wond kan helen, wil en zal de Zijne het doen.
1. Hoewel Hij verre van hen scheen te zijn, verzekert Hij hun toch van Zijn tegenwoordigheid bij hen, Zijn machtige en genadige tegenwoordigheid: Ik ben met u, om u te verlossen, vers 11. Als zij in smarten zijn, is Hij met hen, om hen te helpen, dat ze er niet onder verzinken, als de tijd voor hun verlossing gekomen is, is Hij met hen, om gereed te zijn, bij de eerste gelegenheid, hen te verlossen uit hun smarten.
2. Hoewel zij ver weg waren, verwijderd van hun eigen land, in de vreemde, in het land van hun gevangenis, toch zal het heil hen daar vinden, vandaar zal het hen halen, hen en hun zaad, want ook dat zal bekend zijn onder de heidenen, en van hen onderscheiden, en het zal wederkomen, vers 10.
3. Hoewel ze nu vol vrees waren, en voortdurend opgeschrikt, toch zal de tijd komen, dat zij stil en gerust zullen zijn, veilig, en zonder gevaar, en er zal niemand zijn, die hen verschrikke, vers 10. 4. Hoewel de volken, waarheen zij verstrooid waren, in `t verderf gestort zouden worden, toch zouden zij voor dat verderf bewaard worden vers 11 :Ik zal een voleinding maken met alle de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb, maar al is er gevaar dat gij met hen verloren gaat met u zal Ik geen voleinding maken. Het was beloofd, dat zij vrede zouden hebben gedurende de vrede van deze volken, Hoofdstuk 19:7, en toch bij de ondergang van deze volken, daaraan zouden ontsnappen. Gods kerk mag soms in grote benauwdheid gebracht worden, maar Hij zal er geen voleinding mee maken, Hoofdstuk 5:10, 18.
5. Hoewel God hen, en te recht, straft om hun zonden, hun menigvuldige overtredingen en machtig vele zonden, toch zal Hij in genade tot hen wederkeren, en ook hun zonde zal hun verlossing niet verhinderen, als Gods tijd komen zal.
6. Hoewel hun tegenstanders machtig waren, zal God ze neerwerpen en hun macht breken vers 16 :Allen, die u opeten, zullen opgegeten worden, en aldus zal Zions twist getwist worden, en het zal aan iedereen duidelijk worden, dat haar zaak een rechtvaardige zaak is. Aldus zal Zions verlossing teweeggebracht worden door de ondergang van haar onderdrukkers, en aldus zal aan haar vijanden vergolden worden, al het kwaad, dat zij haar gedaan hebben, want "er is een God, die op de aarde richt, een God, Wiens de wrake is. Zij allen, zonder uitzondering, zullen gaan in de gevangenis, en de dag zal komen, dat die u beroven, ter beroving zullen zijn. Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis," Openbaring 13:10. Dit zou kunnen dienen om de overwinnaars van vandaag te verplichten hun gevangenen goed te behandelen, omdat het rad zou ronddraaien, en de dag komen, dat ook zij gevangenen zouden zijn, en nu moeten zij doen zoals zij dan zelf behandeld zouden willen worden.
7. Al schijnt de wond dodelijk, God zal ze genezen, vers 17 :Ik zal u de gezondheid doen rijzen. Al is de ziekte nog zo gevaarlijk, de zieke is buiten gevaar, als God de genezing op zich neemt.
IV. Over `t geheel worden zij gewaarschuwd tegen onmatige vrees en smart, want in deze kostelijke beloften is genoeg om beide tot zwijgen te brengen.
1. Zij moeten niet sidderen als die geen hoop hebben door de vrees voor nog meer ellende in de toekomst, die hen zou kunnen dreigen, vers 10 :Vrees niet, o Mijn knecht Jakob, ontzet u niet, Israël. Die Gods dienaren zijn moeten niet toegeven aan verontrustende vrees, welke moeilijkheden en gevaren zij ook voor zich mogen hebben.
2. Zij moeten niet treuren, als die geen hoop hebben om de smarten waar zij op `t ogenblik onder gebukt gaan, vers 13 : Wat krijt gij over uw breuk? Het is waar, uw vertrouwen op `t vlees laat u in de steek, schepselen zijn geneesheren zonder enige waarde, maar Ik zal u van uw plagen genezen, en daarom: Wat krijt gij? Waarom zijt gij gemelijk en klaagt aldus? Het is om uw zonde, vers 14-15 en daarom, in plaats van te morren, moest gij berouw hebben. Dan zal tenslotte het einde goed zijn, en daarom verblijdt u in de hope.