Jeremia 25:8-14
Hier wordt het vonnis geveld op de vooraf uitgesproken beschuldiging: "Omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoord, moet Ik een andere weg met u inslaan", vers 8. Als de mensen geen acht willen slaan op `t geen God hun laat aanzeggen, dan kunnen zij verwachten, dat God hen bezoeken zal met de oordelen van Zijn handen, te weten met de roede, niet gehoord hebbende naar Zijn woorden. Want òf de zondaar moet aflaten van de zonde òf hij zal er door omkomen. De afdwaling is niet zozeer de oorzaak van `s mensen verderf als wel het niet terugkeren tot `t goede.
1. De ondergang van het land van Juda door het leger van de koning van Babel wordt hier bepaald, vers 9. God zond tot hen Zijn knechten, de profeten, en men sloeg geen echt op hen en daarom zal God Zijn knecht, de koning van Babel, zenden, met wie zij niet kunnen spotten en die zij niet kunnen verachten en vervolgen zoals zij met Zijn knechten, de profeten, gedaan hadden.
Merk op, dat de boden van Gods gramschap gezonden zullen worden naar diegenen die de boodschappers van Zijn genade niet wilden ontvangen. God wil, dat op de een of andere manier met Hem rekening zal worden gehouden, en wil de mensen doen weten dat "Hij de Heere is." Hoewel Nebukadrezar de ware God, de God van Israël, niet kende, ja zelfs Hem vijandig was en later met Hem wedijverde, was hij toch, in de aanval, die hij op dit land deed, "Gods knecht," volvoerde hij Zijn oogmerk, werd door Hem gebruikt en was een instrument in Zijn hand om het volk tot inkeer te brengen. Inderdaad diende hij Gods plannen, terwijl hij dacht voor zichzelf bezig te zijn. Daarom noemt God Zichzelf hier terecht De Heere van de heirscharen, vers 8, want hier vinden we een voorbeeld van Zijn souvereine heerschappij, niet slechts over de inwoners maar over de legers van deze aarde, waarvan Hij naar Zijn welgevallen gebruik maakt. Zij staan alle onder Zijn bevelen. De machtigste en de meest absolute heersers zijn Zijn knechten. Nebukadnezar, die een instrument is om Zijn gramschap uit te storten, is evengoed Zijn knecht als Cyrus, die gebruikt wordt om Zijn genade te betonen. Het land van Juda zou woest gemaakt worden. God monstert hier Zijn leger, dat dit moet doen, verzamelt het, neemt "alle geslachten van het noorden," als Hij dit nodig oordeelt, en voert ze aan als hun opperbevelhebber. "Hij brengt ze over dit land, doet ze overwinnen niet alleen in Juda en Jeruzalem, maar in alle landen van de volken rondom:" opdat zij geen bondgenoten of helpers zouden vinden tegen deze dreigende macht. De volkomen verwoesting van dit en alle omringende landen wordt hier beschreven, vers 9 -11. Zij zal volkomen zijn: "Het gehele land zal worden tot een woestheid," niet slechts woest, maar een woestheid, stad en land beide zullen verwoest worden, en hun welvaart ten prooi vallen aan de overweldiger. Het zal een langdurige, zelfs een eeuwigdurende verwoesting zijn, zij zullen zolang in hun ondergang blijven, en na zeer lang wachten zal er zo weinig uitzicht op verlichting zijn, dat iedereen het eeuwigdurend zal noemen. Deze verwoesting zal hen onder hun naburen hun `t vertrouwen doen verliezen, zij zal hun eer in het stof begraven, "zal ze stellen tot een ontzetting en een aanfluiting." Iedereen zal zich over hen ontzetten en ze terecht niet meer mee tellen in `t wereldgebeuren, en dit alles omdat ze een God hadden verlaten, die hun schild had willen zijn tegen elke indringer, die van plan was hen zeker te verdelgen. Zij zal ook de troost en de vreugde onder hen wegnemen, al hun blijdschap zal ten einde zijn: "Ik zal van hen doen vergaan de stemme van de vrolijkheid en de stemme van de vreugde, hun harpen aan de wilgen hangen en ze de lust tot zingen benemen". "Ik zal van hen doen vergaan de stemme van de vrolijkheid, " zij zullen geen reden noch lust hebben om vrolijk te zijn. Zij hadden de stem van Gods Woord niet willen horen, en daarom zal nu de stem van de vrolijkheid onder hen niet vernomen worden. Zij zullen van voedsel worden beroofd: "Het geluid van de molens zal niet gehoord worden, " want, toen de vijand hun voorraden had weggenomen, moest er zijn een nederig geluid van de maling, Prediker 12:4. Aan alle bezigheid zal een einde gemaakt worden, daar zal niet gezien worden "het licht van de lamp, want daar zal geen werk te doen vallen, dat het licht van de lamp waard is". En, tenslotte, zal hun hun vrijheid ontnomen worden: "Deze volken zullen de koning van Babel dienen zeventig jaar." Het vaststellen van de tijd, die hun gevangenschap duren zou, zou van groot nut zijn, niet alleen ter bevestiging van de profetie als het feit (dat door geen menselijke wijsheid zo nauwkeurig kon worden aangegeven) precies aan de voorzegging beantwoorden zou, maar ook zou het `t volk Gods in hun ramp tot troost zijn en geloof en gebed aanwakkeren. Daniël, die zelf een profeet was, had hier oog voor, Daniël 9:2. Ja, God zelfs lette er op 2 Kronieken 36:22, "want daarom verwekte Hij de geest van Cores, opdat het woord gesproken door de mond van Jeremia vervuld zou worden. Aan God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend, waaruit blijkt dat wanneer Hij het nodig acht, sommige van Zijn werken aan Zijn knechten, de profeten zijn bekend gemaakt en door deze weer aan Zijn kerk."
II. De verwoesting van Babylon wordt hier, ten laatste, gelijkelijk voorzegd, zoals dit lang geleden ook geschied was door Jesaja 14:12 -14. De verwoesters moeten zelf ook vernietigd worden, en de roede in `t vuur geworpen worden, als er alles mee is gedaan, wat tot verbetering dienen moet. Dit zal geschieden "als de zeventig jaar vervuld zijn," want de verwoesting van Babylon moet aan de bevrijding van de ballingen vooraf gaan. Daar is verschil over de tijd, waarop deze "zeventig jaar" beginnen. Sommigen menen, dat ze beginnen bij de gevangenschap in het vierde jaar van Jehojakim en `t eerste jaar van Nebukadrezar, anderen tellen van de gevangenschap van Jehojakim acht jaar later. Mijn mening helt tot `t eerstgenoemde over, omdat toen deze volken "de koning van Babel begonnen te dienen," en ook omdat God gewoonlijk van de eersten tijd af gerekend heeft, wanneer `t een belofte op genade geldt, zoals ook uit de berekening van de vierhonderdjarige dienstbaarheid in Egypte blijkt. En indien dit zo is, zijn er achttien of negentien van de zeventig jaar verlopen, voordat Jeruzalem en de tempel geheel verwoest werden in het elfde jaar van Zedekia. Hoe dat nu ook moge zijn, toen de tijd, de vastgestelde tijd voor het gunstig gedenken van Zion, was aangebroken, moest de koning van Babylon bezocht worden en ter verantwoording geroepen worden over alle voorbeelden van zijn tirannie. Dan zal dat volk gestraft worden voor zijn ongerechtigheid zoals de andere volken voor de hun gestraft zijn. Dan moet dat land tot "een eeuwige verwoesting gesteld worden, zoals zij het andere landen gedaan hadden, want de Rechter van de aarde zal beide recht doen en het kwade vergelden als Koning van de volken en Koning van de vromen". Laten trotse overwinnaars en verdrukkers gematigd zijn in `t gebruik hunner macht en heerschappij, want ook zij zullen voor hun daden verantwoording moeten doen, ook hun dag zal eens ten einde spoeden. In deze verwoesting van Babel, die door de Perzen en Meden zou worden aangericht, zal gewezen worden,
1. Op hetgeen God gezegd had: "Ik zal over dat land brengen alle Mijn woorden", want eerder zal al de welvaart en eer van Babel opgeofferd worden aan de waarheid van de goddelijke voorzeggingen, en al zijn macht verbroken worden, dan dat een jota of tittel van Gods Woord zou voorbijgaan. Dezelfde Jeremia, die de verwoesting van andere volken door de Chaldeën profiteerde, heeft ook de verwoesting van de Chaldeën zelf voorzegd, en deze moest over hen komen, vers 13. Naar ditzelfde feit wordt verwezen, waar God zelf zegt: "Ik zal het woord van Mijn knecht bevestigen, en de raad van Mijn boden volbrengen," Jesaja 44:26. 2 Op hetgeen zij gedaan hadden, vers 14 :Ik zal hun vergelden naar hun doen, en naar het werk van hun handen. Door hun daden overtraden zij de wet Gods, zelfs toen zij gebruikt werden tot volvoering van zijn plannen. Zij hadden vele volken aan zich dienstbaar gemaakt, en hen vertrapt met de grootst denkbare brutaliteit maar nu de maat van hun ongerechtigheid vol is, zullen zich "machtige volken en grote koningen, die zich verbonden hebben met en te hulp komen aan Cores, koning van Perzië, van hen doen dienen, zich meester maken van hun land, zich met hun buit verrijken en zich van hen als van een voetbankje gebruiken om de troon van de wereldheerschappij te bereiken". Zij zullen hen tot knechten en soldaten zijn. "Wie in de gevangenis leidt, zal zelf in de gevangenis gaan."