Jeremia 23:9-32
Wij vinden hier een lange les voor de valse profeten. Gelijk niemand bitterder en bozer tegen Gods ware profeten was dan zij, zo was er ook niemand, tegen wie de ware profeten strenger en meer terecht optreden. De profeet had zich bij God beklaagd over die valse profeten, Hoofdstuk 14:13, en dikwijls voorspeld, dat ze in de algemene ondergang zouden begrepen worden, maar hier spreekt hij bovendien van hun bijzonder wee.
I. Hij spreekt zijn diepe smart uit, die hij om hunnentwille leed, en hoe zwaar het hem viel, mannen te zien, die een goddelijke zending en ingeving voorwendden, en zichzelf en het volk, in welks midden zij woonden, door hun valsheid en verraad ten verderve brachten, vers 9. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, ik ben als een dronken man. Zijn hoofd was verward door verbazing en verwondering, zijn hart was neergedrukt door smart en kwelling. Jeremia was een man, die alles zeer ter harte nam, en wat op enigerlei wijze zijn land bedreigde, maakte diepe indruk op zijn gemoed. Hij is neergedrukt,
1. Om de profeten en hun zonde, de valse leer, die zij predikten, en hun goddeloze leven, vooral vervulde het hem met afschuw, als hij ze Gods naam hoorde misbruiken met hun voorgeven, dat zij van Hem openbaringen hadden ontvangen. Nooit werd de Heere zo gehoond, noch "de woorden van Zijn heiligheid," als door deze mannen. Zie, de oneer, die Gods naam wordt aangedaan, en de ontheiliging van Zijn heilig woord, zijn de grootste smart, die een begenadigde ziel heeft te verduren.
2. Om de Heere en Zijn oordelen, die daardoor als een zondvloed over de mensen worden gebracht. Hij beefde als hij dacht aan de ondergang en de verwoesting, die "van het aangezicht des Heeren" (zo staat er letterlijk) en van het aangezicht van de woorden van Zijn heiligheid kwamen door de macht van Gods wraak, naar de bedreigingen van Zijn woord, bevestigd "door Zijn heiligheid." Zie, wie God voor hun deel hebben, kunnen slechts beven, als zij denken aan de ellende dergenen, die Hem tegen zich hebben.
II. Hij betreurt de overvloeiende afschuwelijke ongerechtigheid des lands en de tegenwoordige tekenen van Gods ongenoegen, vers 10. Het land is vol overspelers, in letterlijke en figuurlijke zin. Zij hoereren van God af, en nu zij alle vreze Gods weggeworpen hebben kan het niemand verwonderen dat zij alle kuisheid overboord hebben geslingerd, dat zij zich zelf en hun lichamen onterende, ook God onteren, dat zij door hun valse eden zijn naam ontheiligen, "waarover het land treurt." Zowel vloeken als meineed zijn zonden, waarover een land in oprecht berouw moet treuren, als het niet treuren wil onder de oordelen Gods. Het land treurde nu onder het oordeel van de hongersnood, "de weiden van de woestijn verdorren, zij zijn verdroogd bij gebrek aan regen, en toch zien wij geen tekenen van boete". Zij beantwoorden niet aan het doel van de kastijding. De inhoud om het streven van `s mensen wandel is zondig, "hun loop is boos," even boos als altijd, en zij willen er zich niet van bekeren. Zij tonen vastberadenheid, maar ten kwade, zij zijn vol ijver, maar niet in een goede zaak. "Hun macht is niet recht, " hun hart is op niets uit dan om kwaad te doen, zij zijn niet dapper voor de waarheid, hebben geen moed genoeg om met hun zondige gewoonten te breken, ofschoon zij zien, hoe God met hen twist.
III. Hij beschuldigt daarvan de profeten en priesters, vooral de eersten. Zij zijn beide huichelaars, vers 11. De priesters ontheiligen de verordeningen Gods, die zij beweren te bedienen, en het is dus geen wonder, dat het volk zich aan losbandigheid overgeeft. Zij beide spelen de huichelaar (zoals sommigen lezen), onder heilige voorwendsels voeren zij hun laagste plannen uit, ja, niet alleen in hun eigen huizen en in de slechte huizen, die zij bezoeken, maar zelfs "in mijn huis vind ik hun boosheid". In de tempel, waar de priesters hun dienst verrichten, waar de profeten profeteren, maken beide zich schuldig aan afgoderij en onzedelijkheid. Zie een vreselijk voorbeeld in Hofni en Pinehas, 1 Samuël 2:22. God doorzocht zijn huis, en alle goddeloosheid, die daar is, vindt Hij uit, hoe dichter bij Hem, zoveel grievender. Twee zaken werden hun verweten:
1. Dat zij het volk, door hun voorbeeld leerden zondigen. Hij vergelijkt hen bij de profeten van Samaria, de hoofdstad van het koninkrijk van de tien stammen, dat lang geleden verwoest was. Het was de dwaasheid van de profeten van Samaria, dat zij in Baäls naam profeteerden: zo handelden de profeten van Achab, en zo deden zij Israël dwalen! de dienst van de waren God verlaten en Baäl dienen, vers 13. Zo handelden de profeten van Jeruzalem niet: zij profeteerden in de naam van de ware God en verhieven er zich op, dat zij niet gelijk de profeten van Samaria waren, die in Baäls naam profeteerden. Maar wat hielp dat, als zij het volk evenzeer door hun onzedelijkheid verdierven als gene, het door hun afgoderij hadden gedaan? Het is iets afgrijselijks en de profeten van Jeruzalem, dat zij de naam van de heilige God op de lippen namen en zich toch in allerlei onreinheid omwentelden, hun overspel was hun iets zeer gewoons. Zo maakten zij gebruik van de naam van de God van de waarheid en "wandelden evenwel in leugens." Niet alleen profeteerden zij leugens, maar ook in hun dagelijkse omgang kon men hun woord niet geloven. Het was al scherts en spot of bedrog en misleiding. Zij bemoedigden zo de zondaars in hun boze wegen voort te gaan, want iedereen kon zeggen: "Zeker mogen wij doen wet de profeten doen, wie kan verwachten, dat wij beter zijn dan onze leermeesters? Op die manier keert niemand zich van zijn goddeloosheid af, allen zeggen, dat zij vrede zullen hebben ofschoon zij voort zondigen, omdat hun profeten hen zo voorgaan. In die weg zijn Juda en Jeruzalem als "Sodom en Gomorra geworden, die goddeloos waren, en grote zondaars voor de Heere." Dus zag de Heer op hen neer als mensen, die voor niets deugden dan voor het verderf door vuur en zwavel.
2. Dat zij het volk tot zondigen aanzetten door hun valse profetieën. Zij maakten zichzelf wijs, dat zij daarmee geen kwaad konden, dat de zonde niet gevaarlijk was, geen wonder, dat hun eigen doen ook anderen bedroog, vers 16. Zij spreken het gericht huns harten, de uitvinding van hun eigen brein, naar hun eigen lust, maar niet uit des Heeren mond. Hij heeft hun dat nooit gezegd, noch was het overeenkomstig de wet of de profeten. Zij zeggen de zondaar, dat het hun wel zal gaan, hoewel zij in hun zonden volharden, vers 17. Zie hier wie zij zijn, die zij aanmoedigen: degenen, die God lasteren, zijn gezag verachten, zijn inzettingen geringschatten en naar de inbeeldingen van hun eigen hart wandelen, die afgoden vereren en slaven zijn van hun eigen lust. Wie voor zijn genot leeft, smaadt zijn God. En toch worden die profeten gevleid en gezocht, zij hadden veeleer moeten zeggen: Er is geen vrede voor hen, die in hun boze wegen volharden. "Zij, die God versmaden, zullen licht geacht worden." Wee, duizendmaal wee hun, want zij gaan voort te zeggen: "Gij zult vrede hebben, geen kwaad zal u overkomen. En, het ergst van alles, zij beweerden, dat God zo gesproken had, " zij maakten God tot een vriend van de zonde, brachten Hem in tegenspraak met zichzelf.
Merk op: degenen, die besloten zijn in hun boze wegen voort te gaan, zullen overgegeven worden om de krasse misleiding te geloven dergenen, die hun vrede voorspellen op hun goddeloze paden. IV. God weerspreekt al wat die valse profeten zeggen om het volk met zijn zonden in slaap te sussen, vers 21. Ik heb die profeten niet gezonden, zij hebben nooit van God enige zending ontvangen. Niet alleen heeft God ze niet met die boodschap gezonden, maar nooit, met geen enkele boodschap. Hij heeft hun nooit enige dienst of zaak opgedragen. En wat betreft hun voorwendsel, dat zij van God de opdracht hadden om aan het volk vrede te verzekeren. Hij verklaart, dat Hij hun nooit iets dergelijks heeft bevolen. Toch waren zij zeer haastig: zij liepen hard, zij waren stout: zij profeteerden zonder enig bezwaar, terwijl ware profeten daarmee soms te kampen hebben. Zij zeiden tot de zondaars: Gij zult vrede hebben. Maar vers 18 :Wie heeft in des Heeren raad gestaan? Wie van u, die zo vol vertrouwen zijt? Gij brengt deze boodschap met zeer grote verzekerdheid over, maar hebt gij er God naar gevraagd? Neen, gij hebt nooit overwogen, of het Gode aangenaam zou zijn, naar hetgeen Hij van zichzelf heeft geopenbaard, of het met Zijn heiligheid en rechtvaardigheid bestaanbaar is dat de zondaar ongestraft uitgaat. Gij hebt Zijn woord niet vernomen noch gehoord noch opgemerkt, gij hebt uw woord niet met de Schrift vergeleken. Als gij daarop had gelet en daarmee gerekend, zoudt gij nooit zo'n boodschap hebben overgebracht." De profeten zelf moeten de geesten beproeven met de hoeksteen van Gods wet en getuigenis, zowel als degenen, die hun profetie horen, maar wie deden zo met uw vredesprofetieën? Dat zij in des Heeren raad niet hadden gestaan noch Zijn woord gehoord, wordt later bewezen, vers 22. Indien zij in Mijn raad gestaan hadden, gelijk zij beweren
1. Zo zouden zij de Schrift tot hun vraagbaak gesteld hebben: "zij zouden Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen" en zich daaraan nauwgezet gehouden. Maar, nu zij naar die regel niet hebben gehandeld, ligt daarin een klaar bewijs, dat in hen geen licht is.
2. Zij zouden hoofdzakelijk op de bekering van zielen hebben aangestuurd, en al hun prediking zou dat doel gehad hebben. Zij zouden gedaan hebben wat in hun vermogen was om "het volk van zijn boze weg af te keren, zo wel in het algemeen, als een ieder in het bijzonder". Zij zouden een reformatie van hun volk hebben aangemoedigd en gesteund, hiervan de inhoud hunner prediking gemaakt, namelijk de scheiding tussen de mens en zijn zonde. Maar het blijkt, dat ze daarop nooit gedoeld hebben, wel om de zondaars in hun zonden te stijven.
3. Hun bediening zou op de een of andere manier bezegeld zijn. Zo is de zin van deze woorden: "Indien zij in Mijn raad gestaan hadden, en de woorden, die zij gesproken hadden, Mijn woorden waren geweest, de zouden zij het volk van zijn bozen weg afgekeerd hebben." Goddelijk machtsbetoon zou hun woord vergezeld hebben tot overtuiging van zondaren. God gebiedt de zegen over wat Hij zelf verordend heeft. Toch is dit geen vaste regel. Jeremia zelf, of schoon door God gezonden, kan slechts enkelen bewegen "van hun boze weg terug te keren."
V. God bedreigt, deze profeten voor hun goddeloosheid te straffen. Zij beloofden het volk vrede, en om hun de dwaasheid daarvan aan te tonen, zegt God hun, dat zij zelf geen vrede zullen hebben. Zij waren geheel ongeschikt om het volk verzekering te geven en te beloven, dat geen kwaad hun tent zou naderen, dat blijkt, nu het kwaad hun eigen tent nadert en zij het zelfs niet bemerken, vers 12. Omdat de profeten en priesters onheilig zijn, daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid. Zij, die de leiding van anderen op zich nemen, en ze dan misleiden en dat willens en wetens, zullen zelf allen troost derven. 1. Zij beweren, anderen de weg te wijzen, maar wankelen zelf in de donkerheid, in de mist, hun licht of gezicht faalt, zodat zij niet weten waar zij gaan en hun eigen weg niet kunnen onderscheiden.
2. Zij beweren, anderen zekerheid te verschaffen, maar wandelen zelf op geen vasten grond: "hun weg is hun als zeer gladde plaatsen, waar zij gaan zonder stevigheid, veiligheid of voldoening."
3. Zij beweren het volk met hun vleierijen gerust te stellen, maar hebben zelf geen rust: "zij worden aangedreven, voortgejaagd als gevangenen, of, zo zij in de vervolging ontsnappen, vallen ze toch in des vijands handen."
4. Zij beweren, het kwaad te bezweren, dat anderen overkomt, maar "God zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking" de tijd voor hun verantwoording bepaald een tijd komende voor allen, die verzuimd hebben zich zelf te oordelen, en dat zal een boze tijd zijn. Het jaar hunner bezoeking is het jaar van de vergelding. Voorts wordt gedreigd, vers 15 :Ik zal ze met alsem spijzigen, vergif, dat niet alleen walgelijk maar ook schadelijk is, en met galwater drenken of (zoals sommigen lezen) met sap van dolle kervel, Hoofdstuk 9:15. Terecht wordt eerst een beker van de verschrikking hun op de hand gezet, want "van Jeruzalems profeten, die voorbeelden moesten zijn van godsvrucht en alles goeds, is de huichelarij uitgegaan in het gehele land." Niets went een volk meer aan uitspatting, dan de uitspatting van zijn voorgangers.
Vl. Het volk wordt hier gewaarschuwd, de valse profeten geen gehoor te geven, want, ofschoon zij hen vleien met hoop op straffeloosheid, de oordelen Gods zullen zeker over hen komen, tenzij ze zich bekeren, vers 16 :Let op wat God zegt: Hoort niet naar de woorden van de profeten, gij zult tenslotte zien dat Gods Woord stand houdt en niet het hun. Gods Woord maakt u ernstig, maar het hun maakt u ijdel, voedt u met ijdele hoop, die u ten laatste zal begeven. Zij zeggen u: Geen kwaad zal u overkomen, maar hoor nu wat God zegt, vers 19 :Zie, een onweder des Heeren, een grimmigheid is uitgegaan. Zij zeggen u: alles zal helder en kalm blijven, maar God zegt u: Een onweder komt op, een grimmigheid des Heeren, dat komt van Hem, en dus kan niemand daarvoor bestaan. Het is een onweder door Zijn goddelijken toorn verwekt, een grimmigheid, voortgebracht uit de schatkameren van Zijn goddelijke wraak, en daarom een vreselijk onweder des Heeren. Dat zal neerkomen met hagel en vuur op van de goddelozen hoofd. Zij kunnen het noch ontlopen noch beschutting vinden. Het zal vallen op de goddeloze profeten zelf, die het volk misleid hebben, en op het goddeloze volk, dat zich heeft laten misleiden. "Een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn," Psalm 11:6. Dit oordeel wordt als onherroepelijk aangekondigd, vers 20, "des Heeren toorn zal zich niet afwenden, want het besluit is uitgegaan, God zal zich niet bedenken, noch Zijn toorn afkeren, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten zijns harten." Gods onweder, wanneer het "van de hemel nederdaalt, keert derwaarts niet weer, maar zal voorspoedig zijn in hetgene, waartoe Hij het zendt," Jesaja 55:11. Dat zullen zij nu overdenken, maar in "het laatste van de dagen zult gij met verstand, met klaar bewustzijn, daarop letten." Ziet zij, die op de bedreiging niet vrezen, zullen de volvoering ondervinden, en zullen dan ten volle verstaan wat zij nu ondenkbaar achten want "het is vreselijk, te vallen in de handen van de levende God," van een rechtvaardig en ijverig God. Wie niet in tijds naar de waarschuwing horen wil, zal ze verstaan wanneer het te laat is. Bedenk dat! VII. De valse profeten wordt hier allerlei ter overweging gegeven, om hen te overtuigen, opdat zij, zo mogelijk, hun dwaling mochten inzien en het bedrog erkennen, dat zij jegens Gods volk gepleegd hebben.
1. Laat ze bedenken, dat, zo ze al het volk om de tuin leiden, God te wijs is om bedrogen te worden. De mens kan hun valsheid niet doorzien, maar God wel. Hier:
A. Bevestigt God in het algemeen Zijn alomtegenwoordigheid en Zijn alwetendheid, vers 23, 24. Toen zij aan het volk verkondigden, dat hun geen kwaad zou overkomen, al bleven ze in hun boze wegen volharden, rekenden zij buiten God, als ziet Hij de zonde niet, als kan Hij door wolken en donkerheid niet oordelen zodat geen straf kan volgen. Daarom moest het volk met de eerste beginselen van de godsdienst bekend gemaakt worden en hun de ontegensprekelijkste en klaarblijkelijkste waarheden voorgehouden.
a. Dat, hoewel Gods troon in de hemel is en ver van de aarde verwijderd schijnt, Hij toch deze lage wereld kent evengoed als de hogere gewesten, waar Hij woont, vers 23. Het oog Gods ziet even helder op aarde als in de hemel. "Mijn ogen doorlopen de gehele aarde, 2 Kronieken : 16:9, evenzeer als de gehele hemel, en wat in de geest van de mensen leeft, al is dat in een sluier van vlees en bloed verborgen, ligt even open voor Hem als wat in de geest van de engelen woont, die Zijn troon omringen, waar geen vlees iets zou kunnen verbergen". Gods macht is dezelfde onder de bewoners van de aarde als te midden van de hemelse heirscharen. Bij ons maakt nabijheid en verwijdering een grootverschil, zowel ten aanzien van onze beschouwingen als van onze handelingen, maar zo is het bij God niet. Voor Hem zijn lichten duisternis, nabij en verre, gelijk
b. Dat, hoe behendig de mens zijn eigen karakter en raadslag ook tracht te verhelen, voor Gods alziend oog kan niets verborgen zijn, vers 14. Zou, zich iemand in verborgen plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? kan iemand zijn plannen en bedoelingen in het verborgene van zijn hart verschuilen, dat Ik ze niet zien zou? Geen kunst van verberging kon iets aan Gods oog onttrekken of zijn oordeel verschalken.
c. Dat Hij alomtegenwoordig is, niet alleen regeert Hij hemel en aarde en bewaart Hij beide door Zijn algemene voorzienigheid, maar Hij vervult hemel en aarde met Zijn wezenlijke tegenwoordigheid, Psalm 139:7,8 enz. Geen plaats kan hem in- of uitsluiten.
B. Hij past dit toe op die profeten, die bijzonder bekwaam schenen, zich te verbergen, vers 25, 26. Ik heb gehoord wat de profeten zeggen die in Mijn naam leugen profeteren. Zij meenden, dat God zo druk bezig was met de andere wereld, dat Hem geen tijd overbleef om kennis te nemen van wat hier op aarde geschiedt. Maar God zal hun tonen, dat Hij al hun bedreigingen kent, al de misleiding, die zij onder de schijn van goddelijke openbaring gepleegd hebben. Datgene, waardoor zij het volk poogden in slaap te wiegen, beweerden zij in de droom van God te hebben ontvangen, hoewel er van droom geen sprake geweest was. Dit konden zij maar niet inzien, als iemand zegt, dat hij dit of dat gedroomd heeft, kan ik hem niet tegenspreken, en dat weet hij ook wel. Maar God ontdekt het bedrog. Misschien fluisterden de valse profeten wat zij te zeggen hadden, hun vertrouwelingen in het oor, zeggende, zo en zo heb ik gedroomd. Maar God had het gehoord. Het hart-onderzoekende oog des Heeren ging alle pogingen na, waardoor zij het volk zochten te bedriegen, en Hij roept uit: "Hoe lang? Zal ik ze immer verdragen? Is er van een droom in het hart van de profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij." Zullen zij nimmer verstaan, hoe diep zij God beledigen, hoe zij het volk ten verderve voeren, en welk oordeel zij zichzelf op de hals halen?
2. Laat hen bedenken, dat hun volksbedrog en voorgewende openbaringen, hun verzonnen goddelijke inspiratie de juiste weg was, om alle godsdienst verachtelijk en de mensen tot godloochenaars en ongelovigen te maken. Dit was ook inderdaad hun doel, al namen ze ook telkens Gods naam op hun lippen en begonnen zij hun toespraken gedurig met: "Dus spreekt de Heere. Toch zegt God, zij denken om Mijn volk Mijn naam te doen vergeten door hun dromen." Zij bedoelen, het volk van de dienst des Heeren af te trekken en van Gods wetten, verordeningen en ware profeten afkerig te maken, "gelijk al hun vaderen Mijn naam vergeten hebben door Baäl." Zie, de grote zaak, die Satan op het oog heeft, is God te doen vergeten, met alles waardoor Hij zich heeft geopenbaard, en daartoe gebruikt hij listige middelen. Nu eens doet hij dat, door valse goden in te voeren (zo de mensen Baäl leerden liefhebben, vergaten ze God spoedig), dan weer geeft hij een valse voorstelling van God als ware Hij een van ons. Voorgewende nieuwe openbaringen kunnen even gevaarlijk blijken voor de godsdienst als de ontkenning van alle openbaring, en valse profeten, in Gods naam sprekende, doen misschien de godzaligheid meer schade dan Baälsprofeten, daar men tegen geen minder op zijn hoede is.
3. Laat hen bedenken, welk groot verschil er bestaat tussen hun profetieën en die van de ware profeten des Heeren, vers 28. De profeet bij welke een droom, ( de manier, waarop de valse profeten gewoonlijk beweerden, hun openbaringen te ontvangen), die vertelle de droom, of die vertelle dat als een droom, gelijk Gataker vertaalt. Laat hem er niet meer nadruk op leggen dan een droom waard is, noch meer oplettendheid er voor vragen. Laat hem niet zeggen, dat die van God komt, en hun dwaze dromen geen godsspraken noemen. "Bij welke Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk, of: spreke het als een waarheid, gelijk sommigen lezen". Laat hij zich nauwkeurig houden bij zijn ingeving, en gij zult weldra een duidelijk verschil opmerken tussen de dromen van de valse profeten en de goddelijke openbaringen van de ware. Wie beweert, een boodschap van God te hebben, door een droom of stem meegedeeld, laat hem dat zeggen, en het zal gemakkelijk onderkend worden wat van God is en wat niet. Hij, wiens geestelijke zin geoefend is, zal in staat zijn, te onderscheiden, want "wat heeft het stro met het koren te doen, spreekt de Heere." De beloften van vrede, die deze profeten geven, zijn, met Gods beloften vergeleken, niets meer dan stro naast koren. Menselijke verbeelding is licht, ijdel, waardeloos, als "het kaf, dat de wind henendrijft." Maar het Woord van God heeft een inhoud, heeft waarde, is voedsel voor de ziel, het brood des levens. Koren was een hoofdprodukt van Kanaän, Deuteronomium 8:8, Ezechiël 27:17. Er is evenveel onderscheid tussen tarwe en kaf als tussen het zuivere Woord Gods en de inbeeldingen van de mensen. Er volgt, vers 29, Is Mijn woord- niet alzo, als een vuur? spreekt de Heere. Is hun woord zo? Heeft het de macht en uitwerking van Gods Woord? Neen, allerminst, het is als geschilderd vuur naast werkelijk vuur. Het hun is als een "ignis fatuus, een dwaallicht", dat de mensen op zijpaden en naar gevaarlijke afgronden leidt. Zie, Gods Woord is als vuur. "De wet was een vurige wet," Deuteronomium 33:21, en Christus zegt van het Evangelie: "Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen," Lukas 12:49. Vuur heeft verschillende uitwerking, naar het voorwerp, waarmee het in aanraking komt, het maakt klei hard en was week, het verteert de droesem en loutert het goud. Zo is Gods Woord sommigen "een reuk des doods ten dode, en anderen een reuk des levens ten leven." God doet hier een beroep op de consciëntie dergenen, tot wie Zijn Woord gezonden werd. "Is niet Mijn Woord alzo als een vuur? Is het dat niet voor u geweest?" Zacheria 1:6. Spreek naar hetgeen ge gevonden hebt. Ook wordt het vergeleken met een hamer, die een steenrots te morzel slaat." Het niet vernederde hart des mensen is als een rots, als Gods Woord het niet kan smelten als vuur, wordt het verbroken als door een hamer. Welken tegenstand het Woord ook ontmoet, die wordt neergeworpen en te morzel geslagen.
4. Laat hen bedenken, dat God tegen hen was, toen zij die weg opgingen. Driemaal wordt hun dat gezegd, vers 30, 31, 32. Zie, Ik wil aan de profeten, dat is, Ik stel Mij tegen hen. Zij beweerden voor God te zijn en gebruikten Zijn naam, maar waren inderdaad tegen Hem, Hij ziet ze gelijk ze werkelijk zijn en stelt zich tegen hen. Hoe kunnen zij veilig, of zelfs gerust zijn, die de almachtige God tegen zich hebben? Terwijl die profeten het volk vrede beloofden, verklaarde God hun de oorlog. Zij worden hier beschuldigd van
a. roof. "Zij stalen Mijn woorden, een ieder van zijn naaste." Sommigen verstaan dit van het Woord Gods, dat de ware profeten predikten, zij stalen hun toespraken, hun termen en vermengden die onder hun eigen woord, als vervalsers goede waar onder slechte mengen en dan aan de man brengen. Degenen, die aan de geest van de ware profeten vreemd waren, aapten hun taal na, namen enige goede gezegden over en gebruikten die tegenover het volk als hun eigen vinding, maar opgepast. Het kwam niet overeen met hun eigen taal. "De benen van de kreupele zijn ongelijk, alzo is een spreuk in de mond van de zotten." Anderen verstaan er Gods Woord onder, gelijk het Woord ontvangen en bewaard door enigen uit het volk, zij stalen dat uit het hart dier vromen, gelijk de boze in de gelijkenis het goede zaad des Woords wegneemt, Mattheus 13. 19 Door hun misbruik deden zij afbreuk aan het gezag van Gods Woord en dus ook aan deszelfs invloed, ten aanzien dergenen, die er eerbied voor hadden.
b. Namaak van het grootzegel. Hierom wil God aan hen, vers 31, omdat zij hun tong in hun spreken tot het volk naar eigen goeddunken gebruiken, zij zeggen wat zij zelf gepast achten, en noemen dat Gods Woord als hadden ze het van Hem, en beweren: "Alzo zegt de Heere." Sommigen lezen: zij maken hun tong glad, zij spreken vleiende woorden tot het volk en zeggen alleen aangename en welwillende woorden, nooit bestraffen noch bedreigen zij, hun woorden zijn zachter dan boter. Zo maken zij zich gezien en verdienen geld, daarbij zijn zij onbeschaamd genoeg om God tot auteur hunner leugens te stellen, als zij beginnen: "Alzo spreekt de Heere." Kan de God van de waarheid groter smaad worden aangedaan, dan Hem tot vader hunner leugens te stellen?
c. Van bedriegerij, vers 32. Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, en daarbij beweren, dat zij een goddelijke ingeving ontvangen hebben, hoewel zij niets dan hun eigen vinding voor de dag brengen. Het is een vreselijk bedrog, het zal niet baten zo zij zeggen: "Caveat emptor. Laat de koper zelf toezien, en Si populus vult decipi, decipiatur". Zo het volk wil bedrogen zijn, het zij zo". Neen, het is wel de zonde van het volk, zo het dwaalt, dat het te goeder trouw alles aanneemt en "de geesten niet beproeft, maar het is nog groter zonde in de valse profeten, dat zij Gods volk doen dwalen met hun leugens en met hun lichtvaardigheid, en door de vleierij van hun zoete prediking, die de zonden verbloemt en door de ongebondenheid en lichtzinnigheid van hun wandel het volk aanmoedigen, er in te volharden."
d. God ontkent, dat Hij ze met enige zending heeft belast, "Ik heb ze niet gezonden en hun niets bevolen, zij zijn Gods boodschappers niet noch wat zij zeggen Zijn boodschap".
e. Terecht ontzegt Hij hun daarom zijn zegen: "Zij doen dit volk geheel geen nut". Al het nut, dat zij beogen, is het volk gerust te stellen, maar zelfs dat zal hun niet gelukken, want God zal hun onrust in het hart zenden. "Zij doen dit volk geheel geen nut, " daar ligt meer in dan oppervlakkig schijnt, niet alleen doen zij het volk geen goed, maar zelfs veel kwaad. Zie, die het Woord Gods vervalsen terwijl zij beweren het te prediken, zijn zo verre van de kerk te stichten, dat zij integendeel het grootste onheil bewerken.