Jeremia 12:1-6
De profeet twijfelt niet of het zou nuttig zijn voor anderen te weten, wat had plaats gehad tussen God en zijn ziel met welke verzoekingen hij aangevallen was en hoe hij ze overwonnen had, en daarom deelt hij ons hier mede:
I. Welke vrijheid hij nederig nam, die hem ook genadiglijk werd toegestaan, om met God te handelen betreffende Zijn oordelen, vers 1.Hij gaat pleiten bij God, niet met Hem twisten, of aanmerking maken op Zijn daden, maar om naar de bedoeling ervan te vragen, dat hij meer en meer reden mocht zien om er tevreden mee te zijn, en iets te antwoorden mocht hebben op zijn eigen bedenkingen er tegen, en die van anderen. De werken des Heeren, en de redenen er van, "worden gezocht van allen, die er lust in hebben," Psalm 111:2. Wij mogen "niet twisten met onze Formeerder," maar wij mogen met Hem handelen. De profeet legt een waarheid vast van onbetwistbare zekerheid, en besluit er bij te blijven, als hij dit argument hanteert: "Gij zoudt rechtvaardig zijn, Heere! wanneer ik tegen U zou twisten." Aldus wapent hij zich tegen de verzoeking, waarmee hij aangevallen werd, om de voorspoed van de goddelozer te berijden, voordat hij er op ingaat.
Merk op: Als wij het meest in het duister verkeren over de bedoeling van Gods beschikkingen, moeten wij toch besluiten rechtvaardige gedachten over God te hebben, en moeten hierop vertrouwen dat Hij nooit het allergeringste onrecht deed, of zal doen aan een van Zijn schepselen, ook als "Zijn oordelen" onnaspeurlijk zijn als "een grote afgrond," en volkomen onverklaarbaar, toch is "Zijn gerechtigheid even zichtbaar en onbewegelijk als de bergen Gods," Psalm 36:7. Al zijn soms "wolken en donkerheid rondom Hem" toch zijn altijd "gericht en gerechtigheid de vastigheid Zijns troons," Psalm 97:2. En wij moeten het voor Hem erkennen, zoals de profeet hier, zelfs als wij "met Hem rechten," als die er niet aan denken met Hem te twisten, maar om te leren, ten volle verzekerd zijnde, dat Hij gerechtvaardigd zal worden in Zijn woorden.
Merk op, hoeveel reden wij menen te hebben om met God te rechten voor onze verlichting, toch past het ons te erkennen, dat Hij gelijk heeft, wat Hij ook zegt of doet.
II. Wat er in de beschikkingen van de goddelijke Voorzienigheid was, waarover hij struikelde en meende te kunnen rechten. Het was dat, wat voor veel wijze en goede mensen een beproeving is geweest, en wel zulk een, dat zij die met moeite te boven gekomen zijn. Zij zien, dat de plannen en ontwerpen van de goddelozen slagen. "Der goddelozen weg is voorspoedig", zij voeren hun boosaardige plannen uit en bereiken hun doel. Zij zien dat hun zaken en belangen in goeden toestand verkeren. "Zij zijn gelukkig, zo gelukkig als de wereld ze maken kan, schoon zij trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven," beide, jegens God en de mensen. Hoofdzakelijk worden de huichelaars bedoeld (zoals blijkt uit vers die veinzen in hun eerlijke betuigingen, zij laten hun goed begin en schone beloften in de steek, en in beide handelen zij trouwelooslijk, zeer trouwelooslijk. Er is gezegd dat niemand verwachten kan voorspoedig te zijn, die onrechtvaardig en oneerlijk is in zijn handelingen, maar deze handelen trouwelooslijk, en toch zijn zij gelukkig. De profeet toont, vers 2, beide hun voorspoed en het misbruik, dat zij er van maken.
God was zeer toegeeflijk voor hen geweest en zij waren vooruitgekomen in de wereld: "Zij zijn geplant in een goed land, een land overvloeiende van melk en honing, en Gij hebt ze geplant! ja, Gij hebt de heidenen uit de bezitting verdreven, maar hen lieden geplant," Psalm 44:3 en 80:8. Menige boom wordt geplant die toch niet groeit en waar niets van terecht komt, maar "zij zijn ingeworteld," hun voorspoed schijnt bevestigd en vast te zijn. Zij schieten wortel in de aarde, want daar maken zij zich vast aan, en daaruit trekken ze al de sappen hunner tevredenheid. Vele bomen schieten wortel en worden toch niet groot, maar deze "gaan voort, ook dragen zij vrucht," hun gezin is groot, zij leven op grote voet en geven veel uit, en dat alles was te danken aan de welwillendheid van de goddelijke Voorzienigheid, die hen begunstigde, Psalm 73:7. Aldus had God hen begunstigd, schoon zij trouwelooslijk met Hem gehandeld hadden: Gij zijt wel nabij in hun mond maar verre van hun nieren." Dit was geen liefdeloos oordeel, want hij sprak door de Geest van de profetie, zonder die is het niet goed, mensen, die uiterlijk prijzenswaardig zijn, van huichelarij te beschuldigen.
Merk op,
a. Hoewel het hun onverschillig was, of zij om God dachten, noch enige oprechte genegenheid voor Hem hadden, konden zij `t toch gemakkelijk over zich verkrijgen, vaak en met uiterlijke ernst van Hem te spreken. Vroomheid met de mond is niet moeilijk. Velen spreken de taal van Israël, die geen wezenlijke Israëlieten zijn.
b. Ofschoon zij bij elke gelegenheid de naam van God op de lippen hadden, en zich wenden aan zulke termen, die de smaak van vroomheid hadden, toch konden zij zichzelf niet overhalen, de vreze Gods in hun harten te bewaren. De vorm van de godzaligheid behoort voor ons een band te zijn aan de kracht daarvan, maar bij hen was het niet zo.
III. Welke troost hij had in `t beroep op God wat betreft zijn eigen oprechtheid, vers 3. Maar gij, o Heere, kent mij. Waarschijnlijk waren de goddelozen, over wie hij klaagt, haastig om hem verwijten te doen en aanmerkingen te maken, Hoofdstuk 18:18, waarbij het zijn troost was, dat God getuige was van zijn oprechtheid. God wist, dat hij niet zo'n man was als zij waren (die God wel nabij waren in hun mond, maar hun nieren waren ver van Hem), noch zulk een, als waarvoor zij hem hielden, en zoals zij hem voorstelden, een bedrieger en een valse profeet, die hem daarvoor uitmaakten, kenden hem niet, 1 Corinthiers 2:8. "Maar Gij, o Heere, kent mij, al achten zij mij de aandacht niet waard."
1. Merk op, wat de zaak is, waarvoor hij zich op God beroept: "Gij proeft mijn hart, dat het met U is." Zie, wij zijn, zoals ons hart is en ons hart is goed of slecht, naar het al of niet met God is, en dat is het, waarnaar wij onszelf te onderzoeken hebben, om ons voor God te rechtvaardigen.
2. De kennis, waarop hij zich beroept: ""Gij kent mij, beter dan ik mij zelf ken, niet van horen zeggen of bij geruchte, want Gij ziet mij, ziet mij niet met een enkele blik, maar Gij proeft mijn hart." Gods kennis van ons is even klaar en nauwkeurig en zeker, alsof Hij het meest nauwkeurige onderzoek had ingesteld. De God, met Wien wij te doen hebben, weet volkomen of ons hart met Hem is of niet. Hij kent beide de schuld van de huichelaar en de oprechtheid van de oprechte.
IV. Hij bidt, dat God Zijn hand tegen deze goddelozen keren zal, en hen niet altijd voorspoedig zal laten zijn, schoon zij lang voorspoedig waren geweest. "Laat een oordeel over hen komen om ze uit te rukken uit deze vette weide als schapen ter slachting", opdat moge blijken, dat hun langdurige voorspoed niet anders was dan het vetmesten van lammeren op een ruime plaats, om ze "te heiligen tot de dag van de slachting", Jeremia 12:3. God liet ze voorspoedig zijn, opdat zij door hun trots en weelde de maat hunner ongerechtigheid zouden vullen en aldus rijp worden voor de ondergang, en daarom vindt hij het een noodzakelijk bestanddeel van de rechtvaardigheid, dat hem zelf het kwaad overkomt, dat zij zo lang anderen hadden gedaan, en dat zij uit hun land uitgerukt worden, omdat zij verwoesting over het land hadden gebracht, en omdat, hoe langer zij er bleven zij des te meer kwaad deden, als plagen van hun geslacht, vers 4. "Hoe lang zal het land treuren (zoals het doet onder de oordelen Gods, die het getroffen hebben) vanwege de boosheid dergenen, die daarin wonen? Heere, zullen zij, die allen om hen heen verderven zelf voorspoedig zijn?"
1. Zie hier, wat het oordeel was, waaronder het land nu zuchtte: "Het kruid des gehele velds verdort" (het gras is verbrand en alle produkten van de bodem zijn mislukt) en dan volgt natuurlijk, de beesten en het gevogelte vergaan, 1 Koningen 18:5. Dat was het gevolg van een langdurige droogte, of gebrek aan regen, naar `t schijnt, op `t laatst van Josia's regering en in `t begin van die van Jojakim, zij wordt vermeld in Hoofdstuk 3:3, 8:13, 9:10, 12, en meer volledig later, Hoofdstuk 14. Indien zij door dit kleiner oordeel tot berouw waren gebracht, zou het groter voorkomen zijn. Waarom was het nu, dat dit "vruchtbare land tot zouten grond" was gesteld, anders dan "om de boosheid dergenen, die daarin wonen?" Psalm 107:34. Daarom bidt de profeet, dat deze goddelozen mogen sterven om hun ongerechtigheid, en dat niet het hele volk er onder lijden moge.
2. Zie hier wat de taal hunner goddeloosheid was. "Zij zeggen, Hij ziet ons einde niet," of:
a. God ziet het niet. Atheïsme is de wortel van huichelarij. "God is verre van hun nieren, ofschoon nabij in hun mond, omdat zij zeggen, Hoe zou het God weten?" Psalm 73:11, Job 22:13. Hij weet niet welke weg wij nemen en waar die op uitloopt. Of:
b. "Jeremia ziet ons einde niet, " wat hij ook beweert, als hij vraagt, wat zal het einde hiervan zijn, hij kan het zelf niet vooruit weten. Zij beschouwen hem als een valse profeet. "Wat het ook zij, Hij zal niet leven en het ook niet zien, want wij zullen zorgen, dat hij aan zijn eind komt" Hoofdstuk 11:21.
Merk op:
c. Het plaatsen van zijn uiteinde op verre afstand, of het te beschouwen als onzeker, ligt op de bodem van al hun goddeloosheid, Klaagliederen 1:9.
d. De hele schepping zucht onder de last van de zonde des mensen, Romeinen 8:22. Hierom is het, "dat de aarde treurt" (zo kan men het lezen), "vervloekt zij het aardrijk om uwentwil."
V. Hij maakt ons bekend met het antwoord van God op zijn klachten, vers 5, 6. Wij vinden dikwijls, dat de profeten, wier werk het was anderen te vermanen, zelf vermaand worden, Jesaja 8:11. Dienaren hebben zowel lessen te ontvangen, als te geven, en moeten zelf Gods stem horen en tot zich prediken. Jeremia beklaagde zich zeer over de goddeloosheid van de mannen van Anathoth en, dat zij voorspoedig waren, niettegenstaande dat. Nu schijnt dit een antwoord op die klacht.
1. Toegestemd wordt, dat hij reden had om te klagen, vers 6. "Ook uw broeders, de priesters van Anathoth, die van uws vaders huis zijn, die u hadden moeten beschermen en beweerden, dat zij het deden, ook die handelen trouwelooslijk tegen u, zijn vals tegenover u geweest, en hebben u, onder `t mom van vriendschap, zoveel kwaad gedaan, als zij maar konden, "ook die roepen u met volle stem achterna" zij hebben achter u gescholden, totdat het gepeupel in beweging gekomen is, om u bij hen gehaat te maken, terwijl zij ter zelfder tijd de schijn aannamen van geen bedoeling te hebben tot vervolging of om u van uw vrijheid te beroven. "Geloof ze niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken. Zij schijnen uw vrienden te zijn maar zijn werkelijk uw vijanden." Gods trouwe dienaren moeten het volstrekt niet vreemd vinden, als hun vijanden hun huisgenoten zijn, Mattheus 10:36, en als degenen, waar zij vriendelijkheid van verwachten zodanig blijken te zijn, dat zij geen vertrouwen in hen kunnen stellen, Micha 7:5.
2. Toch wordt hem gezegd, dat hij te ver is gegaan.
A. Hij trok zich de onvriendelijkheid van zijn landgenoten te veel aan. Zij maken u moede, omdat gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, vers 5. Het was zeer smartelijk voor hem zo gehaat en beschimpt te worden door zijn eigen verwanten. Hij was er in zijn ziel door verstoord, zijn geest was er door overstelpt en terneergeslagen, zodat hij er over in grote ontroering en ellende was. Ja, hij werd er door ontmoedigd in zijn werk, begon het profeteren moede te worden, en er over te denken om het op te geven.
B. Hij dacht er niet aan, dat dit maar een begin van smart was, en dat hij nog zwaarder beproevingen in `t vooruitzicht had, en, dat hij door een geduldig dragen van deze moeite zich voor groter moest voorbereiden, terwijl hij, door zijn ontevredenheid onder deze, zichzelf maar ongeschikt maakte voor hetgeen hem nog verder te wachten stond. "Als gij loopt met de voetgangers, zo maken zij u moe", en lopen u buiten adem, "hoe zult gij u dan mengen met de paarden?" Als het onrecht, dat de mannen van Anathoth hem aandeden, zo'n indruk op hem maakte, wat zou hij dan doen, als de vorsten en overpriesters met hun macht zich tegen hem zouden richten, zoals zij later deden? Hoofdstuk 20:2, 32:2. Als hij spoedig vermoeid was "in een land van vrede," waar weinig gewoel en gevaar was, "hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan," als hij de oevers overstroomt en zelfs leeuwen uit hun schuilplaatsen uitdrijft? Hoofdstuk 49:19.
Merk op:
a. Zolang wij in deze wereld zijn, moeten wij tegenspoed en moeilijkheden verwachten. Ons leven is een wedloop, een oorlog, wij lopen gevaar onder de voet te geraken.
b. Daar Gods gewone methode is met kleinere beproevingen te beginnen, is het verstandig van ons grotere te verwachten, dan al die wij tot nu toe ontmoet hebben. Wij zullen misschien opgeroepen worden om "ons te mengen met de paarden?" en wellicht worden de zonen van Ezak bewaard voor het laatste treffen.
c. Wij hebben er het hoogste belang bij ons op zulke beproevingen voor te bereiden en te bedenken, wat wij in zo'n geval zouden doen. Hoe zullen wij onze oprechtheid en onze vrede bewaren "in de verheffing van de Jordaan?"
d. Om ons voor te bereiden op verdere en grotere beproevingen, is het ons belang ons wel te gedragen in de tegenwoordige kleinere beproevingen, om moed te houden, de belofte vast te houden, onze weg te vervolgen, met het oog op de prijs, en zo te lopen, dat wij die mogen verkrijgen. Sommige goede exegeten verstaan dit als gesproken tot het volk, dat zeer zeker was en zonder vrees voor de gedreigde oordelen. Als het zo vernederd en verarmd is door kleinere onheilen, zo uitgeput door de Assyriërs, als de Ammonieten en de Moabieten, die hun broederen waren, en met wie zij in verbond waren, vals zouden blijken tegenover hen (wat ontwijfelbaar het geval zou zijn), -hoe zouden zij dan opgewassen zijn tegen zo'n machtig tegenstander als de Chaldeën zouden zijn? Hoe zouden zij het hoofd ophouden tegen de inval, die zou komen als "de verheffing van de Jordaan?"