1 Samuël 2:11-26
In deze verzen hebben wij het goede karakter en gedrag van Elkana's gezin, en het slechte karakter en gedrag van Eli's gezin, het bericht van die beide is opmerkelijk met geheel deze paragraaf als ineengevlochten, alsof het de bedoeling was van de geschiedschrijver om ze tegenover elkaar te plaatsen als tegenhangers van elkaar. De Godsvrucht en goede orde in het gezin van Elkana verzwaarde de ongerechtigheid van Eli's huis, terwijl de goddeloosheid van Eli's zonen Samuëls vroege Godsvrucht zoveel helderder deed uitblinken.
I. Laat ons zien hoe goed het ging in Elkana's gezin, en hoeveel beter dan tevoren.
1. Nadat zij hun zoontje tot het huis des Heeren hadden gebracht, zond Eli hen weg met een zegen, vers 20. Hij zegende als gezaghebbende. De Heere geve u meer zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij de Heere afgebeden heeft. Indien Hanna toen vele kinderen had gehad, het zou niet zo'n grootmoedige daad van Godsvrucht zijn geweest, om uit die velen een af te staan voor de dienst in de tabernakel, maar toen zij er slechts een had, een enige, die zij liefhad, haar Izak, en hem de Heere gaf, was dit een daad van heldhaftige Godsvrucht, die haar loon geenszins zal verliezen. Evenals Abraham, toen hij Izak had geofferd, de belofte ontving van een talrijk zaad, Genesis 22:16, 17, zo heeft ook Hanna, toen zij Samuël als een levende offerande de Heere had voorgesteld, die belofte ontvangen. Wat de Heere gegeven, of geleend, is, zal voorzeker met interest teruggegeven worden tot ons onuitsprekelijk gewin, en dikwijls in natura. Hanna staat een kind af aan God, en wordt beloond met vijf, want Eli's zegening had kracht van uitwerking, vers 21, zij baarde drie zonen en twee dochteren. Men verliest er niets bij door aan God te lenen, of voor Hem te verliezen, men zal er honderdvoud voor ontvangen, Mattheus 19:29.
2. Zij gingen terug naar hun eigen woning, dit wordt tweemaal vermeld, vers 11, en nogmaals in vers 20. Het was zeer lieflijk in Gods huis te zijn, God te loven, en door Hem gezegend te worden. Maar zij hebben tehuis een gezin, dat verzorgd moet worden, en daar keren zij toe terug, de kleine goedsmoeds achterlatende, wetende dat zij hem in een goede plaats achterlieten. En het blijkt niet dat hij weende bij hun vertrek, hij was even gewillig om te blijven als zij om er hem te laten, zo spoedig reeds heeft hij teniet gedaan hetgeen eens kinds was, en zich gedragen als een man.
3. Zij bleven hun opgaan naar het huis Gods aanhouden, om het jaarlijkse offer te offeren, vers 19. Zij hebben niet gedacht dat de bediening huns zoons aldaar hen er van verontschuldigde, of dat dat offer in de plaats kon komen van andere offeranden, maar het voordeel, het weldadige ervaren hebbende van tot God te naderen, wilden zij er geen voorgeschreven tijd van verzuimen, en nu hadden zij nog een magneet in Silo om hen derwaarts heen te trekken. Wij kunnen onderstellen dat zij meer dan eens in het jaar daarheen gingen, om hun kind te zien, want het was op nog geen vier uren afstands van Rama, maar van hun jaarlijks bezoek wordt nota genomen, omdat zij dan hun jaarlijks offer brachten, en dan voorzag Hanna haar zoon (sommigen denken dat zij het vaker deed dan eenmaal per jaar) van een nieuw stel klederen, een kleinen rok, vers 19, met alles wat er bij behoorde. Zij nam op zich om hem, gedurende zijn leerjaren in de tabernakel van klederen te voorzien, en droeg zorg dat hij er goed van voorzien was opdat hij er netjes en aangenaam zou uitzien bij zijn bediening, en om hem aan te moediger in zijn goed begin. Ouders moeten zorgdragen dat hun kinderen geen gebrek hebben aan hetgeen passend voor hen is, hetzij zij bij hen zijn of niet bij hen zijn, maar kinderen, die hun plicht doen en goede hoop van zich geven, moeten een dubbel deel van zorg en vriendelijkheid waardig geacht worden.
4. Het kind Samuël gedroeg zich zeer goed. Viermaal wordt hij in deze verzen genoemd en twee dingen worden ons van hem meegedeeld.
A. De dienst, die hij deed voor de Heere. Hij gedroeg zich wèl, want hij diende voor het aangezicht des Heeren, vers 18, naar zijn bekwaamheid was, hij leerde de beginselen van de Godsdienst, was trouw en ijverig in zijn gebeden, leerde spoedig lezen, en vond vermaak in het boek van de wet, en aldus diende hij de Heere. Hij diende voor het aanschijn van de priester Eli, vers 11, dat is: onder zijn toezicht, en zoals hij hem gebood, niet voor het aanschijn van zijn zonen, allen waren er van overtuigd, dat zij ongeschikt waren om zijn onderwijzers te zijn. Misschien verrichtte hij ook de dienst bij Eli's persoon, was hij bereid om om voor hem te gaan en te komen, naar hij hem nodig had, en dat wordt genoemd de Heere dienen. Misschien werd hij ook gebruikt voor kleine diensten aan het altaar, hoewel hij nog ver onder de leeftijd was, door de wet bepaald voor de dienst van de Levieten. Hij kon een kaars aansteken, of een schotel vasthouden, of een boodschap doen, of een deur sluiten, en omdat hij dit deed met een Godvruchtig gemoed, wordt het een dienen van de Heere genoemd, en wordt er veel nota van genomen. Na een wijle deed hij zijn werk zo goed, dat Eli bepaalde dat hij moest dienen omgord zijnde met de linnen lijfrok, zoals de priesters, (hoewel hij geen priester was) omdat hij zag dat God met hem was. Kleine kinderen moeten intijds leren de Heere te dienen, ouders moeten hen daartoe opleiden, en God zal hen aannemen. Laat hen inzonderheid leren eerbied te betonen aan hun onderwijzers, zoals Samuël aan Eli. Niemand kan te spoedig beginnen Godsdienstig te zijn. Zie Psalm 8:3, Mattheus 21:15, 16.
B. De zegen, die hij van de Heere ontving. Hij werd groot bij den Here, als een tedere plant, vers 21, werd groot, vers 26, nam toe, en werd groot en aangenaam beide bij den HEERE. De jonge lieden, die God dienen zo goed als zij kunnen, zal Hij instaatstellen om Hem nog beter te dienen. Zij, die in Gods huis geplant zijn, zullen groeien Psalm 92:14. Hij was aangenaam, beide bij de Heere en bij de mensen. Het is voor kinderen een grote aanmoediging om intijds volgzaam en deugdzaam en Godvruchtig te wezen, dat, zo zij het zijn, beide God en de mensen hen zullen liefhebben. Zulke kinderen zijn de lievelingen beide van de hemel en de aarde. Wat hier gezegd is van Samuël, wordt van onze gezegenden Heiland, het grote voorbeeld, gezegd, Lukas 2:52.
II. Laat ons nu zien hoe slecht het ging in Eli's gezin, hoewel het aan de eigen deur van de tabernakel gevestigd was. Hoe dichter bij de kerk, hoe verder van God.
1. De verfoeilijke slechtheid van Eli's zonen vers 12. De zonen van Eli waren kinderen Belials. Het is krachtig uitgedrukt. Eli zelf was een zeer Godvruchtig man-tenminste, uit niets blijkt het tegendeel. Ongetwijfeld heeft hij zijn zonen een goede opvoeding gegeven, hen goed onderwezen, is hij hun tot een goed voorbeeld geweest, en heeft hij vele gebeden voor hen tot God opgezonden. En toch, toen zij opgroeiden, bleken zij kinderen Belials te zijn, onheilige, goddeloze mannen, beruchte lichtmissen, zij kenden de Heere niet. Het kon niet anders of zij moesten een uitwendige kennis van God hebben en van Zijn wet, een gedaante van de kennis, Romeinen 2:20, o omdat echter hun leven er niet mee in overeenstemming was, wordt van hen gesproken als zijnde geheel en al onbekend met God, zij leefden alsof zij volstrekt niets van God wisten. Ouders kunnen hun kinderen geen genade geven, ook is genade niet in het bloed, het is geen erfgoed. Velen die zelf oprecht Godvrezend zijn, beleven het om hen, die uit hen zijn voortgekomen, berucht goddeloos en onheilig te zien, want de loop is niet van de snellen. Eli was hogepriester en richter in Israël, zijn zonen waren priesters van geboorte, hun heilig ambt en hun eervolle geboorte verplichtten hen om de wille van hun goede naam, om zich achtbaar te gedragen. Zij woonden bij de bron, zowel van de magistratuur als van de bediening van de Godsdienst, en toch waren zij kinderen Belials, en hun eervolle positie, hun macht en hun kennis maakten hen zoveel te slechter. Zij zijn niet andere goden gaan dienen, zoals zij, die op enige afstand van het altaar woonden, want aan het huis Gods ontleenden zij hun inkomsten en hun waardigheid, maar, wat erger was, zij handelden in de dienst van God alsof zij in dienst waren van een van de drekgoden van de heidenen. Het is moeilijk te zeggen wat God meer onteert, afgoderij of onheiligheid, inzonderheid de onheiligheid van priesters.
Beschouwen wij de goddeloosheid van Eli's zonen, het is een treurig gezicht!
A. Zij ontheiligden de offeranden des Heeren, en maakten er een gewin van voor henzelf, of liever een bevrediging van hun eigen weelderigheid. God had een genoegzame voorziening voor hen gemaakt uit de offers, de vuuroffers des HEEREN vormden een aanzienlijk deel van hun inkomsten, maar dat behaagde hen niet, zij dienden niet Israël, maar hun buik, Romeinen 16:18, o zij waren dezulken als die door de profeet genoemd worden: honden, sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, Jesaja 56:11.
a. Zij bestalen de offeraars, en namen voor zich van hun deel van de dankoffers. De priesters hadden voor zich de beweegborst en de hefschouder, Leviticus 7:34, maar dit stelde hen niet tevreden, als het vlees aan het koken was, om de offeraar en zijn vrienden tot Godsdienstig feestmaal te dienen, dan zonden zij hun dienaar met een drietandigen krauwel, om hem in de pot te slaan, en wat die krauwel ophaalde uit de pot moest de priester hebben, vers 13, 14, en uit grote eerbied liet het volk dit toe, en zo werd het tot een gewoonte, zodat na een wijle het recht van prescriptie of van ingevoerd gebruik ingeroepen werd om dit blijkbare onrecht te dekken.
b. Zij traden voor God zelf, en maakten ook inbreuk op Zijn recht, alsof het hun te weinig was dat zij de mensen moede maakten, moesten zij ook God moede maken, Jesaja 7:13. Zij het opgemerkt tot eer van Israël dat, hoewel het volk gedwee toegaf aan hun onwettige eisen, zij toch zeer bezorgd waren om God niet te laten beroven zij zullen dat vet heden ganselijk aansteken, vers 16. Laat het altaar het zijne hebben, want dat is het voornaamste, tenzij God het vet hebbe, kunnen zij met weinig genoegen het vlees eten. Het was schande, dat de priesters aldus door het volk tot hun plicht vermaand moesten worden, maar zij sloegen geen acht op de vermaning, de priester wil het eerst bediend zijn en nemen wat hem goeddunkt, ook van het vet, want gekookt vlees is hij moede, hij moet gebraden vlees hebben, en hierom moeten zij het hem rauw geven, en zo de offeraar zich hiertegen verzet, hoewel niet in zijn eigen voordeel, (neem voor u gelijk als het uw ziel lusten zal) maar ten voordele van het altaar, (zij zullen dat vet heden ganselijk aansteken) dan was zelfs de dienaar des priesters zo gebiedend, dat hij het of dadelijk moest hebben, of het met geweld zou nemen, geen grotere belediging kon Gode aangedaan worden, en geen groter onrecht aan het volk. Het gevolg hiervan was:
Ten eerste. Dat God misnoegd was: Alzo was de zonde van deze jongelingen zeer groot voor het aangezicht des Heeren vers 17. Niets is meer Godtergend dan de ontheiliging van de heilige dingen en het dienen van van de mensen lusten met de offeranden des Heeren Ten tweede. Dat de Godsdienst er door leed: de lieden verachtten het spijsoffer des Heeren. Alle Godvruchtige mensen verafschuwden hun doen met de offeranden, en maar al te velen kwamen er ongemerkt toe om hunnentwil de offeranden zelf te verachten. Het was de zonde des volks, kwaad te denken van Gods inzettingen, maar het was de veel grotere zonde van de priesters, dat zij er hun de aanleiding toe gaven. Niets brengt groter smaad over de Godsdienst, dan gierigheid, zinnelijkheid en heerszucht van de leraren. Temidden van dit treurig verhaal wordt nog eens melding gemaakt van Samuëls Godsvrucht, doch Samuël diende voor het aangezicht des HEEREN, als een voorbeeld van de kracht van Gods genade in hem rein en Godvruchtig te bewaren, te midden van dit goddeloos gespuis, en dat droeg ertoe bij om de tanende eer van het heiligdom bij het volk op te houden, want, als zij alles wat zij konden tegen Eli's zonen gezegd hadden, konden zij toch niet anders dan de ernst bewonderen van Samuël, en om zijnentwil een goede mening hebben van de Godsdienst.
B. Zij verleidden de vrouwen, die ter Godsverering aan de deur van de tabernakel kwamen, vers 22, zij hadden zelf vrouwen, maar zij waren als welgevoederde hengsten, Jeremia 5:8. Naar de hoerenhuizen te gaan de gewone hoeren, zou afschuwelijke goddeloosheid geweest zijn, maar de invloed te gebruiken, die zij als priesters hadden op vrouwen, die van een vrome gemoedsaard waren en geneigd waren tot de Godsdienst, en deze er toe te brengen om deze goddeloosheid te bedrijven, was zo'n verfoeielijke goddeloosheid, dat men het nauwelijks mogelijk acht, dat mannen, die zich priesters noemden, er zich schuldig aan konden maken. Ontzet u hierover, gij hemelen, en beef, gij aarde! Geen woorden kunnen de eerloosheid uitdrukken van zulke handelingen.
2. De bestraffing, die Eli zijn zonen gaf wegens hun goddeloosheid. Eli was zeer oud, vers 22, en kon niet zelf toezicht houden over de dienst in de tabernakel, zoals hij vroeger gedaan had, maar liet het alles over aan zijn zonen, die vanwege de zwakheden zijns ouderdoms geen acht op hem sloegen, en deden wat zij wilden. Er werd hem echter mededeling gedaan van de goddeloosheid van zijn zonen, en wèl kunnen wij ons voorstellen welk een hartzeer dit voor hem was, en hoe dit de last zijns ouderdoms nog verzwaarde. Maar het schijnt dat hij hen niet eens bestrafte, voordat hij hoorde van hun verleiden van de vrouwen, en toen achtte hij het gepast om hun een verwijt te toen. Indien hij hen bestraft had om hun gulzigheid en weelderigheid, dan zou dit misschien voorkomen zijn. Aan jonge lieden moeten hun fouten en gebreken onder de ogen gebracht worden, zodra men bemerkt dat zij buitensporig beginnen te worden, opdat hun hart niet verhard wordt. Betreffende de bestraffing, die hij hun aar, valt op te merken:
A. Dat zij zeer rechtvaardig en billijk was. Wat hij zei was zeer gepast.
a. Hij zegt hun dat het feit te duidelijk was om ontkend te kunnen worden, en te openbaar om verborgen te kunnen blijven: "Ik hoor deze uw boze stukken van dit ganse volk, vers 23. Het is niet maar het vermoeden van een of twee, maar het openlijk getuigenis van velen, al uw naburen roepen schande over u, en komen met hun klachten tot mij, daar zij herstel van grieven van mij verwachten."
b. Hij toont hun de slechte gevolgen er van, dat zij niet slechts zondigden, maar Israël deden zondigen, en dat zij zich voor de zonde des volks te verantwoorden zullen hebben, zowel als voor hun eigen zonde. "Gij, die de mensen bekeren moest van hun ongerechtigheid, Maleachi 2:6, gij maakt dat het volk des Heeren overtreedt, gij verderft de natie, instede van haar te hervormen, gij brengt de lieden in verzoeking om andere goden te gaan dienen, als zij zien dat de God Israëls zo slecht gediend wordt."
c. Hij waarschuwt hen voor het gevaar, waarin zij zichzelf er door brengen, vers 25, hij duidt aan wat God hem later zei, namelijk dat de ongerechtigheid door geen slachtoffer of spijsoffer verzoend zal worden, Hoofdstuk 3:14. Wanneer een mens tegen een mens zondigt, dan zal de rechter, dat is: de priester, die in vele gevallen als rechter was aangewezen, Deuteronomium 17:9, hem oordelen, zijn zaak op zich nemen, uitspraak doen, en verzoening doen voor de schuldige, maar wanneer een mens tegen de Heere zondigt, dat is: wanneer een priester de heilige dingen ontwijdt, wanneer een man, die met God handelt voor anderen, zelf Hem beledigt, wie zal voor hem bidden? Eli was zelf een rechter, en heeft dikwijls voorbede gedaan voor overtreders, maar, zegt hij: "Gij, die zondigt tegen de Heere," dat is: "tegen de wet en de eer van God in de dingen, die Hem onmiddellijk aangaan, en waarvoor verzoening gedaan moet worden, hoe kan ik voor u bidden? Hun toestand was in waarheid allertreurigst, als hun eigen vader geen goed woord voor hen kon spreken, het niet kon wagen om als hun voorspraak op te treden. Zonden tegen het geneesmiddel, de verzoening zelf, zijn hoogst gevaarlijk, het bloed des verbonds vertredende, blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden. Hebreeën 10:26.
B. Maar zij was te zacht. Hij had hen scherp behoren te bestraffen, hun misdaden verdienden dit, hun gemoedsgesteldheid had het nodig, zijn zachtheid heeft hun hart slechts te meer verhard. De afkeuring was te licht, toen hij zei: dit is geen goed gerucht, dat ik hoor, had hij moeten zeggen: "Het is een schandelijke ergerlijke zaak, en die niet geduld mag worden!" Of het nu was omdat hij hen liefhad, of omdat hij hen vreesde, dat hij zo zachtkens met hen handelde, zeker was het een bewijs van zijn gebrek aan ijver voor de eer van God en van Zijn heiligdom. Hij dagvaardde hen voor Gods gericht, maar als hogepriester en rechter had hij zelf kennis behoren te nemen van hun misdaden, hen moeten straffen en in bedwang houden. Wat hij zei was goed, maar het was niet genoeg. Het is soms nodig scherp te zijn in onze bestraffingen. Er zijn van de zodanigen, die door vrees moeten behouden worden, Judas: 23.
3. Hun hardnekkigheid onder deze bestraffing, zijn zachtmoedigheid had volstrekt geen uitwerking op hen, Doch zij hoorden de stem huns vaders niet, hoewel hij ook een richter was, zij sloegen geen acht op zijn gezag of op zijn liefde, hetgeen hun een bewijs was des verderfs, het was: want de HEERE hen wilde doden. Zij hadden lange tijd hun hart verhard, en nu heeft God in de weg van een rechtvaardig oordeel hun hart verhard, hun geweten toegeschroeid, en hun de genade onthouden, die zij weerstaan en verbeurd hebben. Zij, die doof zijn voor de bestraffingen van de wijsheid zijn blijkbaar voor het verderf getekend. De Heere "heeft besloten hen te verderven," 2 Kronieken 25:16. Zie Spreuken 29:1. Terstond hierop wordt wederom Samuëls volgzaamheid vermeld, vers 26, om hun hardnekkigheid te beschamen: de jongeling Samuël nam toe. Gods genade is het Zijne, Hij onthield haar aan de zonen van de hogepriester, en gaf haar aan het kind van een onbekenden Leviet, die op het land woonde.