19. Er is gene zamentrekking gene genezing voor uwe breuk, uwe plage is smartelijk; uw staatsgebouw valt onherroepelijk in een, en niemand heeft medelijden met u; allen, die het gerucht van u horen, zullen van vreugde de handen over u klappen; want over wien is uwe boosheid, uwe tyrannie en wreedheid, met welke gij landen en volken ten onder bracht, niet geduriglijk gegaan!
"Als in een groten, treffenden klaagtoon eindigt het krachtige gezang van onzen Profeet. " Over de vervulling der profetie van Nahum is reeds in Hoofdstuk 1:1, 2 Koningen 15:20 gehandeld. Hierop steunende voegen wij er nog het volgende als tegenwoordig vrij algemeen aangenomen bij: Reeds de opvolger van Dejoces van Medië, Fraötes, begon grote stukken van het Assyrische Rijk los te scheuren; hij waagde zelfs een aanval op de centraalprovincie, welke echter werd afgeslagen. In het zuiden deden de Egyptenaars, wier land de Assyrische koningen sedert den tijd van Sargon gaarne hun provincie noemden, onder Tirhaka hun zelfstandigheid met kracht gelden; en Assurbanibal, Azar Haddon's zoon, vermocht slechts weinig tegen hen. Onder Psammetichus begonnen zij reeds veroverend in Azië te dringen. Wel bevrijdden de in Azië invallende Scythen Assur een tijd lang van het gevaar van de zijde van Medië, terwijl daar Fraörtes opvolger, Cyaxares, genoodzaakt was, zijn eigen land te beschermen. Spoedig stond er voor Assur in zijn eigen land een nog gevaarlijker vijand op in Babel, dat, vooral sedert Nabopolassar machtig geworden, om het wederverkrijgen van de vroegere zelfstandigheid en heerlijkheid worstelde. Terwijl Cyaxeres door voortgezette oorlog en Ninevé en het noorden als ene halve maan met zijne veroveringen omringde, had Nabopolassar reeds aanstalten gemaakt om af te vallen. Hij dacht er over, om Ninevé en het Assyrische rijk te doen vallen, om een eigen rijk te stichten. Daartoe had hij echter de hulp van Medië nodig, dat toen in een oorlog met Lydië was gewikkeld. Ene verduistering der lucht op helderen dag, welke de strijdende partijen hevig verschrikte, maakte het Nabopolassar gemakkelijker, om vrede tussen hen te maken, ten gevolge waarvan hij zich met Cyaxares tot een gemeenschappelijken veldtocht tegen Ninevé verbond, waar het tot de gedenkwaardige driejarige belegering der sterk bevestigde stad en eindelijk tot hare verwoesting en tot den val van het Assyrische rijk kwam. Als tijdpunt voor Ninevé's verwoesting nemen wij het jaar 606 aan. Want, wanneer ten tijde van Jona nog een koning van Assur wordt genoemd (2 Koningen 23:29), zo volgt daaruit, dat Ninevé niet vóór Jona's dood (609) kon verwoest zijn. Wanneer verder Jeremia (Hoofdstuk 25) in het 4e jaar van Jojakim de rijken der wereld, welke nog vernietigd zouden worden optelt, en onder deze Assur niet meer noemt, zo kan zijne verwoesting niet na 605 vallen. Tobias werd in het jaar 710 blind en leefde daarna nog 100 jaren; en toch werd eerst na zijnen dood Ninevé verwoest. Volgens Herodotus heeft zij verder na den Lydischen oorlog van Cyaxares plaats. De legers der verbondenen konden daarom niet vóór de lente van 609 voor Ninevé verschijnen. In het derde jaar der belegering werd de stad ingenomen; daar zij echter door het overstromen der rivier werd gesteund, moet zij in de lente hebben plaats gehad. Toen de inneming volgde was Nabopolassar nog in leven. Hij stierf in Jan. 604. Het kon dus slechts twijfelachtig zijn of 606 of 605 moest worden genomen. Daar echter Nebukadnezar in 605 Necho bij Karchemis verslaat, en hem tot Syrië vervolgt, waar hij verder in Syrië de ziekte en vervolgens den dood zijns vaders verneemt, zo moet de inneming van Ninevé in 606 hebben plaats gehad. " De verwoesting der stad was zo vreselijk, dat zij spoedig daarop geheel verdween, en Xenophon op zijnen beroemden terugtocht der 10. 000 Grieken, wel de ruinen van twee delen ener stad wedervond, maar van de weinige bewoners, die er leefden, den naam niet meer kon te weten komen. De ruïnen dienden later voor het pas gebouwde Mosul tot steengroeven, zodat men niets anders dan heuvels puin opmerkte. Eerst in het jaar 1842 werden de zo belangrijke opgravingen in die overblijfsels der eens zo machtige stad begonnen.
Zij, die hun naburen mishandelen, zullen den enen of anderen tijd ook mishandeld worden. Zij bereiden zich maar vijanden tegen dat de dag van hunnen val komt, en zij die de handen niet aan hen durven leggen, zullen over hen in de handen klappen en hen hun vorige goddeloosheid verwijten, voor welke zij nu wel genoeg gediend en met hun eigene munt betaald worden. De beroerden zullen beroerd worden, het zal de last van velen worden, gelijk het hier de last van Ninevé is.
Met algehele vernieling wordt hier Ninevé, de eerste wereldmacht, gedreigd. Gene genezing zou mogelijk zijn, geen redding mogelijk. En dat, omdat Ninevé, omdat Assur Gods volk had aangerand en zich tegen God had opgemaakt.
Ninevé is hier dan ook het beeld van alle wereldmachten, die zich tegen het volk Gods, in geestelijken zin, stellen. Algehele vernietiging zal eenmaal het deel zijn, in den zin, niet dat het rijk der duisternis zal worden opgeheven, zodat alleen het rijk des lichts overblijft, maar in den zin, dat het rijk der duisternis zal onschadelijk worden gemaakt. Satan en de hel zullen er tot in aller eeuwen eeuwigheid zijn, maar als eenmaal de dag der dagen is, zal voor eeuwig Satan onschadelijk gemaakt zijn voor alle verlosten en gekochten Gods.
SLOTWOORD OP HET BOEK NAHUM.
De Profeet Nahum had de bijzondere roeping van God ontvangen, om te wijzen op de vernietiging van de wereldmachten, die zich vijandig stelden tegen het volk Gods. Zijn Boek onderscheidt zich hierin van de andere Profeten, behalve Habakuk, dat het niet zozeer wijst op de zonden en ongerechtigheden van het volk Israëls, als wel op wat de Heere God zal doen tegen Zijne vijanden.
Het bevat daarom geen bedreigingen tegen Juda, noch afmaningen van de zonde tot het volk rechtstreeks.
De Profeet wijst er op, dat eenmaal de tijd zal komen, dat Ninevé, dat is, de wereldmacht van die dagen, ten onder zal gaan, zodat niet de vijand, maar Gods volk ten slotte zal in stand blijven.
Nahum is derhalve, of liever, zijn roeping is het een getuige van de Goddelijke gerechtigheid te zijn, en als getuige van de Goddelijke gerechtigheid een troostwoord te brengen tot het verdrukte volk.