Leviticus 19:1-10
Aan Mozes wordt geboden de hoofdsom van de wetten over te leveren aan de gehele vergadering van de kinderen Israëls, vers 2, niet slechts aan Aäron en zijn zonen, maar aan al het volk want zij hadden er allen belang bij hun plicht te kennen. Zelfs in de meer duistere eeuwen van de wet kon die Godsdienst niet uit God zijn die op onwetendheid roemde als zijn moeder. Mozes moet Gods inzettingen bekendmaken aan de gehele vergadering, ze door geheel het leger afkondigen. Deze wetten heeft hij waarschijnlijk zelf overgeleverd aan zovelen van het volk, als hem tegelijk konden horen, en aldus trapsgewijze aan geheel het volk. Velen van de geboden, hier gegeven, hadden zij reeds tevoren ontvangen, maar het was nodig ze te herhalen, opdat zij in het geheugen zouden blijven, gebod moet op gebod zijn, en regel op regel.
In deze verzen:
I. Wordt geëist dat Israël een heilig volk zou zijn, omdat de God van Israël een heilig God is vers 2. Dat zij van alle andere volken door bijzondere wetten en zeden onderscheiden werden, was om hen te leren in wezenlijkheid afgescheiden te zijn van de wereld en het vlees en zich geheel en volstrekt aan God te wijden. En nu is dit de wet van Christus (Moge de Heere iedere gedachte in ons hart tot gehoorzaamheid er toe leiden!): "Zijt heilig,. want Ik ben heilig," I Petrus 1:15, 16. Wij zijn de volgelingen van de heilige Jezus, en daarom moeten wij, naar ons vermogen, toegewijd zijn aan Gods eer en Zijn natuur en wil gelijkvormig worden. Israël was door de typen en afschaduwingen geheiligd, Hoofdstuk 20:8, maar wij zijn geheiligd door de waarheid, het wezen van al deze schaduwen, Johannes 17:17, Titus 2:14.
II. Dat kinderen hun ouders zullen gehoorzamen, vers 3. Een ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen.
1. De vrees, die hier geboden wordt, is gelijk aan de eer, die in het vijfde gebod wordt geboden. Zie Maleachi 1:6. Dit sluit in innerlijke achting en eerbied, uitwendige uitdrukkingen van achting of ontzag, gehoorzaamheid aan de wettige bevelen van ouders, zorg voor hen, en een streven om hun aangenaam te zijn en hun het leven gemakkelijk te maken, alles te vermijden wat hen kan beledigen of grieven of hun misnoegen zou kunnen opwekken. De Joodse wetgeleerden vragen: "Wat is deze vreze, verschuldigd aan een vader?" En zij antwoorden:, Het is hem niet in de weg te staan, of op zijn plaats te zitten, wat hij zegt niet tegen te spreken, of te bedillen, hem, levend of dood, niet bij zijn naam te noemen, maar: Mijn vader, of mijn heer, het is te voorzien in zijn behoefte, als hij arm is, en dergelijke dingen meer.
2. Als kinderen volwassen zijn geworden moeten zij niet denken van deze plicht ontheven te zijn, iedere man, al is hij ook een wijs man en een groot man, moet toch zijn ouders eren, omdat zij zijn ouders zijn.
3. De moeder wordt het eerst genoemd, hetgeen gewoonlijk niet geschiedt, om te tonen dat de plicht jegens hen beide gelijk is. Als de moeder de vader overleeft, moet zij toch geëerbiedigd en gehoorzaamd worden.
4. Er wordt bijgevoegd: en Mijn sabbaten houden. Als God door Zijn wet voorziet in het bewaren van de eer van ouders, dan moeten ouders hun gezag over hun kinderen gebruiken om Gods eer te bewaren, inzonderheid de eer van Zijn sabbaten, waarvan de hoede grotendeels door het vierde gebod aan de ouders is toevertrouwd: Gij, noch uw zoon, noch uw dochter. Het is dikwijls gezien, dat het verderf van jonge lieden begonnen is in hun minachten van hun ouders en de ontheiliging van de sabbatdag. Zeer gepast zijn dus bij het begin van deze korte inhoud van de inzettingen deze twee geboden samengevoegd: Een ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen en Mijn sabbaten houden. Voor kinderen, die hun ouders eren en de sabbatdag heilig houden, kan men goede hoop koesteren, dat het hun wèl zal gaan.
5. De reden aan beide deze geboden toegevoegd is: Ik ben de Heere, uw God, de Heere van de sabbat, en de God van de ouders.
III. Dat God alleen aangebeden moet worden en dat wel niet door beelden, vers 4. Gij zult u tot de afgoden niet keren, tot elilim, tot ijdelheden, dingen van generlei kracht of waarde goden die geen goden zijn. Keert u niet van de ware God tot valse goden, van de sterke God tot onmachtige goden, van de God, die u heilig en gelukkig zal maken, tot hen die u zullen misleiden, u zullen verderven, en u voor altijd ongelukkig zullen maken. Wendt uw oog niet tot hen, en nog veel minder uw hart. Gij zult u geen gegoten goden maken, de schepselen van uw eigen verbeelding, bedenkt niet om in gegoten goden de Schepper te aanbidden. Gij zijt het werk van Gods handen, weest niet zo dwaas van goden te aanbidden, die het werk zijn van uw handen. Gegoten goden worden genoemd vanwege het gegoten kalf.
IV. Dat hun dankoffers altijd naar de wet geofferd moeten worden, vers 5-8. Waarschijnlijk was er een bijzondere reden voor de herhaling van deze wet meer dan voor anderen, die betrekking hebben op de offers. Het eten van het dankoffer was het deel van het volk en het geschiedde onder het oog van de priesters, en misschien hebben sommigen het koude vlees van hun dankoffers overgelaten, zoals zij het manna overgelaten hadden, Exodus 16:20, langer dan bepaald was, hetgeen aanleiding gaf tot deze waarschuwing, zie de wet zelf in Hoofdstuk 7:16-18. God wil Zijn werk gedaan hebben op Zijn tijd. Al was het offer ook overeenkomstig de wet geofferd, was het toch niet aangenaam, dat is: Gode niet welbehaaglijk als het niet overeenkomstig de wet werd gegeten. Wat helpt het als leraren hun plicht doen, zo het volk, de gemeente, haar plicht niet doet? Er is werk te doen na onze geestelijke offeranden, en tot behoorlijk gebruik maken er van, wordt dit veronachtzaamd, dan is alles tevergeefs.
V. Dat zij de nalezing van hun korenakkers en wijngaarden moeten overlaten voor de armen vers 9, 10. Werken van de Godsvrucht moeten altijd gepaard gaan met werken van barmhartigheid naar wij het vermogen er toe hebben. Als zij hun koren oogstten, moesten zij er iets van laten staan in de hoek van hun veld, de Joodse wetgeleerden zeggen: "Het behoort het zestigste deel van het veld te wezen." en zij moeten er de nalezing van laten liggen evenals de kleine druiventrossen van hun wijngaard, die bij het eerste oogsten voorbijgezien waren. Deze wet, hoewel voor ons niet bindend naar de letter, leert ons toch:
1. Dat wij niet hebzuchtig of inhalig moeten zijn, niet gretig de hand moeten leggen op alles waar wij aanspraak op hebben, niet in kleinigheden op het uiterste puntje van ons recht moeten staan.
2. Dat het ons genoegen moet doen de armen geholpen en verkwikt te zien met de vrucht van onze arbeid. Wij moeten niet alles verloren achten wat ons voorbijgaat, of verspild wet aan de armen ten goede komt. 3. Dat tijden van vreugde, zoals de oogsttijd is, gepaste tijden zijn voor het beoefenen van liefdadigheid, opdat, als wij ons verblijden, de armen zich met ons verblijden, en als ons hart God zegent, hun lenden ons zegenen.