14. Zeggende: Neen, maar wij zullen gaan in Egypteland, alwaar wij genen krijg zullen zien, noch voortaan het geluid der bazuin horen, noch naar brood hongeren, en daar zullen wij blijven, een bestendig en vast verblijf genieten en niet genoodzaakt worden van de ene plaats naar de andere te trekken volgens het welbehagen van onze heren en meesters, de Chaldeën.
Deze waren de woorden, die bij de grote menigte gesproken werden, en met welke zij hun ongehoorzaamheid aan Gods wil trachten te verontschuldigen. Egypte is hun de plaats van begeerte naar bevrediging van vleselijke lusten, waarheen hun hart van den Heere en de ongehoorzaamheid aan Zijne leiding en gemeenschap heentrekt, even als hunnen vaderen onder Mozes. Daarom blijft ook Egypte het beeld van het land, waarin zich het natuurlijk mensenhart met zijne lusten en begeerten te huis gevoelt, en waarin het afgevallen volk van God tot den wortel wordt uitgeroeid.
De Joden waren van gevoelen, dat hun leven in het land van Juda, op zijn best genomen, slechts een onrustig leven zou zijn. Daar verwachtten zij gedurig ontrust te worden door het krijgsgeschrei, en ofschoon zij niet konden vrezen voor gebrek aan brood in een land, dat van melk en honing vloeide, overwogen zij echter, dat Egypte mede een zeer vruchtbaar land was van wege de overstroming des Nijls. Die beschouwing deed hen de zucht verliezen, die de mensen gewoonlijk voor hun vaderland hebben. Hieruit blijkt, dat hun voorname zonde geweest is ongeloof. Zij durfden zich niet verlaten op de belofte van God, dat zij in Judea gerust en vreedzaam zouden wonen, maar verbeeldden zich het geluid van trommen en trompetten te horen, en vreesden waar gene reden tot vrezen was. De Profeet voorzag, dat zij besloten hadden naar Egypte te trekken, om daar, zo als zij meenden, een geruster en gemakkelijker leven te leiden. Daarom zei hij tot hen, dat als zij, na God door hem gevraagd en aan Hem gehoorzaamheid beloofd te hebben, nu, na het vernemen van den Goddelijken wil, in hun strijdig voornemen bleven volharden, hij nog een ander woord van God tot hen had.