Richteren 10:10-18
I. Hier is een nederige belijdenis van schuld, die de Israëlieten in hun benauwdheid doen aan God, vers 10. Zij klaagden niet alleen over de benauwdheid, maar erkenden dat het hun zonde was, die deze benauwdheid over hen had gebracht, weshalve God rechtvaardig was, en zij geen reden hadden van ontevreden te zijn of te morren. Zij belijden hun nalaten, want daarmee begon hun zonde: "Wij hebben God verlaten", en hun doen: Wij hebben de Baäls gediend, en hierin hebben wij dwaas gedaan, verraderlijk en zeer goddeloos gehandeld".
II. De verootmoedigende boodschap, die God hierop zendt aan Israël, of het door een engel was, zoals Hoofdstuk 2:1, of dooreen profeet, zoals Hoofdstuk 6:8, is niet zeker. Het was vriendelijk en barmhartig, dat God acht gaf op hun geroep, er Zijn oor niet voor heeft gesloten, of hun in het geheel geen antwoord had gezonden. Het was ook vriendelijk dat Hij, toen zij begonnen berouw te krijgen, hun een boodschap zond, wel geschikt om hen tot hartgrondig berouw en oprechte bekering te brengen, ten einde toebereid te worden voor hun verlossing. In deze boodschap nu:
1. Verwijt Hij hun grote ondankbaarheid, herinnert Hij hen aan de grote dingen, die Hij voor hen gedaan had, hen verlossende van die en die vijanden, eerst van de Egyptenaren, uit wier land zij bevrijd werden, van de Amorieten, wier land zij veroverden en in bezit namen, en sedert hun vestiging aldaar, van de Ammonieten, die verenigd met de Moabieten, hen onderdrukten, van de Filistijnen, die hen gekweld hebben in de dagen van Samgar, en naderhand van andere vijanden, die hen hadden verontrust, op hun gebed heeft God menigmaal verlossing voor hen gewerkt, vers 11, 12. Van hun verdrukt worden door de Sidoniërs en Maonieten lezen wij nergens elders. God had hen in gerechtigheid gekastijd, en in genade verlost, en daarom heeft Hij kunnen verwachten dat zij, uit vreze of uit liefde, Hem en Zijn dienst zouden aankleven, daarom kon hun dit woord wel in het hart treffen: Gij hebt Mij verlaten, Mij die u uit uw gevaren en benauwdheden heb gered en verlost, en gij hebt andere goden gediend, en dat heeft ellende en benauwdheid over u gebracht, aldus hebben zij hun weldadigheid verlaten, om de valse ijdelheden te onderhouden.
2. Hij toont hun hoe rechtvaardiglijk Hij hen thans aan het verderf zou kunnen overlaten, door hen over te laten aan de goden, die zij hadden gediend. Om hen op te wekken tot een hartgrondig berouw en een wezenlijke reformatie, wijst Hij hen op hun dwaasheid om de Baäls te dienen. Zij hebben zich grote onkosten getroost om de gunst te verwerven van goden, die hen niet konden helpen, als zij hun hulp het meest behoefden. Gaat heen en roept tot de goden, die gij verkoren hebt, vers 14, ziet eens wat zij thans voor u kunnen doen, gij hebt hen gediend als goden, ziet nu of zij Goddelijke kracht en macht hebben, of Goddelijke goedheid, om voor u te worden aangewend. Gij hebt hun hulde bewezen als uw koningen en heren, ziet nu, of zij u zullen beschermen. Gij hebt uw lofoffers gebracht op hun altaren, als uw weldoeners, maar die waarlijk een vriend is, zal een vriend wezen in de nood, welke nuttigheid, welk goed zal hun gunst u nu aanbrengen? Bij een ware bekering is het nodig, dat er een volkomen overtuiging zij van het volstrekt ongenoegzame van die dingen om ons te helpen of weldadigheid te bewijzen, die wij vergood hebben, op de troon van ons hart hebben gezet in mededinging met God. Wij moeten ervan overtuigd zijn, dat de genoegens van de zinnen, waarop wij zo verzot waren, ons niet kunnen voldoen, evenmin als de schatten van de wereld, die wij begeerd hebben, ons deel kunnen zijn, dat wij in niets of niemand gelukkig kunnen zijn dan in God. Op hun ellende en hun gevaar door God te verlaten. "Ziet in welk een verlegenheid gij uzelf gebracht hebt, nu hebt gij niets anders te wachten, dan dat Ik tot u zal zeggen: "Ik zal u niet meer verlossen, en wat zal er dan van u worden?" vers 13. Dit zegt Hij hun niet alleen als hetgeen Hij zou kunnen doen, maar als hetgeen Hij ook doen zou, indien zij het lieten blijven bij een belijdenis van hetgeen zij verkeerd gedaan hebben, en hun afgoden niet wegdeden, en in het vervolg beter zouden doen.
III. Een nederige onderwerping hierop van Israël aan Gods gerechtigheid, met een ootmoedige bede om genade, vers 15. De kinderen Israëls vergaderden zich, waarschijnlijk in een plechtige bijeenkomst aan de deur van de tabernakel, kwamen onder de indruk van de boodschap, die God hun gezonden had, werden er niet door tot wanhoop gedreven, hoewel zij zeer dreigend was, maar besloten zich aan Gods voeten te werpen, en, zo zij moeten omkomen, daar om te komen. Zij herhalen niet slechts hun belijdenis: Wij hebben gezondigd, maar:
1. Zij onderwerpen zich aan Godsgerechtigheid: Doe Gij ons naar alles wat goed is in Uwe ogen. Hiermede erkennen zij de strengste tekenen van Gods misnoegen verdiend te hebben dat zij er zeker van waren, dat Hij hun geen onrecht kon doen, wat Hij hen ook mocht opleggen, zij vernederden zich onder Zijn machtige en zware hand, en hadden aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen, hetgeen Mozes tot voorwaarde had gesteld van Gods wederkeren tot hen in genade Leviticus 26:41. Ware boetvaardiger durven en willen zich op God verlaten om hen te kastijden naar het Hem goeddunkt, wetende dat hun zonde zeer snood is en het ergste verdiend heeft, maar dat bij Hem goedertierenheid is.
2. Zij smeken om Gods genade, en bidden: "alleenlijk verlos ons toch te deze dage van deze vijand." Zij erkennen wat zij verdiend hebben, maar bidden God niet met hen te doen naar wat zij verdiend hebben. Wij moeten ons onderwerpen aan Gods gerechtigheid met hoop op Zijn genade.
IV. Hierop is een gezegende hervorming tot stand gekomen. Zij brachten vruchten voort van de bekering waardig, vers 16. Zij deden de goden van de vreemden uit hun midden weg (dat is de betekenis van het oorspronkelijke) vreemde goden, aangebeden door de volken, die vreemdelingen waren voor het burgerschap Israëls en het verbond van de belofte, en zij dienden de Heere. De nood heeft hen tot Hem uitgedreven. Zij wisten dat het nutteloos was, om zich tot de goden te wenden, die zij hadden gediend, en daarom keerden zij terug tot de God, die zij hadden veronachtzaamd. Dat is waar berouw over de zonde, omdat het leidt tot bekering van de zonde.
V. Gods wederkeren tot hen in genade, hetgeen hier op zeer tedere wijze is uitgedrukt vers 17. Zijn ziel werd verdrietig over de arbeid van Israël. Niet, dat er verdriet is in God, Hij smaakt oneindige blijdschap en zaligheid in zichzelf, die noch door de zonde, noch door de ellende van Zijn schepselen verstoord kunnen worden, niet, dat er enigerlei verandering is in God, er is in God geen verandering of schaduw van omkering. Maar Zijn goedertierenheid is Zijn heerlijkheid, daarmee roept Hij Zijn naam uit, en verheerlijkt hem boven alle naam, en gelijk het Hem behaagt om zich in de betrekking te stellen van een Vader voor Zijn volk, die in verbond met Hem zijn, zo behaagt het Hem om Zijn goedertierenheid jegens hen voor te stellen door het mededogen van een vader voor zijn kinderen, want gelijk Hij de Vader van de lichten is, zo is Hij ook de Vader van de barmhartigheden. Gelijk de ongehoorzaamheid en ellende van een kind een verdriet zijn voor een teder vader, zo zijn ook de zonde en misdragingen van Zijn volk een verdriet voor Hem, Psalm 95:10. "Hij is verbroken door hun hoerachtig hart," Ezechiël 6:9 hun verdriet is ook een verdriet voor Hem. Aldus behaagt het Hem te spreken, als het Hem behaagt te verschijnen ter verlossing van Zijn volk, verandering brengende in Zijn wijze van handelen jegens hen, zoals teder liefhebbende ouders, als zij zachter gestemd worden voor hun kinderen, op wie zij misnoegd zijn geweest. Dat zijn de barmhartigheden van onze God, en zo ver is het van Hem lust te hebben aan de dood van de zondaren.
Vl. De dingen werken nu samen voor hun verlossing van de verdrukking van de Ammonieten, vers 17, 18. God had gezegd: "Ik zal u niet meer verlossen," maar nu zijn zij niet wat zij geweest zijn, het zijn andere mensen, het zijn nieuwe mensen, en nu zal Hij hen verlossen. Die bedreiging was hun gedaan om hen van zonde te overtuigen en te verootmoedigen, en nu zij de gewenste uitwerking heeft gehad, wordt zij herroepen ten einde hen te verlossen.
1. De Ammonieten zijn verhard tot hun eigen verderf, zij vergaderden zich, om allen tezamen met een slag te worden vernietigd, Openbaring 16:16.
2. De Israëlieten worden bezield en aangemoedigd tot hun verlossing. Ook zij vergaderden zich, vers 17. Gedurende de achttien jaren van hun verdrukking werden zij evenals tevoren, als zij vreemde volken moesten dienen, tenonder gebracht en tenonder gehouden door hun vijanden, omdat zij zich niet tezamen wilden verenigen, iedere stam, ieder geslacht, iedere stad bleef op zichzelf, handelde onafhankelijk van de anderen, en zo werden zij allen een gemakkelijke prooi voor de verdrukkers uit gebrek aan een goed besef van het gemene belang, dat hen samen had moeten verbinden, maar telkens als zij zich verenigden, deden zij wèl, en zo deden zij ook nu. Als Gods Israël als een één man wordt om het algemene welzijn te bevorderen, en de algemene vijand tegen te staan, welke moeilijkheid kan hun dan nog in de weg zijn? Het volk en de oversten van Gilead bijeen vergaderd zijnde, beraadslagen zij over een generaal, die het opperbevel zou voeren over het leger, dat tegen de Ammonieten ten strijde zou uittrekken. Totnutoe hebben de meesten van de verlossers van Israël een buitengewone roeping gehad voor het ambt, zoals Ehud Barak, Gideon, maar de volgende zal nu op meer gewone wijze aangesteld worden door een vergadering van de staten van het land, die onderzoek deden naar een geschikte man om hun leger aan te voeren, en zij vonden iemand, die bij uitnemendheid geschikt was voor die taak, en God keurde hun keuze goed, door Zijn Geest over hem te doen komen, Hoofdstuk 11:29. Zodat dit voorbeeld nuttig is tot leiding en bemoediging in latere eeuwen, wanneer die buitengewone roepingen niet meer verwacht kunnen worden. Laat dezulken met onpartijdigheid tot openbare ambten verkozen worden, die God er voor bekwaam gemaakt heeft, en dan zal God genadiglijk hen erkennen, die aldus verkozen werden.