Job 39:1-15
God toont hier aan Job hoe weinig hij bekend is met de ongetemde dieren, die wild in de woestijn rondlopen, maar onder de zorg zijn van Gods voorzienigheid. Zoals
I. De steengeiten en de hinden. Hetgeen waarvan betreffende deze dieren nota wordt genomen is het voortbrengen en het opbrengen van hun jongen. Want gelijk ieder afzonderlijk dier gevoed wordt door de Goddelijke voorzienigheid zo wordt ook iedere soort behouden, en voorzoveel wij weten zijn er geen van uitgestorven.
1. Betreffende de voortbrenging van hun jongen.
a. De mens is volstrekt onwetend omtrent de tijd van hun voortbrenging, vers 4, 5. Zullen wij voorwenden te zeggen wat in de schoot van de voorzienigheid is, of wat een dag zal voortbrengen, wij, die de tijd van de dracht niet weten van de hinde of van de steengeit?
b. Hoewel zij hun jongen met grote moeite en veel smart voortbrengen en er geen hulp bij hebben van de mens, worden toch door de goede voorzienigheid Gods hun jongen veilig ter wereld gebracht, en worden haar smarten uitgeworpen en vergeten, vers 6. Sommigen denken dat hier te kennen wordt gegeven dat God door de donder de hinden helpt om haar jongen te werpen, Psalm 29:9. Laat het opgemerkt worden tot troost van vrouwen in barensnood, dat God zelfs de hinden helpt om haar jongen voort te brengen, en zal Hij dan niet nog veel meer haar te hulp komen en haar behouden, zodat zij zalig zullen worden in kinderen te baren, die Zijn kinderen zijn en in verbond met Hem zijn.
2. Betreffende de groei van haar jongen, vers 7. Hare jongen worden kloek. Hoewel zij voortgebracht zijn in smart, kunnen zij, na een wijle door hun moeder gezoogd te zijn, zichzelf redden in de korenvelden, zodat zij de ouden niet meer tot last zijn, hetgeen een voorbeeld is voor kinderen, om als zij opgegroeid zijn, niet altijd op hun ouders te blijven steunen en hulp van hen te vragen, maar uit te gaan om zelf hun brood te verdienen en hun ouders hun zorgen te vergelden.
II. De woudezel, een schepsel, waarvan wij dikwijls lezen in de Schrift. Sommigen zeggen dat hij ontembaar is. De mens wordt gezegd geboren te zijn als het veulen eens woudezels zo moeilijk is hij te regeren. Gods voorzienigheid heeft voor de woudezel drie dingen beschikt.
1. Een onbeperkte vrijheid, vers 8. Wie anders dan God heeft de woudezel vrij heengezonden? Hij heeft hem de neiging er toe gegeven, en daarom ook het verlof er toe. De tamme ezel is verplicht te werken, de woudezel kent geen banden. Vrijstelling van dienst en vrijheid om naar eigen believen rond te dwalen, zijn slechts voorrechten van de woudezel. Het is te betreuren dat iemand uit de kinderen van de mensen dit voorrecht begeert, of er zich op laat voorstaan. Het is beter te arbeiden en ergens nuttig voor te zijn, dan rond te zwerven en nergens nuttig voor te wezen. Maar indien onder de mensen Gods voorzienigheid sommigen op hun gemak laat leven, terwijl anderen tot slavernij gedoemd zijn, dan moet dit ons niet verbazen, het is ook onder de redeloze dieren zo.
2. Een open verblijfplaats, vers 9, die Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, waar hij ruimte genoeg heeft om de wegen te doorkruisen, en de wind op te snuiven naar zijn welbehagen, zie Jeremia 2:24, alsof hij van de lucht moest leven, want het is het woeste, onvruchtbare land, dat hem ter woonplaats is aangewezen.
Merk op: de tamme ezel, die arbeidt en dienstbaar is aan de mens, kan tot de kribbe zijns meesters gaan, zowel voor voedsel als voor beschutting, en woont in een vruchtbaar land, maar de wilde ezel, die zijn vrijheid wil hebben, moet haar hebben in een onvruchtbaar land. Die niet wil werken, dat hij ook niet ete. Die wel wil werken zal eten van de arbeid van zijn handen, en ook hebben mee te delen degene, die nood heeft. Jakob, de herder, had een goed kooksel te missen, toen Ezau, de jager, schier omkwam van honger. Een nadere beschrijving van de vrijheid en het levensonderhoud van de woudezel hebben wij in vers 9 en 10.
a. Hij heeft geen eigenaar, en wil niet in onderworpenheid leven. Hij belacht het gewoel van de stad. Als zij beproeven hem te vangen, en hem te dien einde met een grote menigte omringen, zal hij zich spoedig van hen ontslaan, het menigerlei getier van de drijvers hoort hij niet. Hij bespot hen, die in het gewoel en gedruis van de steden wonen- aldus bisschop Patrick-hij denkt gelukkiger te zijn in de woestijn.
b. Geen eigenaar hebbende, heeft hij ook geen verzorger, er is niemand, die hem van voedsel voorziet, en zo moet hij dan voor zichzelf zorgen: wat hij uitspeurt op de bergen is zijn weide, en het is een kale weide, daar zoekt hij allerlei groen gewas, en als hij wat vindt eet hij het, terwijl de werkezels groen gewas hebben in overvloed zonder dat zij ernaar behoeven te zoeken. Uit de ontembaarheid van dit dier en van andere dieren kunnen wij afleiden hoe ongeschikt wij zijn om de wet te stellen aan de Voorzienigheid, wij, die niet eens aan het veulen eens woudezels een wet kunnen opleggen.
III. De eenhoorn, "reëem", een sterk dier, Numeri 23:22, een statig, fier schepsel, Psalm 92:11. Hij kan dienen, maar wil niet, en God tart hier Job om hem er toe te dwingen. Job verwachtte dat alles gaan zou precies zoals hij het wilde. "Daar gij voorgeeft," zegt God, "alles onder uw heerschappij te brengen, zo begin dan met de eenhoorn, en beproef eens wat gij op hem vermoogt. Nu uw ossen en ezels allen weg zijn, probeer eens of hij u in hun plaats zal willen dienen, vers 12, en of hij genoegen zal nemen met het voedsel, dat gij hun gegeven hebt. Zal hij vernachten bij uw kribbe? Neen."
1. "Gij kunt hem niet temmen, gij kunt de eenhoorn met zijn touw niet aan de voren binden, gij kunt hem de eg niet laten trekken." Er zijn dieren, die gewillig zijn om de mens te dienen en er behagen in schijnen te vinden, en genegenheid hebben voor hun meesters, maar er zijn er ook, die daar nooit toe gebracht kunnen worden, en dat is de uitwerking van de zonde, de mens wilde niet langer onderworpen zijn aan zijn Maker, en is daarom rechtvaardiglijk gestraft met de rebellie van de mindere schepselen tegen zijn heerschappij. Maar als een bewijs van Gods goedheid jegens de mens zijn er hem toch nog sommige dienstbaar gebleven. Ofschoon de wilde stier (die naar sommigen denken hier bedoeld is met de eenhoorn) de mens niet wil dienen, zich niet wil onderwerpen aan zijn touw aan de voren, zijn er tamme stieren, die het wel willen, en zijn er andere dieren, die niet "ferae naturae-van een wilde aard-"zijn, die de mens in eigendom kan bezitten, voor welke hij zorgt, en op wier diensten hij recht heeft. "Heere, wat is de mens, dat Gij zijner aldus gedenkt?" 2. "Gij durft hem niet vertrouwen, hoewel zijn kracht groot is, zult gij uw arbeid niet op hem laten, zoals op uw ossen of ezels, die een kind kan leiden, hun al het werk en de moeite overlatende. Gij zult het nooit waarschijnlijk achten dat de wilde stier zal komen om uw oogstwerk te doen, en nog veel minder om het geheel ten einde te brengen, uw zaad zal wederbrengen en vergaderen tot uw dorsvloer," vers 15. En omdat hij u niet wil dienen met het koren, wordt hij niet zo goed gevoed als de tamme os, die niet gemuilband mocht worden als hij dorste, maar hij wil de ploeg niet trekken, omdat Hij, die hem gemaakt heeft er hem nooit voor heeft bestemd. De gezindheid tot arbeiden is evenzeer de gave van God als de kracht en bekwaamheid er toe en het is een grote zegen, als God, wanneer Hij-kracht geeft voor de arbeid en dienst, er dan ook lust in het hart voor geeft. Daar behoren wij om te bidden, daartoe behoren wij onszelf door kracht van redenen te bewegen, hetgeen de dieren niet kunnen, want evenals onder de dieren, zo kunnen ook onder de mensen diegenen gerekend worden wild te zijn en overgelaten aan de woestijn, die geen lust hebben om zich moeite te geven of om goed te doen.