Jeremia 8:13-22
In deze verzen hebben wij
I. God bedreigende het verderf aan een zondig volk. Hij heeft hen lang verdragen, maar zij worden nog onbeschaamder, en daarom is het kwaad over hen ten volle besloten. Ik zal ze voorzeker wegrapen, vers 13, verterende zal Ik ze verteren, niet alleen voorzeker, maar geheel en al, ze vervolgen mei het een oordeel na het andere, tot zij geheel verdaan zijn, het is een "verdelging, die vastelijk besloten" is, Jesaja 10:23.
1. Zij worden van hun voorraad beroofd vers 13. Er zullen geen druiven meer zijn aan de wijnstok. Sommigen verstaan dit als doelende op hun zonde, God kwam om naar vruchten te zoeken in Zijn wijngaard, zoeken de vrucht op deze vijgeboom, maar geen vindende (als Jesaja 5:2, Lukas 13:6), ja, er waren zelfs geen bladeren, Mattheus 21:19. Maar het schijnt eer te spreken van Gods oordelen over hen en is dan letterlijk bedoeld. De vijand zal de vruchten van de aarde nemen, de druiven en vijgen afplukken en zelfs het loof afstropen. Of, figuurlijk, zij zullen al hun gemak verliezen en niets overhouden, dat hun hart vrolijk kan maken. Wat Ik hun gegeven heb, zal van hen voorbijgaan. Bedenk, dat Gods gaven voorwaardelijk zijn, en bij niet-vervulling van de voorwaarde teruggenomen worden. Genadegiften, die misbruikt worden, gaan verloren, en het is rechtvaardig van God, zo te doen.
2. Zij worden omringd door tegenspoed en aangegrepen door ellende, vers 17. Ik zend slangen, basilieken onder ulieden, namelijk het Chaldeeuwse leger, vurige slangen, vliegende slangen, die zullen hen met hun vergiftige tanden bijten en dodelijke wonden veroorzaken, er zal geen bezwering tegen die zijn, zoals tegen sommige slangen door muziek mogelijk is. Er zijn slangen van andere aard, tegen welke geen bezwering aangewend wordt: een dove adder, die de oren toestopt en niet luistert naar de stem des belezers. De vijand zal zo bloedgierig zijn, dat het niet baat of men hem al vriendelijk tegenkomt of aanbiedingen doet om vrede te verkrijgen, of hun zachter te stemmen of te vertederen. Geen vrede met God, dus ook geen vrede met hen.
II. Het volk verzinkt tot wanhoop onder de druk van deze bezoekingen. Wie zonder vreze waren (toen de ellende nog ver weg was) en er mee spotten, zijn zonder hope, nu ze hen treft en hebben geen moed er zich tegen te verzetten noch ze te dragen, vers 14. Zij kunnen zich in de open dorpen niet veilig gevoelen: Waarom blijven wij zitten? verzamelt u en laat ons gezamenlijk ingaan in de vaste steden. Al konden zij niet anders verwachten dan ook daar ten laatste afgesneden te worden, toch niet zo spoedig als buiten, en daarom: laat ons ingaan en aldaar stilzwijgen, laat ons maar niets beproeven noch ook klagen, waartoe zou het dienen? Het is geen onderwerpen, maar een dof stilzwijgen, waartoe zij zichzelf veroordelen. Die in hun voorspoed het uitgelatenst zijn, tonen zich in tegenspoed het wanhopigst, en is hun ellende het somberst. Laat ons opmerken wat hen zo diep doet zinken.
Zij gevoelen, dat God toornig op hen is. "De Heere onze God heeft ons doen stilzwijgen, heeft ons met verbazing geslagen, ons met galwater gedrenkt, dat zowel bitter is als verdovend werkt", Psalm 60:5 "Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn". Wij hebben beter gedaan stil te zitten dan op te staan en te vallen, beter niets te zeggen dan doelloos te spreken. Wat helpt het, zo wij met ons lot twisten, als God zelf onze vijand geworden is en tegen ons strijdt? Omdat wij tegen de Heere gezondigd hebben, daarom zijn wij in deze nood gekomen. Dit kan gerekend worden als de uiting a. hunner verontwaardiging. Zij schijnen met God te twisten als had Hij kwalijk met hen gehandeld, door hen te doen stilzwijgen, hun niet te vergunnen voor zichzelf te spreken en hun te zeggen, dat het was, omdat zij tegen Hem gezondigd hadden. Zo verderft van de mensen dwaasheid hun weg, en hun hart murmureert tegen de Heere. Of eer
b. van schuldbesef. Eindelijk erkennen zij Gods hand, tegen hen opgeheven en uitgestrekt, in de rampen, waaronder zij nu zuchten, zij erkennen, dat zij Hem tot toorn verwekt hebben, zodra Hij nu met hen twist. Zie, vroeger of later zal God zelfs de hardnekkigste er toe brengen, dat hij zijn vaderlijke zorg in Zijn gerechtigheid ziet in al de smarten waarin hij geleid wordt, en zegt, dat het Gods rechtvaardige hand is.
2. Zij gevoelen, dat de vijand hen al te hard zal behandelen, vers 16. Zij begrijpen spoedig dat verzet tegen zo'n macht niets zal uitrichten, alle moed ontzinkt hun, en wanneer een volk moedeloos wordt, zal zijn aantal niets betekenen. "Van Dan af wordt het gesnuif van zijn paarden gehoord," dat is de tijding van de overstelpende macht van de ruiterij was weldra door het gehele land verbreid, en "het gehele land beeft van het geluid van de brieschingen van zijn sterken." Zij zijn gekomen, en geen weerstand baat. "Zij komen daarheen, dat zij het land opeten en zijn volheid, de stad en die daarin wonen." Beide land en stad worden door de vijand verwoest, niet alleen de rijkdom, maar ook de bewoners. Wanneer God tegen ons is, dan schijnt alles wat tegen ons is, vreselijk, maar is Hij voor ons, dan schijnt alles ons van luttel betekenis, Romeinen 8:31.
3. Zij zijn evenzeer teleurgesteld in hun verwachting van uitredding uit de ellende, als zij verrast waren, toen de ellende verscheen, en deze dubbele teleurstelling verergert hun smart zeer.
a. De ellende kwam, toen zij ze niet verwachtten, vers 15. Men wacht naar vrede naar behoud van de vrede, maar er is niets goeds, geen goed nieuws van buiten, men wacht naar tijd van genezing, van voorspoed voor het volk, maar zie, er is verschrikking, de verschrikking van de krijg, want, gelijk er volgt, vers 16, "van Dan af wordt het gesnuif van zijn paarden gehoord." Hun valse profeten hadden geroepen: Vrede, vrede, waardoor de plotseling opkomende oorlog nog vreselijker werd. Deze klacht wordt wederom gehoord, Hoofdstuk 14:19.
b. De bevrijding kwam niet, toen zij die lang verwacht hadden, vers 20. De oogst is voorbij gegaan, de zomer is ten einde, dit is, een hele tijd is voorbij. Oogst en zomer vormen een belangrijk deel van het jaar, en wanneer die voorbij zijn, loopt het op zijn eind. De betekenis is dus deze: Het ene jaar na het andere verloopt, de ene veldtocht na de anderen, en het blijft al dezelfde ramp, er komt geen verlichting, niets dat er op gelijkt, wij zijn niet verlost. Ja, de goede gelegenheden zijn heen, de tijd van handelen is geweest, zomer en oogst liggen achter ons, en een treurige winter is aanstaande. De redding van Gods kerk en volk vordert vaak zeer langzaam, God houdt Zijn volk lang wachtende, om wijze en heilige redenen. Zij staan zichzelf in het licht, en grendelen hun eigen deur toe, zij worden niet verlost, omdat zij niet gereed zijn voor de verlossing.
4. Zij worden bedrogen in die dingen, waarin zij hun vertrouwen stelden en waarvan zij bevestiging van hun vrede verwachtten, vers 19. De dochter mijns volks schreit, schreit luide, uit zeer verre landen, om de vreemde vijand, die tegen haar komt, die uit een ver land nadert om van het hare bezit te nemen. Dit is oorzaak van haar geschrei, en wat schreit zij? Dit: is dan de Heere niet te Zion? is haar Koning niet bij haar? Hierop had zij al de tijd zich verstout en gerekend.
a. Dat zij in haar midden de tempel Gods had en de tekenen van Zijn bijzondere tegenwoordigheid. Men verhief zich hierop, dat de Heere te Zion was, wat gevaar had men dan te vrezen? En daaraan bleven zij zich vastklemmen, toen de ellende over het land kwam. Het zal ons zeker welgaan, want hebben wij God niet onder ons? Maar, toen het gevaar dreigender werd, deed die ijdele hoop, waarmee men zich gevleid had, de ramp slechts vergroten.
b. Dat men de troon van het huis Davids bij zich had. Men had en de tempel en een koninkrijk, jure divino-bij goddelijk recht, Is niet haar Koning bij haar? En zal Zions God, Zions koning en Zijn koninkrijk niet beschermen? Zeker zal Hij dat, maar waarom doet Hij het niet? "Wat?" zeggen zij, "heeft Zion geen God en geen koning om haar bij te staan en te helpen, dat ze dus onderligt en ondergang haar bedreigt?" Deze uitroep, die de gedachte vertolkt, als zou Zijn macht en Zijn belofte gebroken of verzwakt zijn, en daarom antwoordt Hij onmiddellijk: Waarom hebben zij Mij vertoornd met hun gesneden beelden? Zij twisten met God als had Hij onvriendelijk met hen gehandeld door hen te verlaten, terwijl zij met hun afgoderij Hem daartoe gedreven hadden, zij hadden hun verbond met Hem gebroken en zich aan Zijn bescherming onttrokken. Zij zullen zeer toornig zijn en vloeken op hun koning en hun God, Jesaja 8:21, wanneer het hun eigen zonde is, "die scheiding maakt tussen hen en hun God," Jesaja 59:2, " zij hebben de Heere niet gevreesd, en wat zou hun dan een koning doen?" Hosea 10:3.
III. Wij horen hier de profeet zelf de ellende en het verderf zijns volks bewenen, want er zijn meer klaagliederen van Jeremia in zijn profetieën dan in het boek, dat Klaagliederen heet.
Merk op
1. Hoe diep het hem smartte. Hij was ooggetuige van de verwoesting zijns lands en zag de dingen, die hij door de geest van de profetie had voorzien. In dat voorzien, maar veel meer bij het gericht zelf roept hij uit: Mijn hart is flauw in mij, ik verzink, ik sterf weg bij de beschouwing dier plage, vers 18. Mijn verkwikking is in droefenis, ik arbeid tevergeefs, ja elke poging om het leed te verzachten verzwaart het slechts. Het is onze wijsheid en onze plicht, in de droevige omstandigheden, te doen wat wij kunnen om verkwikking in droefenis te zoeken, door te overdenken wat de smart mag verlichten en de grief verminderen. Maar soms is de smart van dien aard, dat, hoe meer wij ze trachten weg te nemen, zoveel sterker grijpt ze ons weer aan. Dat kan zelfs het geval zijn met zeer goede mensen, zoals de profeet, wiens ziel weigerde getroost te worden, Psalm 72:3. Hij noemt de oorzaak daarvan vers 21 Ik ben gebroken vanwege de breuk van de dochter mijns volks, om haar zonde en de ellende, die zij daardoor over zich gebracht heeft, daarom ben ik zwart en zie er zwart uit en ga in het zwart als een, die rouwt, en dat ontzetting mij heeft aangegrepen, zodat ik niet weet wat te doen noch waarheen mij te keren. Zie, de ellende van ons vaderland moet ons diep ter harte gaan. Een begenadigde ziel leeft met haar volk mee, is teder, treurt. Het past ons, de ellende van onze medeschepselen te betreuren, nog meer de rampen van ons vaderland mee te dragen, en vooral van de kerk des Heeren, "zich te bekommeren over de verbreking van Jozef," Amos 6:6. Jeremia had de verwoesting van Jeruzalem geprofeteerd, en ofschoon de waarheid van zijn profetie in twijfel was getrokken, hij verheugde zich niet over haar vervulling, de welvaart van zijn vaderland hoger achtende dan zijn eigen goede naam. Als Jeruzalem zich had bekeerd en was gespaard gebleven, hij zou niet gelijk Jona gemurmureerd hebben. Jeremia had talrijke vijanden te Jeruzalem en in Juda, die hem tartten belasterden en vervolgden. De oordelen, die God over hen bracht, rechtvaardigden de profeet, en getuigden voor hem, toch was hij er verre van af, zich daarover te verheugen. Zo oprechtelijk vergaf hij zijn vijanden en begeerde hij, dat God hun mocht vergeven.
2. Hoe klein zijn hope was, vers 22 :"Is er geen balsem in Gilead? geen medicijn om het zieke, stervende koninkrijk te genezen? Is er geen heelmeester aldaar, geen bekwame, trouwe hand om het geneesmiddel toe te dienen?" Hij ziet, dat het geval hachelijk, ja ongeneeslijk is. Er is geen balsem in Gilead, die de ziekte van de zonde kan genezen, geen geneesheer, die de gezondheid van een volk kan herstellen, die door een vreemd heirleger als dat van de Chaldeën wordt overstroomd. De verwoesting wordt onherstelbaar, en de ziekte heeft zo'n hoge graad bereikt, dat er geen helen aan is. Of dit vers legt al de schuld van de ongeneselijkheid op de natie zelf, en dan moet de vraag in bevestigenden zin beantwoord worden: Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester aldaar? Ja, zeker, God is machtig te helpen en te genezen, in Hem is een volheid om alle ellende weg te nemen. Gilead was een plaats in hun eigen land, niet ver weg. Zij hadden in hun midden Gods wet en zijn profeten waardoor zij tot berouw konden gebracht worden, en hun verderf ware opgehouden. Zij hadden vorsten en priesters, wier taal het was, het volk te hervormen en hun smart te helen. Wat kon nog meer gedaan worden dan gedaan was om hen te genezen? Waarom was dan de gezondheid niet weergekeerd? Zeker niet omdat God in gebreke bleef, maar door hun eigen schuld. Het was niet, wijl er geen balsem of geen heelmeester was, maar omdat zij geen behandeling verkozen noch zich aan de voorschriften onderwerpen wilden. Geneesheer en medicijn waren gereed, maar de patiënt was eigenzinnig, en wilde zijn eigen gang gaan. Zie, wanneer zondaars aan hun wonden sterven is hun bloed op hun hoofd. Dat bloed van Christus is de balsem van Gilead, zijn Geest de geneesmeester, beide machtig, almachtig, zodat zij hadden kunnen geheeld worden, maar zij hadden niet gewild.