Handelingen 19:8-12
Paulus is zeer ijverig werkzaam om goed te doen.
I. Hij begint, als naar gewoonte, in de synagoge der Joden, en doet hun de eerste aanbieding van het Evangelie, ten einde de verlorene schapen van het huis Israël's te vergaderen, die nu verstrooid waren op de bergen. Merk op:
1. Waar hij voor hen predikte: in hun synagoge, vers 8, zoals Christus placht te doen. Hij ging zich met hen verenigen voor hun eredienst in de synagoge, ten einde, zo lang er nog hoop was van hen te zullen winnen, hun vooroordelen tegen hem weg te nemen, en hun achting te verwerven. Aldus wilde hij getuigenis afleggen voor den openbaren eredienst op de sabbatdagen. Waar nog gene Christelijke bijeenkomsten georganiseerd waren, heeft hij, zo lang de Joden nog niet geheel verworpen waren, hun vergaderingen bijgewoond. Paulus ging in de synagoge, omdat hij hen daar bij elkaar, en, naar hij hoopte, in ene goede gemoedsstemming had.
2. Wat hij hun predikte: de zaken van het koninkrijk Gods onder de mensen, de grote dingen betreffende Gods heerschappij over alle mensen, en Zijne gunst over hen, der mensen onderworpenheid aan God, en hun zaligheid in God. Hij toonde hun onze verplichtingen jegens God, ons deel in Hem, als onzen Schepper, waardoor het koninkrijk Gods opgericht was-de verbreking dier verplichtingen, en het verbeuren, het verlies van dat deel in Hem door de zonde, waardoor het koninkrijk Gods werd neergeworpen-de vernieuwing dier verplichtingen voor ons, en het herstel van ons deel in Hem, door den Verlosser, waardoor dat koninkrijk Gods weer werd opgericht. Of meer in het bijzonder: de dingen betreffende het koninkrijk van den Messias, dat door de Joden verwacht werd, en waarvan zij zich grote dingen voorstelden. Hij opende hun de Schriften, die hiervan spraken, gaf hun een juist denkbeeld van dat koninkrijk, en toonde hun hun dwalingen en vergissingen hieromtrent.
3. Hoe hij hun predikte.
a. Hij predikte betogenderwijs, hij gaf redenen, redenen ontleend aan de Schrift voor wat hij predikte, en beantwoordde hun tegenwerpingen, ter overtuiging van der mensen oordeel en geweten, opdat zij niet alleen zouden geloven, maar redenen zouden zien om te geloven. Hij predikte dialegomenos, bij wijze van samenspreking, hij deed hun vragen, en ontving hun antwoord, gaf hun verlof om hem vragen te doen, waarop hij hun dan het antwoord gaf.
b. Hij predikte op vriendelijke, liefdevolle wijze, hij bewoog, of overreedde, hij gebruikte niet slechts logische argumenten, om hetgeen hij zei met kracht tot hun verstand te brengen, maar ook redekunstige beweeggronden, om hetgeen hij zei op hun genegenheid te laten werken, hun aantonende, dat de dingen, die hij predikte betreffende het koninkrijk Gods, dingen waren betreffende hen zelven, waarbij zij het grootste belang hadden, 2 Corinthiërs 5:11, wij bewegen de mensen. Paulus was een prediker, die het hart zijner hoorders bewoog, hij was een meester in de kunst van overreden door overtuiging. c. Hij predikte onbevreesd, met ene heilige vastberadenheid, hij sprak vrijmoediglijk, als iemand, die geen den minsten twijfel koesterde aan hetgeen hij zei, noch het minste wantrouwen omtrent Hem van wie hij sprak, of ook maar de minste vrees voor hen, tot wie hij sprak.
4. Hoe lang hij voor hen predikte drie maanden lang, een genoegzame tijd, die hun gegund was, om te overleggen en na te denken. In dien tijd werden diegenen onder hen, die behoorden tot de verkiezing der genade, geroepen en ingebracht, en de overigen zonder verontschuldiging gelaten. Gedurende zo langen tijd heeft Paulus het Evangelie gepredikt in veel strijd, 1 Thessalonicenzen 2:2, toch heeft hij niet gefaald en is hij niet ontmoedigd geworden.
5. Met welken uitslag hij onder hen gepredikt heeft. Sommigen werden bewogen om in Christus te geloven, hetgeen, naar sommigen menen, opgesloten ligt in het woord aanradende, hij overmocht bij hen. Maar sommigen volhardden in hun ongeloof en in hun vooroordelen tegen het Christendom. Toen Paulus hen te voren had bezocht en over enige algemene onderwerpen voor hen gepredikt had, baden zij, dat hij langer bij hen blijven zou, Hoofdstuk 18:20, maar nu hij onder hen gevestigd was, en zijn woord meer van nabij tot hun geweten kwam, waren zij hem spoedig moede. Zij hadden een onverwinlijken afkeer van het Evangelie van Christus, zij werden verhard en waren ongehoorzaam, zij waren vast besloten niet te willen geloven, al sprong de waarheid hun ook in het oog met een helder licht van overtuigend bewijs. Zij waren ongehoorzaam, zij geloofden niet, omdat zij verhard werden. Zij hebben ook al het mogelijke gedaan om in anderen dien afkeer van het Evangelie staande te houden, zij zijn niet alleen zelven niet in het koninkrijk Gods ingegaan, maar lieten degenen, die ingaan zouden, niet ingaan, want zij hebben kwaad gesproken van den weg des Heeren voor de menigte, om hen er tegen te bevooroordelen. Hoewel zij er generlei kwaad van konden aantonen, hebben zij er toch allerlei kwaad van gezegd. Evenals de engelen, die gezondigd hebben, zijn deze zondaren Satans geworden, tegenstanders en duivelen, valse beschuldigers.
II. Toen hij in de synagoge der Joden met de zaak zover was voortgegaan als hij kon, en bevond, dat hun tegenstand hardnekkiger werd, verliet hij de synagoge, omdat hij niet veilig of liever, omdat hij niet op aangename wijze en met goede hoop van welslagen, in gemeenschap met hen kon blijven. Hoewel hun eredienst van zulk een aard was, dat hij er zich wel met hen in kon verenigen, en zij hem niet tot zwijgen hadden gebracht, noch hem het prediken voor hen hadden verboden, hebben zij hem toch door hun kwaadspreken van hetgeen hij zei betreffende het koninkrijk Gods van hen weggedreven. Zij haatten het om hervormd te worden, zij haatten het om onderwezen te worden, en daarom week hij van hen. Hier was dus-dies zijn wij zeker-wel ene scheiding, maar geen schisma, gene scheuring, want er was ene rechtmatige oorzaak voor en ene onmiskenbare roeping er toe. Merk nu op:
1. Wanneer Paulus van de Joden week, hij nam de discipelen mede, scheidde hen af, ten einde hen (volgens den last, dien Petrus aan zijne bekeerlingen gaf, Hoofdstuk 2:40) te behouden van dit verkeerd geslacht, opdat zij door de giftige tongen dier lasteraars niet aangestoken zouden worden. Hen, die geloofden, scheidde hij af, om de kern, de grondslag te wezen van ene Christelijke gemeente, nu hun aantal toereikend was om ingelijfd te worden, opdat anderen met hen de prediking van het Evangelie zouden bijwonen, en, als zij geloofden, tot hen toegevoegd zouden worden. Toen Paulus heenging was er niets meer nodig, om de discipelen af te scheiden, laat hij gaan, waarheen hij wil, zij zullen hem volgen. 2. Nadat Paulus zich had afgescheiden van de synagoge, heeft hij zelf ene bijeenkomst ingericht, hij handelde dagelijks in de school van zekeren Tyrannus. Hij verliet de synagoge der Joden, ten einde met des te meer vrijheid met zijn arbeid voort te kunnen gaan. Hij bleef handelen voor Christus en het Christendom, en was bereid Hem en het tegen alle tegenstanders te verdedigen, en deze scheiding bezorgde hem een dubbel voordeel.
a. Dat hij nu menigvuldiger gelegenheid had tot spreken en getuigen. In de synagoge kon hij slechts op elke sabbat prediken, Hoofdstuk 13:42, maar nu handelde hij dagelijks, elke dag hield hij ene lezing, en dus kon hij den tijd uitkopen. Zij, wier zaken hun niet veroorloofden den enen dag te komen, konden op een anderen dag komen, diegenen waren welkom, die dagelijks wakende waren aan deze poorten der wijsheid, en dagelijks de posten harer deuren waarnamen.
b. Dat die gelegenheden nu meer openbaar waren. In de synagoge der Joden mocht, of kon, niemand komen, dan die Joden of proselieten waren, Heidenen waren buitengesloten, maar toen hij zijne bijeenkomsten hield in de school van Tyrannus, konden Heidenen, Joden en Grieken zijne prediking aldaar bijwonen, vers 10. Aldus was hem, gelijk hij die gelegenheid te Efeziërs beschrijft in 1 Corinthiërs 16:8, 9, ene grote en krachtige deur geopend, hoewel er vele tegenstanders waren. Sommigen denken, dat die school van Tyrannus ene theologische school der Joden was, zoals zij er gemeenlijk in hun grote steden hadden naast hun synagogen: zij noemden zulke ene school Beth- midrash, huis des onderzoeks, of der herhaling, en daarheen gingen zij na den dienst in de synagoge. Zij gaan van kracht tot kracht, van het huis des heiligdoms naar het huis der leer. Indien dit nu zulk ene school was, dan wordt hierdoor aangetoond, dat Paulus de synagoge niet op eens, niet geheel en al, maar trapsgewijze heeft verlaten, en er toch zo dicht mogelijk bij gebleven is, zoals hij ook vroeger gedaan heeft, Hoofdstuk 18:7. Anderen zijn echter van mening, dat het ene filosofische school was van de Heidenen, die aan een zekeren Tyrannus toebehoorde, of ene plaats der afzondering, (want dit is soms de betekenis van het woord scholê) toebehorende aan den voornaamste, of den gouverneur der stad. Het was ene geschikte, geriefelijke plaats, die, hetzij uit vriendschap, of voor geld, aan Paulus en de discipelen ten gebruike was afgestaan.
3. Hier heeft hij gedurende twee jaren gearbeid, zijne voordrachten gehouden, en dagelijks over de Schriften gehandeld. Deze twee jaren beginnen aan het einde van de drie maanden, die hij in de synagoge doorbracht, vers 8. Toen deze drie maanden voorbij waren, heeft hij enigen tijd in de naburige landstreken gepredikt, zodat hij met recht kon zeggen, dat hij met alles en alles drie jaren in dezen arbeid besteed heeft, vers 20.
4. Hierdoor is het Evangelie overal heen verbreid geworden, vers 10. Allen, die in Azië woonden, hoorden het woord des Heeren Jezus, niet alleen zij, die te Efeziërs woonden, maar allen, die woonden in het uitgestrekt gewest, Azië genoemd, en waarvan Efeziërs de hoofdstad was, het zogenaamde Klein-Azië. Van alle kanten kwamen de lieden naar Efeziërs , hetzij voor zaken van recht of wet, voor handelsbelangen, of voor onderwijs, of ook wel voor Godsdienstige doeleinden, hetgeen aan Paulus de gelegenheid gaf, om de boodschap des Evangelies naar alle steden en dorpen van dat land heen te zenden. Zij hoorden allen het woord des Heeren Jezus. Het Evangelie is het woord van Christus, het is een woord betreffende Christus. Dit hoorden zij, of zij hebben er ten minste van gehoord. Waarschijnlijk heeft Paulus zelf nu en dan wel uitstapjes gemaakt naar buiten om er het Evangelie te prediken, of heeft er zijne helpers heengezonden, en aldus is het woord des Heeren in dat ganse gebied gehoord. Nu hebben zij, die in duisternis zaten, een groot licht gezien. III. God bevestigde de leer van Paulus door wonderen, waardoor de mensen opgewekt werden er naar te vragen, er een onderzoek naar in te stellen, en genegenheid er voor, en geloof er aan in hun hart werden gewerkt, vers 11, 12. Van dat Paulus den bozen geest heeft uitgeworpen van de dienstmaagd te Fillippi, lezen wij van geen ander wonder door hem gewerkt. Waarom heeft hij gene wonderen gedaan te Thessalonica, te Berea en te Athene? Of, zo hij ze deed, waarom is er dan gene melding van gemaakt? Was de voortgang van het Evangelie, zonder wonderen in het rijk der natuur, zelf zulk een wonder in het rijk genade, en was de Goddelijke kracht, die er van uitging zulk een bewijs van zijn Goddelijken oorsprong, dat er geen ander nodig was? Het is zeker, dat hij te Corinthe vele wonderen gedaan heeft, hoewel Lukas er geen van vermeld heeft, want hij zegt hun (namelijk den Corinthiërs) dat de merktekenen van zijn apostelschap onder hen betoond zijn in wonderen en krachten, 2 Corinthiërs 12:12. Maar hier te Efeziërs hebben wij een algemeen bericht van die soort van bewijzen, welke hij van zijne Goddelijke zending heeft gegeven.
1. Het waren ongewone krachten, dunameis ou tuchosas. God heeft krachten gewerkt, die niet naar den gewonen loop der natuur waren, Virtutes non vulgares. Er werden dingen gedaan, die volstrekt niet aan het toeval, of aan tweede oorzaken konden toegeschreven worden. Of wel, zij waren niet slechts (evenals alle wonderen) buiten den gewonen weg, maar zelfs als wonderen waren zij nog buitengewoon, zulke wonderen, als nooit door een der andere apostelen gewrocht zijn. De tegenstanders van het Evangelie waren zo bevooroordeeld, dat niet elk wonder voor hen genoeg zou zijn geweest om hen te overtuigen, daarom heeft God virtutes non quaslibet gewerkt, iets dat nog boven den gewonen weg der wonderen was.
2. Het was niet Paulus, die ze gewerkt heeft, (Wat is Paulus, en wat is Apollos?) maar het was God, die ze door de handen van Paulus gedaan heeft. Hij was slechts het werktuig, God was de Werker.
3. Hij heeft niet slechts de kranken, die tot hem gebracht werden, of tot wie hij gebracht werd, genezen, maar van zijn lijf werden op de kranken de zweetdoeken of gordeldoeken gedragen. Zij namen de zweetdoeken (zakdoeken) van Paulus, of zijne gordeldoeken (dat is, zeggen sommigen) de voorschoten, die hij droeg, als hij in zijn beroep als tentenmaker arbeidde, en door ze op de kranken te leggen, werden dezen terstond genezen. Of wel, zij brachten de zweetdoeken, of gordels, of mutsen der kranken, en legden ze voor enige ogenblikken op het lichaam van Paulus, en brachten ze daarna aan de kranken. Het eerste is meer waarschijnlijk. Nu is vervuld geworden het woord van Christus aan Zijne discipelen: Die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meerdere doen. Wij lezen van ene vrouw, die genezen werd door Christus' kleed aan te raken, toen Hij dat kleed aan had, en Hij bemerkte, dat er kracht van Hem was uitgegaan, maar hier waren mensen, die genezen werden, door Paulus' klederen aan te raken, toen zij van zijn lijf genomen waren. Christus heeft Zijnen apostelen macht gegeven over de onreine geesten, en om alle ziekte en alle kwale te genezen, Mattheus 10:1. En dienovereenkomstig bevinden wij hier, dat zij, aan wie Paulus hulp en verlichting toebracht, haar voor deze beide gevallen ontvangen hebben, want de ziekten zijn van hen geweken, en de boze geesten zijn van hen uitgevaren, en beiden waren ene aanduiding van het grote doel en de gezegende uitwerking van het Evangelie, nl. geestelijke krankheden te genezen, en de zielen der mensen van Satans macht en heerschappij te bevrijden.