10. U ondervond, zoals ik hoor met grote nauwgezetheid, om toch niets daarvan te verzuimen, de onderscheidene zijn van het zevental, de zevende dagen van de wet, de sabbatten en maanden, die de zevende in het jaar zijn, namelijk Tisri
Leviticus 23:35 en tijden, feesten, vooral het loofhuttenfeest (
Leviticus 23:4,
Colossenzen 2:16) en jaren, de sabbatsjaren, zoals dit jaar zo een is (1 Makk. 6:54 Aanm.).
In Vers 8 is de rede van die aard, alsof de ontwikkeling van de leer voortging, maar neemt dan dadelijk in het volgende vers een praktische wending. Paulus heeft van te voren gezegd (vers 7): "Nu geen dienstknechten meer": "maar", zo gaat hij nu voort, tot de vorige tijd terugkerend, "toen was u dienstknechten, toen u God niet kende". Zo duidelijk als nu onder zodanige omstandigheid uw vroegere dienstbaarheid is geweest, zo onbegrijpelijk is het, dat u nu uzelf weer in dienstbaarheid overgeeft". Terwijl hij vervolgens met de woorden: "u diende degenen, die van nature geen goden zijn" de soort van dienstbaarheid nauwkeuriger noemt, waarin de Galaten zich vroeger als heidenen bevonden, karakteriseert hij deze dienstbaarheid als een, die werkelijk erger is dan die van de Christenen uit de Joden naar hun toestand vóór zij Christenen waren in Vers 3. Zij waren niet door God zelf voor een poos, om pedagogische redenen, onder de uitwendige bepalingen van de wet gesteld, maar hun dienstbaar zijn was een dienen, dat voortkwam daaruit, dat zij God niet kenden en wel een dienen van hen, die van nature geen goden zijn, maar in waarheid demonen (1 Corinthiërs 10:20).
Uit deze dienst door Christus bevrijd te zijn is een weldaad, die des te meer verplichtingen aanbrengt, hoe erger en dwazer zij zich daardoor bezondigd hebben. Hoe verkeerd doen nu zij, nadat zij God gekend hebben, ja integendeel nadat zij door God gekend zijn, om bij hun vroegere verkeerdheid en zonde deze nieuwe te voegen, dat zij zich weer wenden tot de zwakke en arme inzettingen, waaronder zij zich ten tijde van hun afgodendienst hebben bevonden, om deze weer van voren aan dienstbaar te worden! Bij dat dienen heeft men te doen met hetgeen tot de aards-lichamelijke natuur van de mens behoort. Dergelijke voorwerpen van het godsdienstig leven zijn echter in tegenspraak met de Geest van Christus, die God in onze harten heeft gezonden, zwak en arm, omdat zij niet in staat zijn de mens in een andere verhouding tot God te plaatsen, of tot een ander gedrag over God te brengen, noch aan zijn bestaan een inhoud te geven, die het vervult en bevredigt (omdat zij zelf slechts een onvolmaakte en geringe inhoud hebben). De apostel zegt niet: "u dient" maar "u wilt dienen"; ook niet: "u heeft gekeerd", maar "u keert u", want zij zijn nog slechts op het punt om terug te keren. Zij maken echter reeds een begin daarmee en wel niet slechts in hun gedachten, maar ook in hun doen en laten, zoals men daaruit ziet, dat de apostel voortgaat: "u onderhoudt dagen enz. " en niet "u wilde onderhouden". Hij zegt dat op de toon van diepe smart, waarin de vraag van de smartelijke verwondering overgaat; zo ver bent u weer, dat u op dagen acht geeft en op maanden en tijden en jaren. Bij "dagen", moet aan de sabbatten, bij "maanden" aan de zevende maanden, bij "tijden" aan de feesttijden, bij "jaren" aan de sabbatsjaren worden gedacht.
Wordt van het Jodendom de profetie op Christus weggenomen, dan staat het op dezelfde trap met het heidendom. Zondert men van de wet van de ceremoniën alle typische betekenis af, zo blijft er niets over dan een heidense natuurwet. Op deze gevaarlijke weg hadden de Galaten zich laten verlokken, hun gerechtigheid te zoeken in de wet, ook nadat Christus gekomen was, die het einde van de wet is. Hun dagen, feesten en jaargetijden houdend, d. i. de viering van de Joodse sabbatdagen, nieuwe maanden, jaarlijkse feesten en sabbatjaren zich door de dwaalleraars latende opdringen, maakten zij hun rechtvaardiging en heiligmaking afhankelijk van de loop van zon en maan, die de jaren en maanden en weken afdelen; zon, maan en sterren werden echter in alle heidense godsdiensten bij uitnemendheid geëerd. Deze zijn het daarom vooral, die Paulus bedoelt (Vers 8); tot haar dienst keerden vooral de dagverkiezers terug. Zolang zij God nog niet hadden leren kennen, kon het nog enigszins verontschuldigd worden, wanneer zij degenen dienden, die niet werkelijk goden zijn: maar hoe hoe nu? De uitdrukking: "u heeft God gekend" verklaart en verbetert de Apostel als het ware door deze: "ja veel meer door God gekend bent. " Door Gods kennen van de mens, hetgeen Gods liefde tot hem, de aanneming tot genade, de overbrenging tot het kindschap in zich sluit, ontstaat eerst in de mens de kennis van God ("1Co 8:1" en "1Co 8:2. Hier voegt de Apostel er dit vooral daarom bij, opdat het niet voorkwam als een werk van de keuze van de Galaters, maar van de vrije keuze van Gods genade, dat Hij, hen kennende, hen met Zijn genade vervulde. Deze vrije genade moest hen dubbel beschamen, nu zij van de heerlijkheid van het goddelijke kindschap terugkeerden tot de armzalige en onmachtige onmondigheid. Als men het juist wil bezien is het dus meer dat wij van God gekend worden, dan dat wij Hem kennen. Want wat wij tot zodanige kennis doen, is niets anders dan dat wij stil zijn en God met ons laten handelen, namelijk dat Hij ons Zijn woord geeft en wij het door het geloof, dat Hij ook door Zijn Geeft in ons werkt, aangrijpen en zo Gods kinderen worden. Zo is dan nu dit de mening op deze plaats: "u bent door God gekend", d. i. u bent door het woord beweldadigd, u bent begiftigd met de Heilige Geest, waardoor u vernieuwd bent. Waaruit dan volgt, dat hetgeen wij van God weten, wij dat niet van onszelf, maar van Hem hebben.
De Galaten waren door hun vroegere afgodendienst geketend geweest aan de beginselen van deze wereld, want schepseldienst is toch de heidense afgodendienst in haar feesten en offeranden en overige ceremoniën. Waaraan zij zich nu hechtten, terwijl zij zich aan de Joodse ceremoniën overgaven, dat was juist alleen het zwakke en arme van de wet van het vleselijk gebod (Hebreeën 7:16) en niet het voorafbeeldende en nuttige van hetgeen Gods gebod inhield. Nadat Christus gekomen is en in de harten van Zijn gelovigen woning gemaakt heeft, zijn die uitwendige beginselen tot ijdele schalen geworden, waaraan hun vruchtbare kiem is ontgroeid. En als men op het zwakke en arme vertrouwt, als was het iets vol kracht en inhoud en nuttig tot zaligheid, dan dient men een afgod in plaats van de levende God. Het was terugzinken in hun vroegere afgodendienst een karikatuur van Christelijke bekering, dat de Galaten van de prediking van het geloof aan het evangelie en van de Abba-stem van Christus' Geest in het hart zich afkeerden tot de zichtbare dingen, waarin zij God meenden te zullen vinden en tot middelen van uitwendige heiligheid, waarin zij een tastbare gerechtigheid wilden teweeg brengen.
Uit Romeinen 14:5 blijkt, dat Paulus aan de zwakke Christenen (in het bijzonder de Christenen uit de Joden in de gemeenten van de Christenen uit de heidenen) de viering van zulke dagen veroorloofde. Hier was het echter te doen om de principiële noodzakelijkheid van het vieren en zo kon hij niet anders dan in Colossenzen 2:16 v. oordelen en met angstige bezorgdheid over zijn werk vervuld worden. Men kon in twijfel zijn, of het in acht nemen van de jaargetijden, d. i. van de jaren, wat aangaat de viering van elk zevende jaar, alleen om de volledigheid van de theorie of met het oog op de werkelijkheid vermeld was. Voor de laatste opvatting schijnt te pleiten, dat juist in de tijd, waarin ook om andere redenen het schrijven van de brief aan de Galaten moet gesteld worden, de viering van een Joods sabbatjaar gevallen is, namelijk in de tijd van de herfst 54 tot die van 55 na Christus en dat Paulus, die hier overigens het werkelijk gedrag van zijn lezers tekent, toch nauwelijks het waarnemen van de jaren, wat het vieren van elk zevende jaar aangaat, kon vermelden, in geval hij wist, dat zij juist toen het sabbatsjaar niet vierden. Tot het aannemen van de besnijdenis daartegen, waarop de Judaïsten zo zeer aandrongen (Hoofdstuk 5:2 v. 11:6, 12 v.) waren de Galaten zeker slechts bij uitzondering bewogen, omdat die anders hier ook genoemd had moeten zijn, omdat juist deze tot de vrees, waarvan in Vers 11 sprake is, het meest zou hebben aanleiding gegeven.