2. Want als ik door berisping en bestraffing, die ik u onder dergelijke omstandigheden zou moeten geven, jullie bedroef, wie is het toch, die mij zal vrolijk maken, dan degene, die door mij bedroefd is geworden. Ik beroof er mij dan zelf van in blijdschap bij u te zijn, hetwelk mij toch bij zo'n bezoekreis behoefte van het hart is; ik bedroef dan toch juist hen, van wie alleen vreugde mij kan toevloeien.
De apostel doelt met zijn "weer" op zijn vorig bezoek aan de gemeente, waaraan het bezoek, waarover hier wordt gesproken, maar dat ten gevolge van veranderd reisplan niet volvoerd is, daarin zou zijn zoals geweest, dat hij, evenals toen, droefheid van het hart zou hebben gehad. Hij verklaart zich vervolgens in Vers 2 waarom hij voor de tweede maal zo niet had willen komen. Als ik, zo zegt hij, weer in droefheid tot u kom, dan maak ik u bedroefd en wie is het nu, die mij verheugt, behalve hij, wie van mij droefheid overkomt?
Buiten hen kan hem te Corinthiërs niets en niemand blij maken; en juist zij, van wie hem vreugde moest toekomen en alleen kon toekomen, had hij zelf moeten treurig maken, hoe zouden zij hem dan tot vreugde zijn? Deze is de reden, waarom hij ook om zichzelf besloten heeft, niet weer in droefheid tot hen te komen.
Het enkelvoudige in deze zin "dan degene, die door mij bedroefd is geworden" is door de voorgaande vraag, die met opzet in het enkelvoud gesteld is: "wie is het toch, die mij zal vrolijk maken" nodig geworden. Zeker had ook het meervoud kunnen gezet worden, maar het enkelvoud maakt de rede treffender, zinrijker.
Evenals hij hun een dienend werktuig tot vreugde wil zijn (Hoofdstuk 1:24), zo zoekt hij ook zijn hogere vreugde, de verzoetende vergoeding van zoveel lijden en offers, van zo vele bekommernissen aan zijn ambt verbonden bij hen, de blijdschap, die een (geestelijk) vader over zijn kinderen heeft, die een leermeester heeft in de welvaart en de liefde van zijn leerlingen. Hij gaat uit van het zuiver en geheiligd menselijk gevoel van tedere vriendschap, welke vreugde het genieten van de vriend ten doel en als vrucht van het bezoeken en vertoeven heeft. Hoe teder en innig spreekt hij zich daarover uit in Romeinen 1:12; 15:24 en hoe hartelijk zijn verlangen naar een bezoeken van de gemeente in Filippenzen 1:8 !