2 Corinthiërs 2:12-17
Na deze voorschriften omtrent den afgesneden persoon, maakt de apostel een grote uitweiding om den Corinthiërs een verslag te geven van zijn reizen en arbeid ter verbreiding van het Evangelie, en welken zegen hij daarin gehad heeft, verklarende hoezeer hij tenzelfden tijde bezig was geweest met hun belangen, hoe hij geen rust gehad heeft voor zijn geest toen hij Titus niet te Troas vond, vers 12, gelijk hij verwacht had, omdat hij gehoopt had van hem nauwkeuriger ingelicht te worden hoe het hun ging. Later, Hoofdstuk 7:5-7, zien we dat de apostel, toen hij in Macedonië gekomen was, vertroost werd door de komst van Titus en de berichten, welke deze omtrent hen meebracht. Zodat we alles wat we in Hoofdstuk 2:12 tot Hoofdstuk 7:5 vinden, beschouwen kunnen als een tussenrede. Merk hier op:
I. Paulus' onvermoeibare arbeid en ijver in zijn werk, vers 12, 13. Hij reisde van plaats tot plaats, predikende het Evangelie. Hij ging naar Troas van Filippi over zee. Handelingen 20:6, en begaf zich vandaar naar Macedonië, zodat hij verhinderd was, volgens zijn voornemen, Hoofdstuk 1:16, Corinthe aan te doen. Maar ofschoon hij verhinderd werd in de keuze van de plaats zijner werkzaamheid, zijn werk zelf ondervond geen verhindering.
II. Den zegen op zijn werk: Ene deur was geopend in den Heere, vers 12. Waar hij ook kwam, daar had hij veel werk te verrichten, en daar werd zijn werk gezegend, want God gaf getuigenis door hem van den reuk zijner kennis, vers 14, in elke plaats waar hij kwam. Hij vond alom gelegenheid om den mond te openen, en God opende de harten zijner hoorders, gelijk dat van Lydia, Handelingen 16:14, en de apostel vermeldde dat als een reden van dankzegging aan God en van blijdschap voor zijne ziel.
Gode zij dank, die ons te allen tijde doet triomferen in Christus. Alle triomfen van een gelovige zijn in Christus. In ons zelven zijn wij zwak, en hebben blijdschap noch overwinning, maar in Christus mogen wij ons verheugen en zegevieren.
1. Ware gelovigen hebben voortdurend oorzaak om in Christus te triomferen, want zij zijn meer dan overwinnaars door Hem, die hen liefgehad heeft, Romeinen 8:37.
2. God geeft hun oorzaak om in Christus te triomferen. Het is God, die ons de reden van triomf in Christus geeft en de harten daarvoor. Hem zij daarvoor de dank en de heerlijkheid van allen.
3. De zegepraal des Evangelies is een goede reden voor des Christens vreugde en blijdschap.
III. De vertroosting, welke de apostel en zijn medearbeiders vonden in hun werk, ook zelfs wanneer het Evangelie niet voorspoedig was tot zaligheid van sommigen, die het hoorden vers 15-17. Merk hier op:
1. Den verschillenden uitslag van de prediking des Evangelies, en zijn verschillende uitwerking bij de onderscheiden personen, aan wie het verkondigd wordt. De uitslag is verschillend, want de een wordt er door behouden en de andere gaat er door verloren. Dit kan niet verwonderen, wanneer men let op de verschillende uitwerking, welke het Evangelie heeft. Want: A. Voor sommigen is het een reuk des doods ten dode. Zij, die moedwillig onwetend en moedwillig tegenstrevend zijn, hebben een afkeer van het Evangelie, gelijk men een slechten reuk verafschuwt, en daarom worden zij er door verblind en verhard, het wekt hun verdorvenheid op en verbittert hun geest. Zij verwerpen het Evangelie tot hun schade, ja tot hun geestelijken en eeuwigen dood.
B. Voor anderen is het Evangelie een reuk des levens ten leven. Voor nederige en liefhebbende harten is het Woord bovenmate heerlijk en voordelig. Het is hun zoeter van smaak dan honing en welriekender dan de heerlijkste geuren voor den reuk, en daardoor voordelig, want gelijk het hen heeft opgewekt toen zij dood waren in zonden en misdaden, zo verlevendigt het hen meer en meer en zal hun eindelijk het eeuwige leven geven.
2. Den ontzagwekkenden indruk, welken deze waarheid maakt op den geest van den apostel, en evenzeer behoort te maken op ons. Wie is tot deze dingen bekwaam? vers 16. Tis hikanos, dat is: wie is waardig tot zulk gewichtig werk geroepen te worden, een werk van zo uitgebreide belangrijkheid omdat het zulke ontzaglijke gevolgen heeft? Wie is bekwaam om zo gewichtig werk te verrichten, dat zoveel bekwaamheid en kundigheid vereist? Het werk is groot en onze kracht is klein, ja, in ons zelven hebben wij in `t geheel geen kracht.
Al onze bekwaamheid is uit God. Indien men ernstig in het oog vatte welke grote belangen van de verkondiging des Evangelies afhangen en hoe moeilijk het werk der bediening is, dan zou men zeer voorzichtig zijn, om er zich toe te begeven, en zeer behoedzaam in de uitoefening.
3. Den troost, dien de apostel had onder deze ernstige beschouwing.
A. Dat de getrouwe dienaren door God aangenomen worden, wat ook de uitslag van hun werk moge zijn. Wij zijn, indien we getrouw zijn, Gode een goede reuk van Christus, vers 15, in hen die zalig worden en in hen die verloren gaan. God zal onze oprechte bedoelingen en eerlijke pogingen aannemen, ofschoon velen daarvan geen goeden uitslag hebben. De dienaren zullen worden aangenomen en beloond, niet naar de vrucht, maar naar de getrouwheid van hun werk. Israël zal zich niet verzamelen laten, nochtans zal ik verheerlijkt worden in de ogen des Heeren, Jesaja 49:5.
B. Omdat zijn geweten getuigenis gaf van zijn getrouwheid, vers 17. Ofschoon menigeen het Woord Gods te koop droeg, getuigde het geweten van den apostel van zijn getrouwheid. Hij mengde niet zijn eigen denkbeelden onder de leringen en instellingen van Christus, hij voegde niets toe aan en nam niets af van het Woord Gods, hij was getrouw in de uitdeling des Evangelies, zoals hij het ontvangen had van den Heere, en had geen bijzondere belangen te dienen, zijn doel was zich Gode aangenaam te maken, in gedachtenis houdende dat diens oog altijd op hem was, en daarom sprak en handelde hij steeds als voor het aangezicht Gods, dus in oprechtheid. Wat wij in den godsdienst verrichten is niet van God, komt niet van God en wordt door God niet aangenomen, tenzij wij het doen in oprechtheid en als voor Zijn aangezicht.