Handelingen 13:1-3
Hier hebben wij ene Goddelijke volmacht en opdracht aan Barnabas en Saulus, om het Evangelie aan de Heidenen te gaan verkondigen, en hun ordening tot dien dienst door oplegging der handen met vasten en gebed.
I. Een bericht omtrent den tegenwoordigen toestand der gemeente te Antiochië, die daar gesticht was, Hoofdstuk 11:20.
1. Hoe goed zij voorzien was van goede leraren: daar waren enige profeten en leraars, vers 1, mannen, die uitblonken in gaven, genade en werkzaamheid. Toen Christus opgevaren is in de hoogte, heeft Hij gegeven sommigen tot profeten en sommigen tot leraars, Efeze 4:11, dezen waren beide. Agabus schijnt een profeet geweest te zijn, maar geen leraar, en velen waren leraren, die gene profeten waren, maar dezen waren soms door God geïnspireerd, en hadden bij sommige gelegenheden instructies onmiddellijk van den hemel, hetgeen hun den titel gaf van profeten, en daarbij waren zij ook bepaald aangestelde leraren van de gemeente voor hare Godsdienstige samenkomsten, waar zij de Schriften verklaarden en de leer van Christus duidelijk maakten door juiste toepassingen. Dat waren de profeten, en schriftgeleerden, of leraren, die Christus beloofd had te zenden, Mattheus 23:34, en die in elk opzicht bevoegd en bekwaam waren tot den dienst der Christelijke kerk. Antiochië was ene grote stad, en er waren daar vele Christenen, zodat zij niet allen in ene zelfde plaats bijeen konden komen, daarom zijn daar vele leraren nodig geweest, die, in hun onderscheidene vergaderingen konden voorgaan. Barnabas wordt het eerst genoemd, waarschijnlijk omdat hij de oudste was, en Saulus het laatst, waarschijnlijk omdat hij de jongste was, maar daarna is de laatste de eerste geworden, en is Saulus van zeer groot gewicht geworden in de kerk. Er worden nog drie anderen genoemd.
a. Simeon, of Simon, die Niger wordt bijgenaamd, Simon de Zwarte, vanwege de kleur van zijn haar, evenals de zoon van Eduard III, koning van Engeland, die de Zwarte Prins genoemd werd.
b. Lucius van Cyrene, die naar sommiger mening, (waartoe ook Dr. Lightfoot overhelt,) dezelfde was als Lukas, de schrijver van de Handelingen, geboortig van Cyrene, en opgevoed in het Cyrenese college, of synagoge, te Jeruzalem, waar hij het Evangelie aannam.
c. Manahen een persoon van enig aanzien, naar het schijnt, want hij was met Herodes den viervorst, opgevoed, hetzij gezoogd met dezelfde melk, of opgevoed en onderwezen in dezelfde school, of leerling van dezelfden onderwijzer, of liever, zijn voortdurende collega en metgezel, die in geheel zijne opvoeding deelde en innig vertrouwd met hem was, waardoor hij goede vooruitzichten had van bevordering aan het hof, maar om Christus wil heeft hij die vooruitzichten opgegeven, evenals Mozes die, toen hij tot jaren gekomen was, geweigerd heeft een zoon van Farao's dochter genoemd te worden. Had hij ingestemd met Herodes, met wie hij was opgevoed, hij zou de plaats en het ambt van Blastus gehad kunnen hebben, maar het is beter een mede-lijder te zijn met een heilige, dan een mede-vervolger met een' viervorst.
2. Hoe goed zij hun tijd gebruikten, vers 2. Zij dienden den Heere en vastten. Naarstige en getrouwe leraren zullen in waarheid den Heere dienen. Zij, die Christenen onderwijzen, dienen Christus, zij eren Hem, en bevorderen de belangen van Zijn koninkrijk. Zij, die de kerk dienen met gebed en prediking (die beiden zijn hier mede ingesloten) dienen den Heere, want zij zijn de dienaren der kerk om Christus wil, in hun dienen moeten zij Hem op het oog hebben, en van Hem zullen zij hun loon ontvangen. Den Heere te dienen-op de ene of andere wijze-moet het bepaalde en geregelde werk zijn van kerken en van hare leraren, voor dit werk moet tijd afgezonderd worden, aan dit werk moet een deel van elke dag gewijd worden. Wat hebben wij als Christenen en leraars anders te doen dan den Heere Christus te dienen? Colossenzen 3:24, Romeinen 14:18. Godsdienstig vasten is nuttig voor ons dienen van den Heere, beide als teken van onze verootmoediging, en als middel voor onze tuchtiging. Hoewel het door de discipelen van Christus zo lang de Bruidegom bij hen was, niet zo veel beoefend werd als door de discipelen van Johannes en de Farizeeën, zijn zij er toch overvloedig in geweest, nadat de Bruidegom van hen weggenomen was, als degenen, die goed geleerd hadden zich zelven te verloochenen en verdrukkingen te lijden.
II. De orders door den Heiligen Geest gegeven voor het afzonderen van Barnabas en Saulus, terwijl de leraren van de gemeente bijeen waren ter viering van een plechtigen vastendag en biddag, zei de Heilige Geest, hetzij door ene stem van den hemel, of door een sterken aandrang in het gemoed van hen, die profeten waren: Zondert Mij af beiden Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik ze geroepen heb. Hij specificeert het werk niet, maar verwijst naar ene vorige roeping, waarvan zij zelven de betekenis wisten, hetzij anderen dit al of niet ook wisten. Wat Saulus betreft, hem was inzonderheid gezegd, dat hij Christus' naam moest dragen voor de Heidenen, Hoofdstuk 9:15, dat hij tot de Heidenen gezonden zou worden, Hoofdstuk 22:21. De zaak was te voren reeds vastgesteld onder hen te Jeruzalem, dat, gelijk Petrus, Jacobus en Johannes zich zouden wijden aan het werk onder hen, die van de besnijdenis zijn, zo moesten Paulus en Barnabas tot de Heidenen gaan. Waarschijnlijk heeft Barnabas zich, zo goed als Paulus, tot dien dienst bestemd geweten. Toch wilden zij zich niet tot dien oogst begeven, hoewel hij zeer overvloedig beloofde te zijn, voor zij van den Heer des oogstes hun orders hadden ontvangen: Zend uwe sikkel en maai, dewijl de oogst der aarde rijp is geworden, Openbaring 14:15. De orders luidden: Zondert Mij af Barnabas en Saulus. Merk hier op:
1. Christus heeft, door Zijn Geest, de benoeming Zijner dienstknechten, want het is door den Geest van Christus, dat zij bekwaam worden gemaakt voor Zijn dienst, er toe geneigd worden, van andere bezigheden of zorgen, die daarmee onbestaanbaar zijn, worden weggenomen. Er zijn sommigen, die door den Heiligen Geest afgezonderd zijn voor den dienst van Christus, die van anderen onderscheiden werden als mannen, die aangeboden werden, en die zich zelven gewillig aanbieden, tot den tempeldienst, en hen betreffende, worden aanwijzingen gegeven aan degenen, die bevoegd zijn om te oordelen over het voldoende van hun gaven en bekwaamheden, en de oprechtheid hunner neiging: zondert hen af.
2. Christus' dienstknechten zijn Hem en den Heiligen Geest afgezonderd, zondert Mij af, zij moeten gebruikt worden voor Christus' werk, onder de leiding des Geestes, tot heerlijkheid Gods, des Vaders.
3. Allen, die Christus afgezonderd zijn, als Zijne dienstknechten, zijn afgezonderd voor werk, Christus houdt gene dienstknechten lui en ledig. Zo iemand tot een opzienersambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk, dat is het, waartoe hij is afgezonderd, te arbeiden in het woord en de leer. Zij zijn afgezonderd om zich moeite te geven, niet om zich aanzien of grootheid te verschaffen.
4. Het werk van Christus' dienstknechten, waartoe zij afgezonderd moeten worden, is werk, dat reeds bepaald is, en tot hetwelk al de dienstknechten tot nu toe geroepen zijn, waarnaar zij zelven door ene uitwendige roeping geneigd werden, en dat zij verkozen hebben.
III. Hun ordening ingevolge deze orders, niet tot den Evangeliedienst in het algemeen, (Barnabas en Saulus hebben beiden reeds lang te voren het woord gepredikt,) maar tot een bijzonderen tak van dezen Evangeliedienst, waarin iets eigenaardigs was, en waartoe opnieuw ene opdracht, of aanstelling nodig was, en God zag, dat het toen betamelijk was om hun die opdracht door de handen dezer profeten en leraars te geven, om daarmee ook aan Zijne kerk de aanwijzing te geven, dat leraren leraren moeten ordenen, (want profeten hebben wij nu niet meer te wachten,) en dat zij, die de woorden van Christus ontvangen hebben, om ons die te geven, ze tot nut en voordeel van het nageslacht aan getrouwe mensen moeten betrouwen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren, 2 Timotheus 2:2. Zo hebben hier Simeon, en Lucius en Manahen, die toen getrouwe leraren waren van de gemeente te Antiochië, nadat zij gevast en gebeden hadden, hun de handen opgelegd, en ze laten gaan, vers 3, overeenkomstig de aanwijzing, die zij hadden ontvangen. Merk op:
1. Zij baden voor hen. Als Godvruchtige mensen uitgaan op een goed werk, dan behoort er zeer bijzonder en plechtig voor hen gebeden te worden, inzonderheid door hun broederen, die hun mede- arbeiders en medekrijgsknechten zijn.
2. Bij hun gebed hebben zij ook vasten gevoegd, vers 3. Christus heeft ons dit geleerd door dat Hij zich onthouden heeft van slaap, (een nachtvasten, als ik dit eens zo noemen mag) in den nacht voordat Hij Zijne apostelen heeft uitgezonden, ten einde den nacht door te brengen in gebed.
3. Zij hebben hun de handen opgelegd. Hiermede hebben zij hun:
a. Ontslag verleend uit hun tegenwoordige bediening in de kerk te Antiochië, erkennende, niet slechts dat zij naar behoren en met hun toestemming weggingen, maar ook eervol en met een goed getuigenis.
b. Zij smeekten een zegen voor hen af in het werk, dat zij nu gingen ondernemen, baden dat God met hen wilde zijn en hen voorspoedig wilde maken, en dat zij hiertoe vervuld zouden worden met den Heiligen Geest. Dit wordt verklaard in Hoofdstuk 14:26, waar van Paulus en Barnabas gezegd wordt dat zij van Antiochië der genade Gods bevolen waren geweest tot het werk, dat zij volbracht hadden. Gelijk het een voorbeeld was van den ootmoed van Barnabas en Saulus, dat zij zich onderwierpen aan de handoplegging van hen, die hun gelijken, of eigenlijk hun minderen, waren, zo was het ook een voorbeeld van de goede gezindheid der andere leraars, dat zij Barnabas en Saulus de eer niet benijdden, waartoe zij bevorderd waren, maar hun die blijmoedig hebben opgedragen met hartelijk gebed voor hen, en zij lieten hen gaan met allen spoed uit zorgvolle belangstelling in die landen, waar zij den grond moesten ontginnen.