Mattheus 8:5-13
Hier hebben wij een bericht van Christus' genezing van den dienstknecht des hoofdmans over honderd van geraaktheid. Dit geschiedde te Kapernaum, waar Christus toen woonde, Hoofdstuk 4:13. Christus ging het land door goeddoende, en kwam te huis om ook daar goed te doen. Elke plaats, waar hij kwam, was door Zijne komst in beteren toestand. De personen met wie Christus nu te doen had, waren:
1. Een hoofdman over honderd, hij was een smekeling, een Heiden, een Romein, een officier van het leger, dat te Kapernaum in garnizoen lag.
a. Hoewel hij een krijgsman was (en voor mensen van dat beroep wil een weinigje vroomheid heel wat zeggen) was hij toch een zeer Godvruchtig man. God heeft Zijn overblijfsel onder allerlei mensen. Niemands beroep of plaats in de wereld zal hem ter verontschuldiging kunnen strekken voor ongeloof en goddeloosheid. Niemand zal in den groten dag kunnen zeggen: Ik zou wel Godsdienstig geweest zijn, als ik geen krijgsman was geweest, want ook dezulken zijn onder de vrijgekochten des Heeren. En soms gebeurt het, dat, waar de genade overwint in hen, van wie men dit niet gedacht zou hebben, zij meer dan overwinnaar is: Deze krijgsman die goed was, was zeer goed.
b. Hoewel hij een Romeins krijgsman was, en zijn verblijf onder de Joden het teken was van hun onderwerping aan het Romeinse juk, heeft Christus, die de Koning was der Joden, hem toch bevoorrecht, en hierin heeft Hij ons geleerd onzen vijanden wel te doen, en niet nodeloos in nationale vijandschap te delen.
c. Hoewel hij een Heiden was, heeft Christus hem toch gekend. Het is waar: Hij is tot geen der Heidense steden gegaan (het was het land Kanaän, dat Emmanuel's land was, Jesaja 8:8), maar Hij heeft een verzoek van Heidenen aangenomen. Nu begon het woord van den Godvruchtigen ouden Simeon in vervulling te komen, dat Hij zou zijn, een licht tot verlichting der Heidenen, zowel als tot Heerlijkheid van zijn volk Israël. Door die genezing saam te voegen met dien van den melaatse, die een Jood was, geeft Mattheus dit te kennen. Den melaatsen Jood heeft Christus aangeraakt en genezen, want tot hen heeft Hij persoonlijk gepredikt, maar den verlamden Heiden genas Hij op een afstand, want tot hen is Hij niet persoonlijk heengegaan, maar zond Hij zijn woord uit en heelde hen, toch is Hij in hen meer verheerlijkt.
2. De dienstknecht van den overste over honderd, hij was de zieke. Ook hieruit blijkt, dat er bij God gene aanneming is des persoons, want gelijk er in Christus Jezus gene besnijdenis noch voorhuid is, zo is er ook geen dienstknecht en vrije. Hij is even bereid om den geringsten dienstknecht te genezen, als den rijksten meester, want Hij zelf heeft de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen, om ook over de geringste Zijne zorg te tonen. Nu kunnen wij in de genezing van dezen dienstknecht als ene wisseling van gunst tussen Christus en den hoofdman over honderd waarnemen, die zeer merkwaardig is. Zie hier.
I. De gunst van den hoofdman over honderd werkende naar Christus. Kan er uit een Romeinsen krijgsman iets goeds komen? iets dat draaglijk is, iets dat prijzenswaardig is? Kom en zie, en gij zult overvloed van goed vinden, dat uit den hoofdman over honderd kwam, goed dat zeer uitnemend, en zeer voor- beeldig is.
1. Zijn liefdevol verzoek tot Jezus Christus gericht, hetwelk getuigt van,
a. Een Godvruchtigen eerbied voor onzen groten Meester, als enen, die machtig en gewillig is, om arme smekelingen te helpen. Hij kwam tot Hem biddende, niet gelijk Naäman de Syriër, (die ook een hoofdman was) tot Elisa kwam, ene genezing vragende, of eisende, waarbij hij op het eerbetoon, aan zijn rang verschuldigd, stond, maar met den hoed in de hand, zoals het een smekeling betaamt. Hieruit blijkt, dat hij in Christus meer zag dan op den eersten aanblik merkbaar was, datgene zeg, hetwelk eerbied afdwong, hoewel voor hen, die niet verder zagen, Zijn aangezicht meer dan van iemand verdorven was. De officieren van het leger, die opzichters waren in de stad, zijn ongetwijfeld zeer hoog en voornaam opgetreden, toch geeft hij der gedachte aan zijn hoge betrekking gene plaats, als hij zich tot Christus wendt, en tot Hem komt, biddende. De voornaamste mannen moeten smekelingen worden, als zij met Christus te doen hebben. Hij erkent Christus' soevereiniteit door Hem Heere te noemen en zich voor de zaak op Hem beroept, op Zijn wil, Zijne wijsheid, door een eenvoudige, nederige blootlegging, zonder dat hij zijne bede in woorden uitdrukt. Hij wist met een wijzen, genaderijken Geneesmeester te doen te hebben, voor wie de mededeling van den aard der ziekte evengoed was als de dringendste bede. Een ootmoedige belijdenis van onze geestelijke behoeften en krankheden zal niet falen een antwoord des vredes te brengen. Stort uwe klacht uit, en er zal genade worden uitgestort.
b. Ene liefderijke oplettendheid voor zijn armen dienstknecht. Wij lezen van velen, die tot Christus kwamen ten behoeve hunner kinderen, maar dit is het enige voorbeeld van iemand, die tot Hem kwam ten behoeve van zijn dienstknecht: Heere mijn knecht ligt te huis geraakt. Het is de plicht van meesters, om het zich aan te trekken als hun dienaren in moeite en beproeving zijn. De verlamming maakte den dienstknecht onbekwaam voor zijn werk, maakte hem lastig, zoals dit gemeenlijk bij ene kwaal of ziekte gezien wordt, toch heeft hij hem, toen hij zo ziek werd, niet weggezonden, (zoals de Amalekiet met zijn dienstknecht deed, 1 Samuël 30:13.) hij heeft hem niet naar zijne vrienden of bloedverwanten gezonden, maar zocht de beste hulp voor hem te verkrijgen, de dienstknecht kon niet meer voor den meester gedaan hebben, dan de meester hier voor den dienstknecht deed. De dienstknechten van dezen hoofdman over honderd waren hem zeer gehoorzaam, vers 9, en hier zien wij wat hier de oorzaak van was, hij was zeer vriendelijk voor hen, en hierdoor konden zij hem blijmoedig deze gehoorzaamheid bewijzen. En gelijk wij het recht onzer dienstknechten niet moeten versmaden, als zij geschil met ons hebben, Job 31:13, 15, zo moeten wij ook hun recht, of hun zaak niet versmaden, als God geschil met hen heeft, want wij zijn geformeerd in dezelfden vorm, en door dezelfde hand, en staan voor God op gelijken bodem met hen, en wij moeten hen niet bij de honden onzer kudden stellen. De hoofdman over honderd richt zich voor zijn dienstknecht niet tot de tovenaars of toverheksen, maar tot Christus. De geraaktheid is ene ziekte, waarvoor de bekwaamheid of kunst van den geneesheer meestal faalt, daarom was het een groot blijk van zijn geloof in de macht van Christus, om tot Hem te komen voor een genezing, die door gene natuurlijke middelen kon worden gewerkt. Hoe aandoenlijk beschrijft hij den toestand van zijn knecht als zeer treurig, hij ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen, het is ene ziekte, die den lijder gewoonlijk ongevoelig maakt voor pijn, maar deze patiënt leed zware pijnen, jong zijnde, worstelde de natuur met de verlamming, waardoor zij pijnlijk werd. (Het was gene paralysis simplex, maar scorbutica). Aldus moeten wij bezorgd zijn voor, en belangstellen in, de zielen van onze kinderen en dienstboden, die geestelijk ziek zijn aan verlamming, ongevoelig zijn voor geestelijk kwaad, onverschillig en werkeloos voor hetgeen geestelijk goed is, en hen door geloof en gebed tot Christus brengen, hen brengen tot de middelen voor genezing en gezondheid.
2. Let op zijn groten ootmoed en zelfvernedering. Toen Christus Zijne bereidwilligheid had te kennen gegeven om te komen en zijn' knecht te genezen, vers 7, drukt hij zich met nog groter ootmoed van geest uit. Nederige zielen worden door Christus' neerbuigende goedheid tot hen nog nederiger. Let op de taal van zijn ootmoed: Heere, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen, vers 8, hetwelk getuigt van geringe gedachten van zich zelven en hoge gedachten van onzen Heere Jezus. Hij zegt niet: "Mijn knecht is niet waardig, dat Gij in zijne kamer zoudt komen, want het is ene zolderkamer", maar, Ik ben niet waardig, dat Gij in mijn huis komt. De hoofdman over honderd was een voornaam man, toch erkent hij zijne onwaardigheid voor God. Zulk een ootmoed betaamt aan personen van rang en aanzien, en staat hun zeer schoon. Christus maakte toen een armelijk figuur in de wereld, maar de hoofdman beschouwde Hem als een profeet, ja als meer dan een profeet, en daarom betoonde hij Hem dien eerbied. Wij behoren waardering en verering te koesteren voor hetgeen wij van God zien, zelfs in hen, die naar hun uitwendige omstandigheden onze minderen zijn. De hoofdman over honderd kwam tot Christus met ene bede, en daarom heeft hij zich met zoveel nederigheid uitgedrukt. Bij al ons naderen tot Christus, en door Christus tot God, betaamt het ons zelven te vernederen, neer te liggen in het stof in het besef onzer onwaardigheid, als geringe schepselen en snode zondaars, alles, wat het ook zij, voor God te doen, en alle goed van Hem te ontvangen. Let op zijn groot geloof. Hoe meer ootmoed, hoe meer geloof, hoe mistrouwender wij zijn jegens ons zelven, hoe sterker ons vertrouwen zal zijn in Jezus Christus. Hij had de verzekerdheid des geloofs, niet slechts dat Christus zijn knecht kon genezen, maar
a. Dat Hij hem kon genezen op een afstand. Er was gene lichamelijke aanraking nodig, zoals bij natuurlíjke werkingen, noch enigerlei oplegging op het aangetaste lichaamsdeel, maar hij geloofde, dat de genezing tot stand kon komen, zonder dat de geneesheer en de zieke tot elkaar behoefden gebracht te worden. Later lezen wij van hen, die den geraakte met veel moeite en inspanning tot Christus brachten en hem voor Hem stelden, en Christus prees hun geloof als een werkzaam geloof. Deze hoofdman bracht zijn geraakte niet, en Christus prees zijn geloof als een vertrouwend geloof, waar geloof wordt door Christus aangenomen, al openbaart het zich ook op verschillende wijze. Christus geeft de beste uitlegging aan de verschillende methodes van Godsdienst der mensen, en hiermede leert Hij ons dit ook te doen. Deze hoofdman geloofde, wat ook ontwijfelbaar waar is, dat de macht van Christus gene grenzen kent, en daarom zijn nabijheid en afstand voor Hem gelijk. Afstand van plaats kan de kennis noch de werking in den weg staan van Hem, die alles vervult. Ben Ik een God van nabij, spreekt de Heere, en niet een God van verre? Jeremia 33:23
b. Dat Hij hem kon genezen door een woord, hem niet een medicijn zou zenden, en nog veel minder een tovermiddel, doch: spreek alleenlijk een woord, en ik twijfel niet of, mijn knecht zal genezen worden. Hiermede erkent hij Hem als Goddelijke macht bezittende om over alle schepselen en krachten der natuur te gebieden, hetgeen Hem in staat stelt te doen al wat Hem behaagt in het rijk der natuur, gelijk Hij in den beginne door een woord van almacht dat rijk heeft doen ontstaan, toen Hij zei: Er zij licht. Voor de mensen zijn zeggen en doen twee, maar niet voor Christus, die daarom de Arm des Heeren is, omdat Hij is het eeuwige Woord. Zijn zeggen: Wordt warm, en wordt verzadigd Jakobus 2:16, en genezen, verwarmt, en verzadigt, en geneest. De hoofdman over honderd geeft ene voorstelling van zijn geloof in de macht van Christus door te wijzen op zijne eigene heerschappij als hoofdman over zijne soldaten, als meester over zijne dienstknechten, hij zegt tot den een: Ga, en hij gaat, enz. Zij vlogen op zijne wenken zodat hij door hen dingen kon ten uitvoer brengen op een afstand. Zijn woord was wet voor hen. Goed gedisciplineerde soldaten weten, dat de bevelen hunner officieren niet betwist, maar gehoorzaamd moeten worden. Zo kon Christus spreken, en het is geschied, zodanige macht had Hij over alle lichaamskwalen. De hoofdman had deze heerschappij over zijne soldaten, hoewel hij zelf een man was onder de macht van anderen, hij was geen opperbevelhebber, maar een officier van lageren rang, veel meer had Christus deze macht, die de Soevereine Opperheer is van allen. De dienstknechten van den hoofdman waren zeer gehoorzaam en onderdanig, zij kwamen en gingen op den minsten wenk huns meesters. Zulke dienstknechten behoren wij allen te wezen van God, op Zijn bevel moeten wij komen en gaan, overeenkomstig de aanwijzing Zijns woords, en de beschikkingen Zijner voorzienigheid, gaan als Hij ons zendt, terugkomen als Hij ons roept, doen wat Hij beveelt. Wat zegt mijn Heere tot zijn knecht? Als Zijn wil in botsing komt met onzen wil, dan moet Zijn wil geschieden, en de onze wijken. Zulke dienstknechten zijn lichaamskwalen voor Christus. Zij grijpen ons aan, als Hij ze zendt, zij verlaten ons, als Hij ze terugroept, zij hebben de uitwerking op ons, op ons lichaam, op onze ziel, die Hij beveelt. Dit is ene zaak van vertroosting voor allen, die Christus toebehoren, om wier welzijn Zijne macht wordt uitgeoefend, dat elke ziekte Zijne opdracht heeft, Zijn gebod ten uitvoer brengt, onder Zijne macht en bestuur staat, en dienen moet om de bedoelingen Zijner genade tot stand te brengen. Diegenen behoeven gene ziekte te vrezen, noch hetgeen zij uitrichten kan, die er de hand van zo goed een Vriend in zien.
II. Hier wordt de genade van Christus voor den hoofdman over honderd openbaar, want aan den genadige betoont Hij zich genadig.
1. Hij voldoet aan het verzoek op het eerste woord. Hij legde Hem slechts den toestand bloot van zijn knecht en wilde om genezing vragen, toen Christus hem voorkwam met dit goede woord, dit troostrijke woord: Ik zal komen en hem genezen, vers 7, niet: Ik zal hem komen zien -dat zou Hem als een vriendelijken Heiland hebben leren kennen, maar, Ik zal komen en hem genezen -dat toont Hem als een machtigen, almachtigen Heiland. Het was een groot woord, maar niet groter dan Hij vervullen kon, want Hij heeftgenezing onder Zijne vleugelen, Zijne komst is genezing. Zij, die wonderen deden door ene kracht, die zij hadden ontleend of ontvangen, hebben niet op zo stellige wijze gesproken, als Christus sprak, die ze werkte door Zijne eigene macht, als gezaghebbende. Als men een leraar laat roepen voor een kranken vriend, dan kan hij slechts zeggen: Ik zal komen en voor hem bidden, maar Christus zegt: Ik zal komen en hem genezen. Het is goed, dat Christus meer voor ons kan doen dan onze leraren. De hoofdman wenste, dat Hij zijn knecht zou genezen, en Hij zegt: Ik zal komen en hem genezen, en drukte hiermede groter gunst uit, dan de hoofdman vroeg of aan dacht. Christus overtreft de verwachting van arme smekelingen. Zie hier een voorbeeld van Christus, nederigheid, dat Hij een armen krijgsknecht wil bezoeken. Hij wilde niet afgaan om het zieke kind te gaan zien van een koninklijken hoveling, die er op aandrong, dat Hij zou afkomen, Johannes 4:47-49, maar Hij biedt zich aan om een kranken knecht te gaan zien, aldus ziet Hij de nederheid aan Zijns volks, en geeft Hij overvloediger eer aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft. Christus' nederigheid in Zijne bereidwilligheid om te komen, gaf hem het voorbeeld, en veroorzaakte alzo zijn ootmoed, in het zich onwaardig bekennen, dat Hij tot hem zou komen. De nederigheid van Christus jegens ons, behoort ons des te ootmoediger te maken tegenover Hem. 2. Hij prees zijn geloof, en spreekt naar aanleiding hiervan een vriendelijk woord voor de arme Heidenen, vers 10-12. Zie, hoe grote dingen een krachtig, maar zelf-verloochenend geloof van den Heere Jezus kan verkrijgen, zelfs voor algemene belangen.
a. Wat den hoofdman betreft, Hij heeft hem niet slechts Zijne goedkeuring te kennen gegeven en hem aangenomen (die eer valt aan alle ware gelovigen te beurt) maar hij heeft hem bewonderd en geprezen, die eer valt aan grote gelovigen ten deel, zoals aan Job, niemand is op de aarde gelijk hij. Christus bewonderde hem, niet om zijne voornaamheid, maar om zijne genadegaven. Jezus, dit horende, heeft zich verwonderd, niet alsof het voor Hem nieuw of verrassend was, Hij kende het geloof van den hoofdman, want Hij had het gewerkt, maar het was groot en voortreffelijk, zeldzaam en ongemeen, en Christus sprak er van als van iets verwonderlijks, om ons te leren wat wij moeten bewonderen: gene wereldse pracht en sierlijkheid, maar de schoonheid en heiligheid, en de versierselen, die kostelijk zijn voor God. De wonderen der genade behoren ons meer aan te grijpen dan de wonderen der natuur of der voorzienigheid, en geestelijke gaven meer dan grote verrichtingen in de wereld. Van hen, die rijk zijn in geloof, niet van hen, die rijk zijn in goud en zilver, moeten wij zeggen, dat zij al deze heerlijkheid verkregen hebben. Genesis 31:1. Maar al het bewonderenswaardige in iemands geloof moet strekken tot heerlijkheid van Christus, die weldra zelf bewonderd zal worden in allen, die geloven, als in hen, en voor hen, wonderlijke dingen gedaan hebbende. Hij heeft hem geprezen in hetgeen Hij zei tot degenen, die Hem volgden. Alle gelovigen zullen in de andere wereld, maar sommige gelovigen reeds in deze wereld, door Christus voor de mensen erkend en beleden worden in Zijne uitnemende verschijningen voor hen en met hen. Voorwaar, Ik heb zelfs in Israël zo groot een geloof niet gevonden. Dit nu duidt aan: Ten eerste: Ere voor den hoofdman over honderd, die, hoewel geen zoon uit Abrahams lendenen, een erfgenaam was van Abrahams geloof, en Christus bevond dit alzo. Wat Christus zoekt is geloof, en waar het is, vindt Hij het, al was het ook als een mostaardzaadje. Alles in aanmerking genomen, en naar verhouding tot de middelen, heeft Hij zo groot een geloof niet gevonden, gelijk van de arme weduwe gezegd werd, dat zij meer ingeworpen heeft dan allen, Lukas 21:3. Hoewel de hoofdman een Heiden was, is hij toch aldus geprezen. Wel verre van iemand, die niet tot onze geloofsbelijdenis behoort, den lof te misgunnen, die hem toekomt, moeten wij ons beijveren hem dien lof te geven, gaarne en van harte. Ten tweede dat duidt schande aan over Israël, aan wie de aanneming is tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden en de hulpmiddelen en de aanmoedigingen tot geloof. Als de Zoon des mensen komt, vindt Hij weinig geloof, en daarom vindt Hij zo weinig vruchten. De genadegaven van sommigen, die slechts weinig hulp hebben gehad voor hun ziel, zullen de zonde en het verderf verzwaren van velen die groten overvloed hebben gehad van de middelen der genade, en er geen goed gebruik van hebben gemaakt. Christus zei dit tot hen, die Hem volgden, of Hij hen ook tot een heilige jaloersheid er door kon opwekken, zoals Paulus zegt Romeinen 11:14. Zij waren Abrahams zaad, zij moeten zo jaloers zijn op die ere, dat zij zich niet laten voorbijstreven door een Heiden, en inzonderheid niet in die genadegave, waarin Abraham zo uitblonk.
b. Ten opzichte van anderen. Christus neemt er aanleiding uit om ene vergelijking te maken tussen Joden en Heidenen, en Hij zegt hun twee dingen, die zeer verrassend moeten geweest zijn voor hen, aan wie geleerd was, dat de zaligheid is uit de Joden. Dat zeer velen van de Heidenen zalig zullen worden, vers 11. Het geloof van den hoofdman was slechts een voorbeeld van de bekering der Heidenen, en ene inleiding, als het ware, van hun aanneming in de kerk. Dit was een onderwerp, dat onze Heere Jezus dikwijls aangeroerd heeft, Hij spreekt er van met verzekerdheid, Ik zeg u, "Ik, die alle mensen ken", en Hij kon niets zeggen, dat Hem zelven meer welbehaaglijk was, of dat de Joden meer mishaagde, een zodanige wenk of te kennengeving heeft de Nazareners in woede tegen Hem ontstoken, Lukas 4:27. Christus geeft ons hier een denkbeeld, Ten eerste van de personen, die zalig zullen worden, velen van Oosten en Westen. Hij had gezegd. Hoofdstuk 7:14. Weinigen zijn er, die den weg tot het leven vinden, en toch hier: velen zullen komen. Weinigen tegelijk, en in ene plaats, maar toch, als zij allen te zamen komen, zullen er zeer velen zijn. Thans zien wij slechts hier en daar dat iemand toegebracht wordt tot de genade, maar weldra zullen wij den Oversten Leidsman onzer zaligheid zien, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, Hebreeën 2:10. Hij zal komen met Zijne vele duizenden heiligen, Judas 14, met ene schare, die niemand tellen kan, Openbaring 7:9, met volken, die zalig worden, Openbaring 21:24, Zij zullen komen van Oost en West, plaatsen, die ver van elkaar verwijderd zijn, en toch zullen zij elkaar ontmoeten aan Christus' rechterhand, het Middelpunt hunner eenheid. God heeft aan alle plaatsen Zijn overblijfsel, van den opgang der zon tot haren ondergang, Maleachi 1:11. De uitverkorenen zullen vergaderd worden uit de vier winden. Hoofdstuk 24:31. Zij zijn gezaaid in de aarde, sommigen er van verstrooid in elke hoek van den akker. De Heidenwereld lag van het Oosten naar het Westen, en zij inzonderheid worden hier bedoeld, hoewel zij vreemdelingen waren van de verbonden der belofte, en dit lang geweest zijn. Wie weet hoeveel verborgenen God toen reeds onder hen gehad heeft? Gelijk in Elia's tijd in Israël, 1 Koningen 19:4, waarna zij weer spoedig in groten getale tot de kerk zijn toegestroomd, Jesaja 60:3, 4. Gelijk wij, als wij in den hemel komen, er zeer velen zullen missen, die wij dachten, dat er heengegaan waren, zo zullen wij er velen ontmoeten, die wij er niet hebben verwacht. Ten tweede. Christus geeft ons een denkbeeld van de zaligheid zelf. Zij zullen komen, zullen te zamen komen, te zamen komen met Christus, 2 Thessalonicenzen 2:1. Zij zullen toegelaten worden in het koninkrijk der genade op aarde, in het verbond der genade, gemaakt met Abraham, Izaak en Jakob: zij zullen gezegend worden met den gelovigen Abraham, wiens zegening komt tot de Heidenen, Galaten 3:14. Dit maakt Zacheus tot een zoon van Abraham, Lukas 19:9. Zij zullen toegelaten worden in het koninkrijk der heerlijkheid in den hemel. Zij zullen blijmoedig komen, gevlogen als duiven tot hare vensters, zij zullen neerzitten om te rusten van hunnen arbeid, hun dagwerk volbracht hebbende. Zitten geeft voortduring te kennen, terwijl wij staan, gaan wij, waar wij zitten, denken wij te blijven. De hemel is ene rust, die "overblijft", ene "blijvende" stad, zij zullen neerzitten als op een troon. Openbaring 3:21 :als aan ene tafel, dat is hier de overdrachtelijke uitdrukking: zij zullen neerzitten om onthaald te worden aan een feestmaal, waardoor het volkomen, zowel als vrije en ongedwongen der gemeenschapsoefening wordt aangeduid. Lukas 22:30. Zij zullen aanzitten met Abraham. Zij, die, hoe ver zij in deze wereld ook door tijd, plaats, en uitwendige omstandigheden van elkaar gescheiden waren, zullen in den hemel allen samenkomen, de mensen uit het lang verleden, en de mensen uit den tegenwoordigen tijd, Joden en Heidenen, rijken en armen. De rijke man in de hel ziet Abraham, maar Lazarus zit met hem aan, leunt aan zijne borst. Het samenzijn der heiligen maakt een deel uit van de gelukzaligheid des hemels, en zij "op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn", die onbekend en zonder enig aanzien zijn in de wereld, zullen met de roemrijke aartsvaders delen in de heerlijkheid. Dat een groot aantal der Joden zullen omkomen. Vers 12. Men lette dus Ten eerste, op het vreemde vonnis: De kinderen des koninkrijks zullen uitgeworpen worden, de Joden, die in hun ongeloof volharden, zullen, hoewel zij door hun geboorte kinderen des koninkrijks zijn, evenwel als leden der zichtbare kerk worden afgesneden: het koninkrijk Gods, welks kinderen zij zich beroemden te zijn, zal van hen weggenomen worden, en zij zullen geen volk meer zijn, en gene barmhartigheid verkrijgen, Romeinen 11:20, 9:31. In den groten dag zal het de mensen niet baten kinderen des koninkrijks geweest te zijn, hetzij als Joden of als Christenen, want dan zullen de mensen geoordeeld worden, niet naar wat zij geheten hebben, maar naar hetgeen zij waren. Indien zij waarlijk kinderen zijn, dan zijn zij ook erfgenamen, maar velen zijn kinderen slechts naar hun zeggen, naar hun uitwendige belijdenis: zij zijn in het gezin, maar niet van het gezin en zullen dus met de kinderen niet erven. Geboren zijnde uit Christenouders, geeft ons dit den naam van kinderen des koninkrijks, maar zo wij hier nu in rusten en voor den hemel niets dan dat hebben te vertonen, dan zullen wij uitgeworpen worden. Ten tweede,
1. Ene vreemde straf aangeduid voor de werkers der ongerechtigheid. Zij zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis, de duisternis van hen, die buiten zijn, van de Heidenen, die buiten de kerk waren, daarin -in die duisternis-werden de Joden geworpen, ja in nog ergere duisternis, zij werden verblind, en verhard, en vervuld van verschrikking, gelijk de apostel aantoont in Romeinen 11:8-10. Een volk, dat aldus uitgestoten werd uit de gemeente en overgegeven aan het geestelijk oordeel, is alrede in volslagen duisternis, maar het ziet nog verder, nl. op den toestand der veroordeelde zondaars in de hel, waartoe die eerstgenoemde duisternis slechts de sombere inleiding is. Zij zullen uitgeworpen worden van God en van alle ware vertroosting en liefelijkheid, en uitgeworpen worden in duisternis. In de hel is vuur, maar geen licht, het is volslagen duisternis, duisternis ten uiterste, de hoogste mate van duisternis, zonder enigerlei vermenging, zonder hoop, of licht, niet het minste schijnsel er van, het is duisternis als gevolg van het buitengesloten zijn uit den hemel, het land des lichts. Zij, die buiten zijn, zijn in het land der duisternis, en toch is dit nog het ergste niet: aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden. Er zal grote smart zijn in de hel, stromen van tranen zullen vergoten worden, doch vruchteloos, angst en benauwdheid zullen daar eeuwig duren, de bewustheid van Gods toorn is de pijniging der verdoemden.
2. Grote toorn: de veroordeelde zondaren zullen knarsetanden van spijt en ergernis, vol van de grimmigheid des Heeren, met nijd en afgunst het geluk aanschouwende van anderen, en met afgrijzen nadenkende over de vroegere mogelijkheid van hun eigene gelukzaligheid, die nu echter voorbij is.
3. Hij geneest zijn dienstknecht. Hij prijst het niet slechts, dat hij zich tot Hem heeft gewend om hulp, maar Hij staat hem zijn verzoek toe, vers 13. Merk op,
a. Wat Christus tot hem zei: Hij zei datgene, waardoor de genezing ene even grote gunst werd voor hem als voor zijn dienstknecht, ja nog veel groter: U geschiede, gelijk gij geloofd hebt. De dienstknecht verkreeg genezing van zijne ziekte, maar de meester verkreeg de bevestiging en goedkeuring van zijn geloof. Christus geeft dikwijls een bemoedigend antwoord aan Zijn biddend volk, als zij voorbidding doen voor anderen. Het is ene goedheid en vriendelijkheid voor ons, als ons gebed voor anderen verhoord wordt. God wendde de gevangenis van Job, toen hij bad voor zijne vrienden, Job 42:10. Het was ene grote eer, die Christus dezen hoofdman bewees, toen Hij hem, als het ware, een blanco kredietbrief gaf. U geschiede, gelijk gij geloofd hebt. Wat kon hij meer verlangen? Maar wat tot hem gezegd werd, wordt tot ons allen gezegd: Geloof, en gij zult ontvangen, geloof slechts. Ziehier de macht van Christus, en de kracht van het geloof. Daar Christus kan doen wat Hij wil, kan een werkzaam gelovige van Christus verkrijgen wat hij wil. De olie der genade wordt vermenigvuldigd, en staat niet stil zo lang de vaten des geloofs niet falen.
b. Wat de uitwerking was van dit zeggen: het gebed des geloofs was een overmogend gebed, dit was het altijd, en dit zal het altijd blijven. Uit het plotselinge der genezing blijkt, dat zij wonderdadig was, en door het gelijktijdige der genezing met het zeggen van Christus, blijkt dat Hij het wonder gewrocht heeft. Hij sprak, en het was geschied, en dit was een blijk Zijner almacht. Een geleerd arts heeft de opmerking gemaakt, dat de krankheden, door Christus genezen, voornamelijk van die soort waren, die uiterst moeilijk te genezen zijn door natuurlijke middelen, inzonderheid de geraaktheid of verlamming. "Elke soort van verlamming, inzonderheid, als zij verouderd is, is of ongeneeslijk, of slechts met de grootste moeite door medische bekwaamheid te overwinnen, zelfs bij jeugdige personen, zodat ik dikwijls heb opgemerkt, dat al de krankheden, waarvoor men zich tot Christus om genezing heeft gewend, tot de hardnekkigste en meest hopeloze soort hebben behoord." Mercurialis: De Morbis Puerorum, lib. 2, Cap. 5.