Leviticus 26:14-39
Nadat God hun de zegen had voorgesteld (het leven en het goede, dat hen tot een gelukkig volk zou maken, indien zij wilden gehoorzamen) stelt Hij hun nu de vloek voor, de dood en het kwade, dat hen rampzalig zal maken, als zij ongehoorzaam zijn. Laat hen niet denken zo vast en diep ingeworteld te zijn, dat Gods macht hen niet zou kunnen verderven of zo hoog in gunst bij Hem te staan, dat Zijn gerechtigheid hen niet zou willen verderven, indien zij van Hem afvallen en tegen Hem rebelleren, neen, Uit alle geslachten van de aardbodem heb Ik ulieden alleen gekend, daarom zal Ik alle uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken, Amos 3:2.
Merk op:
I. Hoe hun zonde wordt beschreven, die al deze rampen over hen zal brengen. Geen zonden van onwetendheid en zwakheid-voor deze had God offeranden geboden, niet voor de zonden, waarvan zij zich bekeerden en die zij nalieten, maar de zonden, die met opgeheven hand werden bedreven, willens en wetens, in de verwatenheid van hun hart, en waarin zij hardnekkig bleven volharden.
Twee dingen zullen dit verderf gewis over hen brengen.
1. Minachting voor Gods geboden, vers 14. "Indien gij Mij niet zult horen, sprekende tot u door de wet, en al deze geboden niet zult doen, dat is: indien gij niet zult begeren, en er naar zult streven ze te doen, en, indien gij, wanneer gij misdoet, geen gebruik maakt van het voorgeschreven middel tot herstel." Aldus wordt hun zonde ondersteld te beginnen met blote zorgeloosheid, onverschilligheid en nalatigheid. Die zonden zijn al erg genoeg, maar zij banen de weg voor nog erger, want het volk wordt voorgesteld, vers 15, als:
a. Gods inzettingen smadelijk te verwerpen, zowel de voorgeschreven plichten, als het gezag, dat ze voorschreef, met geringachting denkende aan de wet en de Wetgever. Diegenen spoeden zich heen naar hun verderf, die beginnen te denken dat de Godsdienst beneden hen is.
b. Een walgen van Zijn wetten, zij walgen er van tot in hun ziel. Zij, die de Godsdienst beginnen te verachten, zullen er langzamerhand toe komen om er van te walgen, en een min denken er van zal rijpen in een slecht denken er van, zij, die er zich van afkeren, zullen er zich tegen keren, hun hart zal er zich tegen verheffen
c. Vernietigende Zijn verbond. Hoewel iedere overtreding van het gebod geen vernietigen is van het verbond (wij waren verloren, zo het dit wèl was) zal toch, als de mensen tot zo'n graad van goddeloosheid zijn vervallen, dat zij het gebod verachten en verfoeien, de volgende stap wezen dat zij God verwerpen en in generlei betrekking tot Hem willen staan. Zij, die het gebod verwerpen, zullen ten slotte het verbond verzaken.
Merk op: Het is Gods verbond, dat zij vernietigen, Hij heeft het gemaakt, maar zij verbreken het. Als een verbond gemaakt en gehouden wordt tussen God en de mens, dan moet God er al de eer van hebben, maar als het ooit vernietigd wordt, dan moet de mens er de schuld van dragen, hij heeft de breuk teweeggebracht. 2. Een minachting van Zijn bestraffing. Zelfs hun ongehoorzaamheid zou nog hun verderf niet geweest zijn, indien zij er zich niet in verhard hadden en onboetvaardig waren gebleven, in weerwil van de middelen, die God heeft aangewend om hen van hun boze weg terug te brengen. Hun minachting van Gods woord zou het verderf niet over hen gebracht hebben, indien zij er niet een minachting aan hadden toegevoegd van Zijn roede, die hen tot bekering zou hebben gebracht. Dit wordt op driëerlei wijze uitgedrukt. Zo gij Mij tot deze dingen toe niet zult horen, vers 18, 21, 27. Indien gij geen gehoorzaamheid zult leren door hetgeen gij lijdt, maar als doof zult wezen voor het luid wraakgeroep van Gods oordelen, gelijk gij doof gebleven zijt voor de krachtige argumenten van Zijn woord en de stille vermaningen van uw eigen geweten, dan voorwaar zijt gij verstokt."
b. Zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, vers 21, 23, 27. Alle zondaars wandelen in tegenheid met God, met Zijn waarheden, Zijn wetten en raadsbesluiten, maar inzonderheid diegenen, die onverbeterlijk blijven onder Zijn oordelen. De bedoeling van de roede is hen te verootmoedigen, te vertederen, en tot bekering te brengen, maar inplaats hiervan wordt hun hart nog meer verhard en verbitterd tegen God, en in hun benauwdheid overtreden zij nog meer tegen Hem. Zie 2 Kronieken 28:22. Dat is in tegenheid te wandelen met God. De tekst kan ook gelezen worden: Indien gij lichtvaardig, roekeloos, zonder zorg of nadenken met Mij wandelt alsof gij geen acht sloeg, hetzij op wat gij doet, of het recht of onrecht is, of op hetgeen God doet met u, of Hij voor u of tegen u is, onbezonnen en in de blinde voortgaande."
c. Indien gij Mij door deze dingen nog niet getuchtigd zijt, er nog niet door verbeterd zijt. Gods bedoeling in Zijn straffen is verbeteren, door de mensen tot overtuiging te brengen van het kwaad van de zonde, en hen te nopen tot Hem de toevlucht te nemen om verlichting te verkrijgen, dit is de eerste en voornaamste bedoeling, maar zij, die door de oordelen Gods niet verbeterd willen worden, moeten verwachten er door ten verderve te worden gebracht. Diegenen hebben wel zeer veel te verantwoorden, die lang en dikwijls onder de kastijdende hand van God zijn geweest, en toch blijven voortgaan op hun zondige weg, ziek zijn en pijn lijden, en toch niet verbeterd worden, door tegenspoed verarmd zijn, en toch niet verbeterd, door breuk op breuk verbroken, en "nochtans niet tot de Heere bekeerd," Amos 4:6 en verv.
II. Hoe de ellende de rampzaligheid, beschreven wordt, die hun zonde over hen zou brengen, en wel onder twee hoofden.
1. God zelf zal tegen hen zijn, en dat is de wortel en oorzaak van al hun ellende.
a. Ik zal Mijn aangezicht tegen ulieden zetten, vers 17 dat is: "Ik zal Mijn aangezicht tegen u zetten om u te verderven." Deze trotse zondaars zal God weerstaan, en hen ter neer werpen die Zijn gezag tarten. Of wel, met het aangezicht wordt toorn bedoeld, "Ik zal Mij hoogst misnoegd op u tonen."
b. Ik zal ook met u in tegenheid wandelen, vers 24, 28, Bij de verkeerde bewijst Gij U een worstelaar. Als God in Zijn voorzienigheid de plannen dwarsboomt van een volk, die zij zo goed beraamd dachten, hun voornemens verijdelt, hun maatregelen op niets doet uitlopen, hun streven tegengaat en hun verwachtingen teleurstelt, dan wandelt Hij in tegenheid met hen. Er is niets te winnen door met God almachtig te twisten, want Hij zal of het hart, of de nek breken van hen, die tegen Hem strijden, hen of tot bekering, of ten verderve brengen. "Ik zal in tegenheid wandelen met u, alle verbondsgoedertierenheid zal vergeten zijn, en gij zult aan de gewone leidingen van Mijn voorzienigheid worden overgelaten. Zij, die God laten varen, verdienen, dat Hij hen laat varen.
c. Naarmate zij hardnekkig bleven, zouden de oordelen over hen nog toenemen. Indien de eerste merkbare tekenen van Gods misnoegen over hen hun doel niet bereiken om hen te verootmoedigen en te verbeteren, dan zal Ik daar nog toedoen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen, vers 18, en wederom, in vers 21 :Ik zal over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen, en, vers 24, Ik zal u ook zevenvoudig slaan, en, vers 28, Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen. Indien de kleinere oordelen hun werk niet doen, zal God grotere zenden, want als Hij oordeelt, overwint Hij. Waar geen oprecht berouw het recht in zijn loop stuit, zal het oordeel volvoerd worden. Als zij, die hardnekkig en onverbeterlijk zijn, een storm doorstaan hebben, moeten zij een andere verwachten, die nog heviger is, en hoe streng zij ook gestraft worden, moeten zij toch, totdat zij in de hel zijn, nog zeggen: "er komt nog erger", tenzij zij berouw hebben en zich bekeren. Indien "de smelter" totnutoe "tevergeefs gesmolten heeft," Jeremia 6:29, dan zal de oven zevenmaal meer heet gemaakt worden, ( een spreekwoordelijke uitdrukking gebruikt in Daniël 3:19) en telkens en nogmaals zevenmaal meer heet, en wie onder ons kan bij een verterend vuur wonen? God begint niet met de zwaarste oordelen, om te tonen dat Hij lankmoedig is, en geen lust heeft in de dood van de zondaren, maar zo zij zich niet bekeren, dan zal Hij tot het ergste overgaan, om te tonen dat Hij rechtvaardig is, en dat Hij zich niet laat bespotten of trotseren.
d. Hun ellende is voltooid in die bedreiging, vers 30, Mijne ziel zal van u walgen. Die mens is wel zo ongelukkig als hij wezen kan, die God verafschuwt, want Zijn toorn is rechtvaardig en van kracht. Zo zal, indien iemand zich onttrekt, zoals verondersteld wordt dat sommigen doen zullen, "Gods ziel in hem geen welbehagen" "hebben," Hebreeën 10:38, en Hij zal hem "uit Zijn mond" "spuwen," Openbaring 3:16. Er wordt van gesproken als iets vreemds, en dat toch maar al te waar "is: Heeft Uwe ziel een walging" "van Zion?" Jeremia 14:19
2. De gehele schepping zal tegen hen strijd voeren. Alle zware oordelen Gods zullen tegen hen uitgaan, want Hij heeft veel pijlen in Zijn pijlkoker. De bedreigingen zijn hier zeer nauwkeurig, want in werkelijkheid zijn zij profetieën geweest, en Hij, die al hun rebellie voorzien heeft, wist dat zij aldus zouden uitkomen, zie Deuteronomium 31:16, 29. Deze lange lijst van bedreigingen toont, dat het kwaad de zondaren vervolgt.
A. Wij hebben hier: Tijdelijke oordelen bedreigd.
a. Ziekten van het lichaam, die epidemisch zullen heersen, vers 16. Ik zal over u stellen, als meesters om u met strengheid te regeren, verschrikking, tering en koorts. Het woord, dat wij vertalen door verschrikking betekent, naar sommigen denken, een bijzondere ziekte, waarschijnlijk (zegt de geleerde bisschop Patrick) vallende ziekte, die inderdaad een verschrikking is. Alle chronische ziekten zijn begrepen in tering, en alle acute ziekten in koorts. Deze verteren de ogen en veroorzaken smart, zowel aan hen, die er door bezocht worden als aan hun bloedverwanten en vrienden. Alle ziekten zijn Gods dienaressen en doen wat Hij haar gebiedt te doen, en dikwijls worden zij gebruikt als gesels, om er een weerstrevend volk mee te kastijden. In vers 25 worden zij er mee bedreigd, dat de pest hen zal bezoeken, als zij in hun steden vergaderd zijn uit vrees voor het zwaard. En hoe groter de bijeenvergadering van mensen is, hoe groter verwoesting de pest aanricht, en als zij onder de krijgslieden heerst, die een plaats moeten verdedigen, dan zijn de gevolgen uiterst noodlottig. b. Hongersnood en schaarsheid van brood die hun op verschillende wijzen veroorzaakt zullen worden, zoals:
Ten eerste. Door plundering, vers 16. Gij zult uw zaad tevergeefs zaaien en uw vijanden zaken dat opeten, en het wegvoeren, zoals de Midianieten gedaan hebben, Richteren 6:5, 6.
Ten tweede. Door ongunstig weer, inzonderheid door het gebrek aan regen, vers 19, Ik zal uw hemel als ijzer maken, geen regen laten nederdruipen maar terugstralende hitte, en dan zal de aarde natuurlijk zo droog en hard zijn als koper en hun arbeid van ploegen en zaaien zal tevergeefs zijn, vers 20. Want de opbrengst van de aarde hangt af van Gods goede voorzienigheid meer dan van van de bekwaamheid van mensen in de landbouw. Dit zal het breken zijn van de staf des broods, vers 26, waarop het leven steunt, en waardoor het wordt onderhouden, en waarop zij wellicht meer gesteund hebben dan op Gods zegen. Er zal zo'n groten schaarsheid zijn van koren, dat, terwijl anders een gezin een oven vulde voor zijn eigen huishoudbrood, dan tien gezinnen tezamen slechts een oven er mee vullen, hetgeen hen, hun kinderen en hun dienstboden op rantsoen zal stellen, zodat zij zullen eten, maar niet verzadigd zullen worden. Hoe minder zij hadden, hoe knagender hun honger zal zijn.
Ten derde. Door de belegering van hun steden want hierdoor zullen zij tot zo'n uiterste nood gebracht worden, dat zij het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochteren zullen eten, vers 29.
c. Oorlog en het overmogen van hun vijanden over hen, gij zult geslagen worden voor het aangezicht uwer vijanden, vers 17. De keur van uw mannen zal gedood worden in de strijd, "uw haters zullen over u heerschappij hebben," en terecht, daar gij niet hebt gewild dat de God, die u liefheeft, over u zou heersen, 2 Kronieken 12:8. Rampzalig is het volk welks vijanden zijn heersers zijn, heerschappij over hetzelve verkregen hebben, of, welks heersers zijn vijanden geworden zijn, en heimelijk zijn belangen zoeken te verderven. Aldus zou God de hovaardigheid van hun kracht verbreken, vers 19. God had hun macht gegeven over de volken, maar toen zij, in plaats van dankbaar te zijn voor die macht, om haar te gebruiken ten dienste van Gods koninkrijk, er hoogmoedig op werden en er de bedoeling van miskenden, was het rechtvaardig in God haar te verbreken. Aldus zou God een zwaard over hen brengen, dat de wrake des verbonds wreken zou, vers 25. God heeft een rechtvaardige twistzaak met hen, die Zijn verbond verbreken, want Hij zal zich niet laten bespotten door het verraad van trouwelozen, en op de een of andere wijze zal Hij die twist wreken op hen, die onstandvastig met Hem zijn of te kwader trouw met Hem handelen.
d. Wilde dieren: leeuwen, beren en wolven, die onder hen zullen toenemen, en alles zullen verscheuren wat hun in de weg komt, vers 22, zoals wij lezen van twee beren, die in een ogenblik twee en veertig kinderen verscheurden, 2 Koningen 2:24. Dit is een van de vier boze gerichten bedreigd in Ezechiël 14:21, hetwelk duidelijk naar dit hoofdstuk verwijst. De mens is geschapen om heerschappij te hebben over de dieren, en hoewel velen er van sterker zijn dan hij, zou toch geen van hen hem hebben kunnen schaden, ja meer: allen zouden hem gediend hebben, indien hij niet eerst Gods heerschappij over zich had verworpen, en daarom de zijne had verloren, en nu zijn de dieren in opstand tegen hem, die in opstand is tegen zijn Schepper, en als het de Heere van de heirscharen behaagt, dan zijn zij de uitvoerders van Zijn wraak en de dienaren van Zijn gerechtigheid. e. Gevangenschap of verstrooiing, Ik zal u onder de heidenen verstrooien, vers 33, gij zult in het land van uw vijanden zijn, vers 34. Nooit was een volk meer tot één lichaam verenigd dan zij het waren, maar om hun zonde zal God hen verstrooien, zodat zij als verloren zullen zijn onder de heidenen van wie God hen zo genadiglijk had onderscheiden, maar met wie zij zich goddelooslijk hadden vermengd. Doch als zij nu verstrooid zijn, dan heeft de Goddelijke gerechtigheid toch nog niet met hen afgedaan, maar zal nog een zwaard achter hen uittrekken, dat hen zal vinden en vervolgen, waar zij ook zijn. Gods oordelen kunnen niet getrotseerd worden, en evenmin kan men ze ontvluchten, er aan ontkomen.
f. Het algehele verderf, de verwoesting van hun land, dat zó merkwaardig zal zijn, dat zelfs hun vijanden, die er toe hadden medegewerkt, verbaasd zullen zijn bij de beschouwing er van vers 32.
Ten eerste. Hun steden zullen verwoest, verlaten, onbewoond zijn, al de gebouwen er van vernield, die aan de verwoesting door de oorlog waren ontkomen, zullen vanzelf tot verval komen.
Ten tweede. Hun heiligdommen zullen verwoest worden, dat is hun synagogen, waarin zij elke sabbat voor de openbaren eredienst bijeenkwamen, zowel als hun tabernakel, tot welke zij driemaal in het jaar opgingen.
Ten derde. Het land zelf zal woest zijn, niet bebouwd worden, vers 34, 35. Dan zal het land een welgevallen hebben aan zijn sabbaten, omdat zij de sabbatsjaren, die God had verordineerd, niet nauwgezet hadden waargenomen. Zij bebouwden hun land, als God wilde dat het zou rusten, met recht werden zij er dus uit verdreven, en de uitdrukking geeft te kennen, dat het land zelf er behagen en rust in had, toen het bevrijd was van zulke zondaars, waaronder het gezucht had, Romeinen 8:20 en verv. De gevangenschap in Babylon duurde zeventig jaren, en gedurende die tijd had het land aan zijn sabbaten een welgevallen, zoals, met verwijzing hiernaar, gezegd wordt in 2 Kronieken 36:21. g: De verwoesting of vernieling van hun afgoden, hoewel veeleer een zegen dan een oordeel, maar, een noodzakelijke daad van gerechtigheid zijnde wordt zij hier vermeld om aan te tonen wat de zonde zou wezen, die al deze ellende over hen bracht, vers 30. Ik zal uw hoogten verderven. Zij, die door Gods geboden niet van hun zonden gescheiden willen worden, zullen er door Zijn oordelen van worden gescheiden, daar zij hun hoogten niet wilden verderven, zal God het doen. En om hen te smaden wegens de onredelijke liefde, die zij voor hun afgoden hadden getoond, wordt hun voorzegd, dat hun dode lichamen op de dode lichamen van hun afgoden geworpen zullen worden. Zij, die gehuwd zijn aan hun lusten, zullen er vroeg of laat genoeg van hebben. Hun afgoden zullen noch zichzelf noch hun aanbidders kunnen helpen, maar daar zij, die ze gemaakt hebben, hun gelijk zijn, zullen beide gelijkelijk vergaan, en als blinden tezamen in de gracht vallen.
B. Zij worden hier met geestelijke oordelen bedreigd, die hun geest zullen treffen, want Hij, die deze gemaakt heeft, kan, als het Hem behaagt, Zijn zwaard er toe laten naderen.
Zij worden hier er mee bedreigd:
a. Dat God geen welgevallen aan hen zal hebben, vers 31. Ik zal uw lieflijken reuk niet ruiken. Hoewel de oordelen Gods geen scheiding hebben gemaakt tussen hen en hun zonden, hebben zij hun toch reukwerk afgedwongen, maar tevergeefs, zelfs hun reukwerk was Hem een gruwel, Jesaja 1:13.
b. Dat zij geen kloekmoedigheid zullen hebben in de strijd, maar moedeloos en versaagd zullen wezen. Zij zullen niet slechts vrezen en vluchten, vers 17, maar vrezen en vallen, waar niemand is, die jaagt, vers 36. Een schuldig geweten zal hun voortdurende verschrikking wezen, zodat niet slechts trompetgeschal, maar het geruis van een gedreven blad hen zal jagen. Zij, die de vreze Gods van zich geworpen hebben, stellen zich bloot aan de vrees voor alle andere dingen, Spreuken 28:1. Zelfs hun vrees zal hen de een op de ander doen vallen, vers 37, 38. En zij, die elkanders schuld hebben vermeerderd, zullen nu elkanders vrees doen toenemen.
c. Dat zij geen hoop zullen hebben op de vergeving van hun zonden, vers 39. Zij "zullen om hun ongerechtigheid uitteren," "hoe zouden zij dan leven?" Ezechiël 33:10. Het is rechtvaardig in God, om diegenen over te laten aan wanhoop aan hun vergeving, die zich vermeten hebben te zondigen, en wij zijn het van Zijn vrije genade verschuldigd, als wij niet overgelaten zijn om uit te teren in de ongerechtigheid, waarin wij geboren zijn, en waarin wij hebben geleefd.