Genesis 8:13-14
Hier is:
1. De aardbodem opgedroogd, vers 14, dat is: al het water was er van afgevloeid, waarvan Noach zelf op de eerste dag van de eerste maand (een vreugdevolle Nieuwjaarsdag!) ooggetuige was. Hij deed het deksel van de ark af, niet de gehele bedekking, maar zoveel als genoeg was om hem een goed uitzicht over de aarde te geven, en zeer troostrijk was het uitzicht, dat hij nu had. Want zie! zie en verwonder u, de aardbodem was opgedroogd. Het is een grote zegen om de aarde rondom ons te zien. Noach was zich meer hiervan bewust dan wij, want zegeningen, die ons weergegeven zijn, doen ons meer dan zegeningen, die wij voortdurend genieten. De macht van God, die nu het gelaat van de aarde vernieuwde, kan ook het gelaat van een beproefde, ontroerde ziel vernieuwen, en ook van een verdrukte, vervolgde kerk. Hij kan droge grond te voorschijn doen komen, waar hij verloren en vergeten scheen te zijn, Psalm 18:17.
2. De aarde was opgedroogd, vers 14, zodat zij geschikt was om door Noach bewoond te worden.
Merk op dat God, hoewel Noach op de eerste dag van de eerste maand de aarde reeds droog zag, hem toch niet wilde toelaten uit de ark te gaan voor de zeven en twintigste dag van de tweede maand. Wellicht zou Noach, die zijn beperking wel enigszins moede was, de ark reeds terstond verlaten hebben, maar God heeft, in Zijn goedheid jegens hem, hem bevolen nog zoveel langer er in te blijven. God gaat meer te rade met ons welzijn dan met onze wensen, want Hij weet beter dan wij het zelf weten wat goed voor ons is, en hoelang het nodig is, dat ons bedwang, onze beperking zal duren, en de begeerde zegeningen nog uitgesteld moeten worden. Wij zouden uit de ark willen gaan, voordat de aarde opgedroogd is, en zo de deur gesloten is, zijn wij wellicht gereed het deksel af te nemen, en langs een andere weg er uit te gaan, maar wij moeten er van overtuigd wezen, dat Gods tijd om genade te betonen voorzeker de beste tijd is, als de zegen rijp is voor ons, en wij rijp zijn voor de zegen.