Genesis 45:1-15
Juda en zijn broers wachtten op een antwoord, en het kon wel niet anders of zij moesten ten hoogste verbaasd zijn, toen zij in plaats van de strenge ernst van een rechter de natuurlijke genegenheid van een vader of broer ontdekten.
I. Jozef gaf bevel dat al zijn dienaren het vertrek zouden verlaten, vers 1. Vrienden zijn het meest vrij en ongedwongen in hun gesprekken, als zij onder elkaar zijn. Toen Jozef liefde wilde betonen, legde hij alle statigheid af, en het was niet betamelijk dat zijn dienaren daar getuigen van zouden zijn. Aldus openbaart Christus zich in Zijn goedertierenheid aan Zijn volk buiten het gezicht en het gehoor van de wereld.
II. Tranen waren de inleiding tot zijn rede, vers 2. Hij had die stroom lang en met grote moeite tegengehouden, maar nu zwol hij zo hoog op, dat hij hem niet langer kon bedwingen, maar overluid weende, zodat zij, die hij had weggezonden, opdat zij hem niet zouden zien, hem wel moesten horen. Het waren tranen van tederheid en sterke, diepe liefde, en daarmee legde hij die strenge ernst af, die hij tot nu toe aan zijn broers betoond had, want hij kon het niet langer dragen. Dit stelt, evenals de vader van de verloren zoon, het goddelijk mededogen voor jegens berouwhebbende zondaren, Lukas 15:20, Hosea 11:8, 9.
III. Haastig en plotseling, als iemand die niet gerust kan wezen vóór hij het geuit heeft, zegt hij hun wie hij is: Ik ben Jozef. Zij kenden hem slechts bij zijn Egyptische naam Zafnath-Paaneah, daar zijn Hebreeuwse naam vergeten en verloren was in Egypte, maar nu leert hij hen hem bij die naam te noemen, ik ben Jozef, en opdat zij niet zouden denken dat hij iemand anders was van dezelfde naam verklaart hij zich nader, vers 4, ik ben Jozef uw broer. Dit zou hen nog meer verootmoedigen wegens hun zonde van hem te verkopen, maar hen tevens aanmoedigen om op een vriendelijke behandeling te hopen. Zo zei Christus, toen Hij Paulus van zonde wilde overtuigen, Ik ben Jezus, en toen Hij zijn discipelen wilde vertroosten: Ik ben het, vreest niet. In het eerst heeft dit woord Jozefs broers verschrikt. Vol angst deinsden zij terug, zij waren ontsteld en verbaasd, maar Jozef riep hun vriendelijk en gemeenzaam toe: Nadert toch tot mij. En als Christus zich openbaart aan Zijn volk, moedigt Hij hen aan, om tot Hem toe te gaan met een waarachtig hart. Wellicht wilde hij, daar hij er van ging spreken dat zij hem verkocht hadden, niet luid spreken opdat de Egyptenaars het niet zouden horen en de Hebreeën er niet in nog groter verfoeiing bij hen om zouden komen, daarom wilde hij dat zij allen tot hem zouden naderen, opdat hij fluisterend met hen kon spreken, hetgeen hij, nu zijn ontroering enigszins tot bedaren was gekomen, instaat was te doen, terwijl hij in het eerst het, als het ware, uitschreeuwen moest.
IV. Hij poogt hun smart te verzachten wegens het kwaad, dat zij hem aangedaan hebben, door hun te tonen, dat God, wat zij ook mochten bedoeld hebben, het ten goede heeft gedacht en er het goede uit heeft doen voortkomen vers 5, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen. Zondaren moeten bekommerd zijn en in toorn ontsteken tegen zichzelf vanwege hun zonde, ja, al is het ook dat God door Zijn kracht er goeds uit doet voortkomen, dan is dit niet aan de zondaar te danken, doch oprechte boetvaardigen moeten er diep door bewogen worden, als zij zien hoe God goed uit kwaad doet voortkomen, spijze uit de eter. Hoewel wij hiermede onze eigen zonden niet mogen verkleinen, om alzo de bitterheid van ons berouw weg te nemen, kan het toch goed zijn, om er de zonden van anderen in een zachter licht door voor te stellen en er het bittere en scherpe van onze wrok door weg te nemen. Zo doet Jozef hier. Zijn broers behoefden niet te vrezen, dat hij zich op hen zou wreken wegens een kwaad dat de voorzienigheid van God zozeer tot voordeel heeft doen uitkomen van hem en zijn familie. Nu zegt hij hun, hoe lang de honger nog zal aanhouden, namelijk nog vijf jaren, maar, vers 6, hoe hij bij machte was vriendelijkheid te betonen aan zijn bloedverwanten en vrienden, hetgeen het grootste genot is, dat rijkdom en macht kunnen schenken aan een godvruchtige, vers 8. Zie in welk een gunstig licht hij het kwaad stelt, dat zij hem aangedaan hebben God heeft mij voor uw aangezicht heengezonden, vers 5-7.
Merk op:
1. De God van Israël is onder de bijzondere zorg van de voorzienigheid van God. Jozef achtte dat zijn verhoging niet zozeer bestemd was om het gehele koninkrijk van Egypte te redden als wel om een kleine familie van Israëlieten te behouden, want des Heeren deel is Zijn volk, hoe het ook met anderen ga, zij zullen beveiligd wezen.
2. Dat de voorzienigheid van God zeer ver vooruit ziet en zich zeer ver uitstrekt. Lang vóór de jaren van overvloed bereidde de voorzienigheid van God de spijs voor Jakob's huis in de jaren van de honger. De psalmist looft God hiervoor Psalm 105:17. "Hij zond een man voor hun aangezicht heen, Jozef." God ziet Zijn werk van het begin tot het einde, maar wij zien dit niet, Prediker 3:11. Hoe bewonderenswaardig zijn de plannen van de voorzienigheid! hoe verreikend is haar strekking! Wat al raderen in het midden van de raderen, die toch allen bestuurd worden door de ogen in de raderen en de geest van de dieren in de raderen, zie Ezechiël 1:15-20. Laat ons daarom over niets vóór de tijd oordelen
3. God werkt dikwijls door tegenovergestelde dingen, de nijd en twist van broers dreigen een gezin met de ondergang, en toch blijken zij nu in dit geval de gelegenheid, of het middel om Jakob's gezin te behouden. Jozef zou nooit een herder, een steen Israëls geweest zijn, indien zijn broers hem niet beschoten en gehaat hadden, zij namelijk, die hem misdadig naar Egypte verkocht hadden, en toch zelf het voordeel oogstten van het goede, dat God er uit heeft doen voortkomen, evenals velen van hen, die Christus ter dood hebben gebracht door Zijn dood behouden zijn geworden.
4. God moet al de eer ontvangen voor de tijdige bewaring van Zijn volk, door wèlk middel die bewaring dan ook gewerkt moge worden, vers 8. Gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God zelf. Gelijk zij van de ene kant zich nu niet moeten bedroeven of kwellen daar de zaak toch zo ten goede is uitgekomen zo moeten zij er, van de andere kant, niet trots op wezen, want het was Gods doen, en niet van hen. Met hem naar Egypte te verkopen bedoelden zij zijn dromen te verijdelen, maar de bedoeling van God er mee was, ze te verwezenlijken, Jesaja 10:7. Hoewel hij het zo niet meent.
V. Hij belooft gedurende de overige jaren van de honger voor zijn vader en geheel zijn familie te zullen zorgen.
1. Hij verlangt dat zijn vader spoedig verblijd zal worden met de tijding, dat hij nog in leven is en tot grote macht en aanzien is gekomen. Zijn broers moeten zich naar Kanaän heenspoeden, en aan Jakob bekendmaken dat zijn zoon Jozef tot heer over Egypteland gesteld is, vers 9, en zij moeten hem van al zijn heerlijkheid aldaar verhalen, vers 13. Hij wist dat dit een verkwikkende zalf zou zijn voor zijn hoofd, en een krachtige hartversterking waardoor zijn moed en geestkracht verlevendigd zouden worden. Indien er iets was, dat hem weer jong kon maken, dan was dit het. Hij wenst dat zij zelf zich volkomen zouden overtuigen van de waarheid van deze verbazingwekkende tijding, ten einde er hun vader ook de overtuiging van te kunnen geven, vers 12, uw ogen zien het, dat mijn mond tot u spreekt. Als zij zich wilden bezinnen, dan konden zij zich misschien nog wel iets van zijn gelaatstrekken zijn stem, zijn manier van spreken te binnen brengen, en alzo volkomen overtuigd zijn.
2. Hij verlangt vurig dat zijn vader en geheel zijn familie naar Egypte zouden komen. Kom af tot mij en vertoef niet, vers 9. Hij wil hem doen wonen in Gosen, het deel van Egypte, dat in de richting lag van Kanaän, opdat zij het land zouden gedenken, vanwaar zij kwamen, vers 10. Hij belooft in hun behoeften te voorzien, vers 11. Ik zal u aldaar onderhouden. Het is de plicht van de kinderen om, zo dit door de nooddruft van hun ouders vereist wordt, hen te onderhouden, en zoveel het hun slechts mogelijk is, in hun behoeften te voorzien, want door korban zullen zij daar nooit vrijgesteld van kunnen worden Markus 7:11. Dat is "aan hun eigen huis godzaligheid te oefenen," 1 Timotheus 5:4. Onze Heer Jezus, evenals Jozef, tot de hoogste macht en eer in de bovenwereld verhoogd zijnde, wil dat al de Zijnen met Hem zullen wezen waar Hij is Johannes 17:24. Dat is Zijn gebod, dat wij nu bij Hem zijn in geloof en hoop en een hemelse wandel, en dit is Zijn belofte, dat wij voor altijd met Hem zijn zullen.
VI. Zij gaven nu ook uitdrukking aan hun liefde voor elkaar. Hij begon met de jongste, zijn eigen broer Benjamin, die omstreeks een jaar oud zal geweest zijn, toen Jozef van zijn broers gescheiden werd, zij omhelsden elkaar en weenden, vers 14, denkende wellicht aan hun moeder Rachel, die stierf toen zij Benjamin baarde. In haar echtgenoot had Rachel in de laatste tijd geweend, omdat zij, naar hij vreesde, niet meer waren, Jozef was weg, en Benjamin ging weg, en nu wenen zij om haar, omdat zij niet meer was. Na Benjamin heeft hij ook de anderen omhelsd, vers 15, en daarna spraken zijn broers met hem, vrij en gemeenzaam over al de zaken van het huis van hun vader. Na de tekenen van een ware verzoening volgen de ogenblikken van lieflijke gemeenschap.