Genesis 38:1-11
Hier is:
I. De dwaze vriendschap van Juda voor een Kanaänietische man. Hij toog af van zijn broeders, en trok zich voor een tijd terug van de omgang met hen en zijn vaders gezin, en werd zeer vertrouwelijk bekend met een zekere Hira, een Adullamiet, vers 1. Men berekent dat hij toen niet veel ouder was dan vijftien of zestien jaren, en zo werd hij een gemakkelijke prooi voor het verleiden. Als jonge lieden die een goede opvoeding hebben gehad, andere omgang beginnen te zoeken, dan zullen zij spoedig hun zeden en manieren veranderen, en de vrucht van hun goede opvoeding verliezen. Zij, die weggaan van hun broeders, het gezelschap van het zaad Israëls verlaten en versmaden, en Kanaänieten tot hun metgezellen kiezen, gaan zeer snel bergafwaarts. Het is van groot belang voor jonge lieden, om geschikte metgezellen te kiezen, want die zullen zij navolgen, er zich op toeleggen om zich hun aangenaam te maken, en zich schatten naar hun mening omtrent hen, een dwaling in die keuze is dikwijls noodlottig.
II. Zijn dwaas huwelijk met een Kanaänietische vrouw, een huwelijk, niet tot stand gebracht door zijn vader, die niet geraadpleegd scheen te zijn, maar door zijn nieuwe vriend Hira, vers 2. Velen zijn tot huwelijken verlokt, die schandelijk en verderflijk waren voor hen en voor hun familie, door zich in slecht gezelschap te begeven en gemeenzame omgang te hebben met slechte lieden, door het ene goddeloze verbond komt men dan tot het andere. Laat jonge mensen hierdoor dan gewaarschuwd en vermaand worden, om hun goede ouders tot hun beste vrienden te nemen, en zich door hen laten raden, en niet door vleiers, die hen bepraten om hen tot hun prooi te maken.
III. Zijn kinderen bij deze Kanaänietische, en hoe hij over hen beschikte. Hij had drie zonen bij haar, Er, Onan, en Sela. Waarschijnlijk heeft zij de eredienst van de God Israëls aangenomen, naar belijdenis tenminste, maar voorzoveel blijkt, was er weinig van de vreze Gods in dit gezin. Juda ging te jong een huwelijk aan, en hij was er zeer roekeloos in. Hij heeft ook zijn twee zonen te jong uitgehuwelijkt, toen zij verstand noch genade hadden om zichzelf te regeren, en zeer slecht waren de gevolgen hiervan.
1. Zijn eerstgeborene, Er, was openbaar goddeloos, hij was dit in de ogen des Heeren, dat is: ten spijt van God en Zijn wet, of indien hij misschien niet slecht was in de ogen van de wereld, dan was hij het toch in de ogen Gods, voor wien alle slechtheid van de mensen open en bloot ligt. En wat kwam er van? God heeft hem terstond afgesneden, vers 7. De Heere doodde hem. Soms maakt God korte metten met de zondaren, en neemt hen weg in Zijn toorn, als zij hun slechte loopbaan nog maar pas zijn ingetreden.
2. De tweede zoon, Onan, werd, naar oud gebruik, gehuwd aan de weduwe, ten einde de naam van zijn kinderloos gestorven broeder in wezen te houden. Ofschoon God hem om zijn slechtheid het leven had ontnomen, wensten zij toch zijn gedachtenis te bewaren en hun teleurstelling hierin door Onans zonde was nog een verdere straf voor zijn goddeloosheid. De gewoonte om de weduwe van een broeder te huwen, werd later tot een van de wetten van Mozes gemaakt, Deuteronomium 25:5. Onan bewilligde er in de weduwe te huwen, maar tot groot nadeel van zijn eigen lichaam, van de vrouw die hij getrouwd had, en van de nagedachtenis van zijn gestorven broeder, weigerde hij zijn plicht te doen en zijn broeder zaad te verwekken. Dit was zo veel te slechter, omdat de Messias van Juda moest afstammen, en zo hij zich niet aan die goddeloosheid had schuldig gemaakt, dan zou hij de eer gehad kunnen hebben van een Zijn voorouders te zijn. De zonden, die het lichaam onteren en verontreinigen, mishagen de Heere zeer, en zijn blijken van lage neigingen.
3. Sela, de derde zoon, werd nu bestemd voor de weduwe, vers 11, maar met de bedoeling, dat hij niet zo jong zou huwen als zijn broeders, dat niet misschien deze ook sterve. Sommigen denken dat Juda nooit van zins is geweest om Sela met Thamar te doen huwen, maar haar onrechtvaardig verdacht heeft de dood van haar eerste twee echtgenoten veroorzaakt te hebben (terwijl het toch hun eigen goddeloosheid was, die hen had gedood) en haar toen naar haar vaders huis zond met de last om weduwe te blijven. Indien dit zo is, dan was dit een onverschoonbare daad van trouweloosheid waaraan hij zich schuldig maakte. Hoe dit zij, Thamar berustte voor het ogenblik, en wachtte de uitkomst af.