Genesis 2:18-20
Hier hebben wij: I. Een voorbeeld van des Scheppers zorg voor de mens, en Zijn vaderlijke voorziening in zijn behoefte aan behaaglijkheid en vertroosting, vers 18. Hoewel God hem liet weten dat hij een onderdaan was, door hem een gebod te geven, laat Hij hem om hem aan te moedigen in zijn gehoorzaamheid, ook weten, dat hij een vriend en een gunstgenoot is, voor wiens genoegen en welzijn Hij zorgde.
Merk op: 1. Hoe genadiglijk God medelijden had met zijn eenzaamheid: Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Er was een hogere wereld van engelen, en een lagere wereld van dieren, en tussen deze was hij geplaatst. Daar er echter geen wezens waren van zijn eigen natuur en rang, niemand met wie hij gemeenzaam kon omgaan, kon hij met recht gezegd worden alleen te zijn. Hij, die Hem gemaakt had, kende hem, en wist wat goed voor hem was, en Hij zei: "Het is niet goed, dat hij aldus alleen blijft."
a. Het is niet liefelijk of behaaglijk voor hem, want de mens is een gezellig wezen, het is een genoegen voor hem van gedachten te wisselen met zijn eigen natuurgenoten, hun liefde te geven en liefde van hen te ontvangen, kennis mee te delen, en kennis te ontvangen, te beminnen, en bemind te worden. Wat God hier zegt van de eerste mens, zegt Salomo aan alle mensen, dat "twee beter is dan een, en: wee de ene" Prediker 4:9, enz. Indien er slechts een mens in de wereld ware, welk een droefgeestige mens zou hij dan moeten wezen! Volstrekte eenzaamheid zou een paradijs in een woestijn verkeren, en een paleis in een kerkerhol. Diegenen zijn dus zeer dwaas, die zelfzuchtig zijn, en alleen op de wereld zouden willen wezen.
b. Het strekt niet tot zijn vermeerdering en voortduring van zijn geslacht. God had in den beginne een wereld van mensen kunnen maken, om de aarde te vervullen, zoals Hij de hemel met een wereld van engelen heeft vervuld, maar de plaats zou te eng geweest zijn om het bestemde getal van de mensen tegelijk te kunnen bevatten. Daarom heeft God het voegzaam geoordeeld om dat getal vol te maken door een opeenvolging van geslachten, die, naar God de mens geformeerd had, uit twee moesten voortkomen, uit man en vrouw, een zal altijd slechts een zijn.
2. Hoe God genadiglijk besloten heeft hem van gezelschap te voorzien. Het gevolg van dit overleg nopens hem was dit vriendelijke besluit: Ik zal een geschikte hulp voor hem maken, een hulp, die hem gelijk is, zoals die zinsnede door sommigen gelezen wordt, iemand van dezelfde natuur en dezelfde rang van wezens, een hulpe bij hem zo lezen anderen die woorden- iemand die samenwoont met hem, altijd daar is, een hulpe voor hem-zo lezen nog anderen-die hij altijd met genot en verlustiging zal beschouwen. Merk hieruit op:
a. Dat wij in onze beste toestand in deze wereld, de hulp van anderen nodig hebben want wij zijn elkanders leden, "en het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van node," 1 Corinthiërs 12:21. Daarom moet het ons verblijden hulp van anderen te ontvangen, en aan anderen hulp te geven, al naar de gelegenheid zich voordoet.
b. Dat het alleen God is, die onze behoeften volkomen kent en volkomen machtig is er in te voorzien, Filippenzen 4:19. In Hem alleen in onze hulpe, en van Hem zijn al onze helpers. c. Dat een geschikte huisvrouw, een echtgenote, een geschikte hulp is, en van de Heere is. Die betrekking zal waarschijnlijk liefelijk en aangenaam zijn, als het geschiktheid is, die de keuze bestiert en bepaalt, en als wederzijdse hulpvaardigheid het voortdurende streven is, 1 Corinthiërs 7:33, 34.
d. Dat de gezelligheid van een goed, vriendelijk huisgezin een genoegzaam middel is tegen het smartelijke van de eenzaamheid. Hij, die een goede God, een goed hart, en een goede huisvrouw heeft, met wie hij zich kan onderhouden, en toch nog klaagt over gebrek aan omgang en gezelligheid, zou ook in het paradijs niet rustig en vergenoegd zijn geweest, want Adam zelf had niets meer, en toch bevinden wij niet, dat hij zelfs vóórdat Eva was geschapen, over eenzaamheid geklaagd heeft, wetende, dat hij niet alleen was, want de Vader was met hem. Zij, die de meeste voldoening smaken in God en Zijn gunst, zijn op de beste weg en in de beste gemoedstoestand om de goede dingen van dit leven te ontvangen, en in zover de oneindige Wijsheid het goed oordeelt, kunnen zij zich er ook van verzekerd houden.
II. Een voorbeeld van de onderworpenheid van de schepselen aan de mens, en zijn heerschappij over hen, vers 19-20. De Heere God bracht al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels tot Adam, hetzij door de dienst van de engelen, hetzij door een bijzonder instinct in de dieren, dat hen aandreef om tot de mens te komen als tot hun meester en gebieder, de os reeds in tijds lerende Zijn bezitter te kennen. Aldus stelde God de mens in het bezit van het schone erfdeel dat Hij hem geschonken had, en tevens van zijn heerschappij over de dieren. God bracht ze tot hem opdat hij ze noemen zou, en aldus een blijk zou geven:
1. Van zijn kennis, als een wezen begiftigd beide met het vermogen van de rede en van de spraak en dus "geleerder gemaakt dan de beesten de, aarde, en wijzer dan het gevogelte des hemels" Job 35:11. En:
2. Een bewijs van zijn macht. Het is een daad van gezag om namen te geven, Daniël 1:7, en van onderworpenheid om ze te ontvangen. De lagere schepselen hebben nu, als het ware hulde gedaan, aan hun vorst bij zijn inhuldiging, om hem trouw en gehoorzaamheid te zweren. Indien Adam getrouw ware gebleven aan Zijn God, dan kunnen wij onderstellen, dat de dieren zelf de namen, die hij hun nu gaf, zo goed geweten en onthouden zouden hebben dat zij te allen tijde, als hij hen riep, tot hem gekomen zouden zijn. God gaf namen aan de dag en de nacht, aan het uitspansel, aan de aarde en de zee: en Hij noemt de sterren bij name, om te tonen, dat Hij er de Opperheer van is, maar Hij gaf aan Adam verlof om als hun heer de beesten en de vogelen te noemen, want, daar Hij hem naar Zijn beeld gemaakt heeft, verleent Hij hem iets van Zijn eer en heerlijkheid.
III. Een voorbeeld van de ongenoegzaamheid van de schepselen om voor de mens een geluk te zijn maar onder die allen, vond hij geen hulpe, die als tegen hem over ware. Sommigen beschouwen dit als de woorden van Adam zelf. Al de schepselen gade slaande, die in paren tot hem kwamen, om namen te ontvangen geeft hij aldus aan zijn Maker Zijn begeerte te kennen: "Heere, deze allen hebben een hulp tegenover zich, maar wat zal ik doen? Voor mij is er geen." Maar het is veeleer Gods oordeel bij deze schouwing. Hij bracht hen allen te zamen, om te zien of er een geschikte, voegzame weerga was voor Adam onder al die talrijke geslachten van mindere wezens, maar er was geen. Merk hier dan op: 1. De waardigheid en voortreffelijkheid van de menselijke natuur. Onder al de zichtbare schepselen op aarde was zijn gelijke niet, zij werden allen in ogenschouw genomen, maar geen van allen was hem gelijk.
2. De ijdelheid van deze wereld, en de dingen die er in zijn. Neem ze allen te zamen, en zij zullen geen geschikte hulp wezen voor de mens. Zij passen niet bij de natuur van de ziel, voorzien niet in haar behoefte, voldoen niet aan haar rechtmatige begeerte, komen niet overeen met haar onvergankelijke duurzaamheid. God schiep een nieuw wezen om een hulp te zijn, geschikt voor de mens-niet zo zeer de vrouw, als wel het Zaad van de vrouw.