Genesis 28:6-9
Deze vermelding omtrent Ezau is hier ingelast in het midden van de geschiedenis van Jakob, hetzij:
1. Om de invloed te tonen van een goed voorbeeld. Ezau, hoewel hij "de voornamer man" is, begint nu te vinden dat Jakob de "betere" man is, en hij acht het niet beneden zich om hem voor deze bijzondere zaak als voorbeeld te nemen, en een dochter Abrahams te huwen. De oudere kinderen moeten aan de jongere een voorbeeld geven van volgzaamheid en gehoorzaamheid, het is slecht, als zij het niet doen, maar er is enige verzachting indien zij zoals Ezau hier, een voorbeeld nemen aan de jongere. Of:
2. Om dwaasheid te tonen van wijsheid, die te laat komt. Ezau heeft wèl gedaan, maar hij deed het toen het te laat was. Hij zag dat de dochteren Kanaäns kwaad waren in de ogen zijns vaders, en dat had hij reeds lang tevoren kunnen zien, als hij met het oordeel van zijn vader evenzeer te rade was gegaan als met zijn eigen smaak. En hoe heeft hij nu de zaak verholpen? Ach, hij maakte haar in waarheid nog erger.
a. Hij huwde een dochter van Ismaël, de zoon van de dienstmaagd, die uitgeworpen was, en niet mocht erven met Izaak en zijn zaad, zich aldus verbindende met een geslacht, dat door God was verworpen, en zijn eigen aanspraken zoekende te versterken door de hulp van iemand, die even weinig recht had als hij om ze te doen gelden.
b. Hij nam een derde vrouw, terwijl voor zo veel blijkt, de andere twee noch dood noch van hem gescheiden waren.
c. Hij deed dit alleen om zijn vader te behagen, niet om God te behagen. Nu Jakob naar een ver land was weggezonden, zal Ezau thuis alles in alles wezen, en zo hoopte hij zijn vader te zullen overhalen om een nieuw testament te maken en het erfrecht van de belofte op hem te doen overgaan, herroepende het testament, dat hij ten gunste van Jakob gemaakt had. En zo was hij dan wijs toen het te laat was, evenals Israël toen zij wilden optrekken, toen Gods raadsbesluit daartegen was, Numeri 14:40, en de dwaze maagden, Mattheus 25:11. Hij liet het ook bij een gedeeltelijke verbetering van leven blijven, en dacht dat hij door zijn ouders in een ding genoegen te geven, daarmee al zijn wangedragingen goed kon maken. Er wordt niet gezegd dat hij, toen hij zag hoe gehoorzaam Jakob was en hoe bereid zijn ouders te behagen, berouw had van zijn boosaardig voornemen tegen hem, neen, later bleek het dat hij daar in volhardde, en zijn haat bleef koesteren. Vleselijk-gezinde mensen zijn geneigd te denken, dat zij zo goed zijn als zij moeten wezen, omdat zij in een zaak niet meer zo slecht zijn als zij plachten te wezen. Aldus behoudt Micha zijn afgoden, maar acht zich gelukkig, en denkt dat de Heere hem weldoen zal, omdat hij een Leviet tot priester heeft, Richteren 17:13.