Genesis 21:33-34
Merk op:
1. Dat Abraham het wist te waarderen, als hij in een goede omgeving was, en er dan ook lang bleef. Hij plantte daar een bos om zijn tent te beschaduwen of misschien wel een boomgaard van vruchtbomen en hoewel wij niet kunnen zeggen, dat hij zich daar vestigde, want God wilde hem zolang hij leefde een vreemdeling en bijwoner doen blijven, heeft hij er toch als vreemdeling vele dagen gewoond, zo veel als overeenkwamen met zijn hoedanigheid als Abraham de "Hebreeër," of "reiziger."
2. Daar heeft hij zijn Godsdienst niet slechts voortdurend beoefend, maar ook openlijk beleden. Hij riep aldaar de naam des Heeren, van de eeuwige God aan, waarschijnlijk wel in het bos, dat hij geplant had en dat zijn huis des gebeds was. Christus heeft gebeden in een hof, op een berg. Abraham heeft openbare Godsverering gehouden, die door zijn naburen waarschijnlijk werd bijgewoond. Godvruchtige mensen moeten niet slechts hun Godsvrucht behouden en beoefenen overal waar zij heengaan, maar ook alles doen wat zij kunnen om hun Godsdienst te verbreiden en anderen Godvruchtig te maken. Als wij de Heere aanroepen moeten wij Hem beschouwen als de enige God, of de God van de wereld, zoals sommigen die woorden vertalen. Hoewel God zich aan Abraham heeft bekend gemaakt als zijn God en een verbond met hem had, vergeet hij toch niet Hem eer te geven als Heere van allen, de eeuwige God, die voor alle werelden geweest is, en zijn zal als er geen dagen en geen tijd meer zijn. Zie Jesaja 40:28.