18. En om te heersen op de dag, en in de nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis (
Psalm 104:20-
24,
Jeremia 31:35) 1) En God zag dat het goed was.
1) Hoe dwaas is het ze te aanbidden en te dienen (Deuteronomium 4:19), daar zij bestemd zijn, om de aarde en de mens te dienen. "De Schrift spreekt van de hemellichten naar de diensten, die zij de aarde en de mens moesten bewijzen, niet naar hetgeen zij op zichzelf zijn, zoals ook de zeevarenden naar de zon, de maan en de sterren zien, niet als werelden, maar als vaste punten, waar zij tijden en plaatsen naar berekenen. God berekent blijkbaar de zaken geheel anders dan wij. Wij berekenen dikwijls de grootheid van de dingen naar de grootte van onze maat en de hoeveelheid van onze cijfers, en zeggen: tien is meer dan één; maar God zegt: "hemel, aarde en zee, zon, maan en sterren en alle miljoenen vissen, vogels en dieren, betekenen niets in vergelijking tot de mens." Voor de mens alleen werd dit alles geschapen; het is alles tot zijn gebruik; daartoe dient het in de eerste plaats..
De aarde is het Bethlehem van de wereld. Zoals Bethlehem de Heer en Heiland van de hele mensheid voortbrengt en het uitgangspunt, het centrum en het einddoel van de totale geschiedenis van de mensen betekent, het arme, kleine Bethlehem, zo heeft de kleine aarde, die niets is in het heelal, de plicht een betamelijke invloed uit te oefenen op de gang van de wereldgeschiedenis. Met andere woorden, de geschiedenis van de mensen, het in elkaar grijpen van de goddelijke heilsgedachte en de menselijke vrijheid is de geschiedenis van de wereld; en wanneer de ontwikkeling van de mensenwereld in het verzamelen van de verspreide mensheid en de uitverkorenen, hun doel bereikt hebben, dan kunnen wij zeggen dat wij aan onze plicht hebben voldaan, om nu als wedergekomenen in een nieuwe rechtvaardige mensenwereld te dienen in de Gods Koninkrijk.